ECLI:NL:CRVB:2026:788

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
23/3271 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PWArt. 31 PWArt. 54 PWArt. 58 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting

Appellant ontving vanaf juni 2014 bijstand en werd in december 2020 aangehouden wegens verdenking van drugshandel. Een onderzoek van de gemeente Amsterdam toonde aan dat appellant geen melding had gemaakt van de verkoop van zijn onderneming, opbrengsten uit de verkoop van Surinaamse zangvogels, stortingen op zijn bankrekening en een groot geldbedrag dat in zijn woning werd aangetroffen.

Het college trok de bijstand over de periode juni 2014 tot december 2020 in en vorderde de gemaakte kosten van bijstand terug, gematigd tot €30.000,-. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet beschikte over het geld en dat er dringende redenen waren om terugvordering te beperken.

De Raad oordeelde dat appellant geen tegenbewijs leverde voor zijn stellingen over het geld en dat hij zijn inlichtingenverplichting had geschonden. Ook waren de medische klachten en schulden onvoldoende onderbouwd om als dringende redenen te gelden. De intrekking en terugvordering blijven daarom in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd zonder verdere matiging.

Uitspraak

23/3271 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 november 2023, 23/2299 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 16 juni 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de intrekking en terugvordering van bijstand. Volgens het college heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de opbrengst van de verkoop van zijn onderneming, de verkoop van Surinaamse zangvogels, een bij hem in de woning aangetroffen geldbedrag, stortingen op zijn bankrekening en door hem ontplooide criminele activiteiten. Daarom kan niet worden vastgesteld of appellant bijstandbehoevend was. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat bij het bepalen van het terugvorderingsbedrag voldoende maatwerk is verricht door de matiging tot een bedrag van € 30.000,- en dat niet is gebleken van dringende redenen om nog verder af te zien van terugvordering. Volgens appellant heeft hij de inlichtingenverplichting niet over de gehele periode geschonden, kon hij niet beschikken over het in zijn woning aangetroffen geldbedrag en is sprake van een dringende reden om nog verder van terugvordering af te zien. Appellant krijgt geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. El Mhassani, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. El Mhassani. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H.J. ten Hoope.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt vanaf 1 juni 2014 bijstand, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Participatiewet (PW). Op 29 december 2020 is appellant door de politie aangehouden wegens verdenking van het handelen in verdovende middelen.
1.2.
Op 11 januari 2021 heeft de Regiopolitie Amsterdam/Amstelland twee processenverbaal van het onderzoek tegen appellant ter beschikking gesteld aan het Cluster Sociaal van de gemeente Amsterdam. Naar aanleiding daarvan hebben sociaal rechercheurs van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek hebben de sociaal rechercheurs onder meer dossieronderzoek verricht, een onderzoek naar de bankrekeningen van appellant gedaan en appellant op 17 februari 2021 gehoord. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport van 24 februari 2021. In dat rapport staat onder meer dat op 29 december 2020 bij een doorzoeking van de woning van appellant een geldbedrag van € 38.846,64 is aangetroffen en in beslag is genomen, dat in de periode van 4 januari 2016 tot en met 8 januari 2021 via munttelmachines op de bankrekening van appellant stortingen hebben plaatsgevonden tot een bedrag van in totaal € 13.427,46, dat appellant heeft verklaard dat hij af en toe Surinaamse zangvogels verkoopt voor € 400,- tot € 1.000,- per vogel en dat appellant een eetcafé had dat hij in 2014 heeft verkocht.
1.3.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft het college met een besluit van 30 augustus 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 9 maart 2023 (bestreden besluit) de bijstand van appellant over de periode van 1 juni 2014 tot en met 28 december 2020 ingetrokken. Ook heeft het college de gemaakte kosten van bijstand van € 80.116,82 netto, zijnde € 102.212,34 bruto, na matiging van de terugvordering, tot een bedrag van € 30.000,- van appellant teruggevorderd. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de verkoop van zijn onderneming in 2014, de verkoop van Surinaamse zangvogels, het bij hem in de woning aangetroffen geldbedrag, stortingen op zijn bankrekening en door hem ontplooide criminele activiteiten. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of appellant in de hiervoor genoemde periode recht had op bijstand. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat bij het bepalen van het terugvorderingsbedrag voldoende maatwerk is verricht door, gelet op het tijdsverloop na het sluiten van het onderzoek tot de besluitvorming, de terugvordering te matigen tot een bedrag van € 30.000,-. Niet is gebleken van dringende redenen om verder af te zien van terugvordering.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking en terugvordering van bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5. De te beoordelen periode loopt van 1 juni 2014 tot en met 28 december 2020.
5.1.
Appellant voert allereerst aan dat de feitelijke grondslag van de intrekking over de periode van 1 juni 2014 tot 1 januari 2016 niet duidelijk is. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van betekenis.
5.2.
Uit het bestreden besluit blijkt dat appellant geen melding heeft gemaakt van de uit de verkoop van zijn onderneming ontvangen middelen. In de door het college overgelegde stukken over de aanvraag heeft appellant alleen melding gemaakt van de beëindiging van de onderneming. Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door niet te melden dat hij zijn onderneming voorafgaand aan de aanvraag om bijstand heeft verkocht. Ook heeft hij geen melding gemaakt van de opbrengsten uit de verkoop van die onderneming.
5.3.
Appellant heeft verder aangevoerd dat hij niet over het in zijn woning aangetroffen geld en de stortingen op zijn bankrekening kon beschikken. Die beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.
5.4.
Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, brengt
– behoudens tegenbewijs – mee dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit geldt ook voor het in de woning van appellant aangetroffen geld. Appellant is er niet in geslaagd dit tegenbewijs te leveren. Hij heeft zijn stelling dat het in zijn woning aangetroffen geld afkomstig was van zijn zus en vader om hun begrafenissen mee te betalen en de op zijn bankrekening gestorte bedragen afkomstig waren van collectegelden van de kerk van zijn vader, niet onderbouwd.
5.5.
Uit 5.1 tot en met 5.4 volgt dat appellant zijn inlichtingenverplichting over de periode van 1 juni 2014 tot en met 28 december 2020 heeft geschonden. Daarvan uitgaande is niet in geschil dat het college bevoegd en verplicht was om de bijstand over deze periode in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen.
Dringende redenen
5.6.
Appellant heeft aangevoerd dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien. Hij heeft ernstige hartklachten en daarnaast schulden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van betekenis.
5.7.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
5.8.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 [1] tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
5.9.
Wat appellant heeft aangevoerd heeft het college bij afweging van de betrokken belangen niet als dringende redenen hoeven aan te merken om de terugvordering verder te beperken dan het bedrag van € 30.000,-. Het besluit om niet verder van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Daartoe is van belang dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn medische klachten het gevolg zijn van de terugvordering of daardoor erger zijn geworden. Hij heeft dat niet onderbouwd met stukken. Ook het bestaan van de door appellant gestelde schulden heeft hij niet onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

5.10.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van bijstand in stand blijven.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en C.F.E. van Olden-Smit en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J. Bonnema

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 31, eerste lid
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 54, derde lid
Het college trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW.
Artikel 58, achtste lid
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.