ECLI:NL:CRVB:2026:838

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
25/378 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:670b BWArt. 3:33 BWArt. 3:35 BWArt. 19 ZWArt. 29 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ZW-uitkering wegens niet geëindigde dienstbetrekking

Appellant was werkzaam bij een werkgever en raakte op 28 december 2020 door een bedrijfsongeval arbeidsongeschikt. Hij meldde zich ziek bij het UWV en verzocht om een Ziektewet-uitkering. Het UWV weigerde deze uitkering omdat de arbeidsovereenkomst volgens hen nog niet was beëindigd op het moment van ziekmelding.

De rechtbank Rotterdam oordeelde dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht (nul-urencontract) die pas op 1 februari 2022 eindigde. Appellant voerde aan dat de arbeidsovereenkomst feitelijk was geëindigd na het ongeval en dat hij geen werkgever meer had, maar de rechtbank volgde dit niet.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat er geen rechtsgeldige tussentijdse beëindiging was en dat het enkele feit dat appellant niet meer werd opgeroepen of geen gehoor gaf aan oproepen niet tot beëindiging leidde. De Raad verwierp het beroep van appellant en handhaafde de weigering van de ZW-uitkering per 28 december 2020.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de ZW-uitkering heeft geweigerd omdat de arbeidsovereenkomst op 28 december 2020 nog niet was beëindigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/378 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2025, 23/4344 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een uitkering op grond van de ZW toe te kennen. Volgens appellant was geen sprake (meer) van een dienstbetrekking toen hij uitviel voor zijn werkzaamheden, zodat hij recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZWuitkering terecht per 28 december 2020 heeft geweigerd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.M. Fakiri, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fakiri. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant was vanaf 13 december 2020 bij [bedrijf] B.V. (werkgever) werkzaam als algemeen medewerker. Op 28 december 2020 heeft een bedrijfsongeval plaatsgevonden, waarna appellant is uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Werkgever en werknemer zijn hierna gehoord door de Inspectie SZW (tegenwoordig: Nederlandse Arbeidsinspectie). Hierbij heeft werkgever een arbeidsovereenkomst overgelegd en een tijdsregistratie.
1.2.
Op 4 januari 2021 is een ziekmelding gedaan bij het Uwv. Op verzoek van het Uwv heeft werkgever een afschrift van een arbeidsovereenkomst ingezonden. Deze overeenkomst is niet ondertekend door appellant. In deze arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht is vermeld dat deze zal aanvangen op 15 december 2020 en zal eindigen op 16 juni 2021. Voorts is vermeld dat de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor nul uur per week en dat appellant verplicht is aan een oproep van de werkgever om werkzaamheden te verrichten gehoor te geven. Bij besluit van 15 maart 2021 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 28 december 2020 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen, omdat de dienstbetrekking met werkgever niet is beëindigd. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3.
Op 11 maart 2022 heeft werkgever appellant per 28 december 2020 opnieuw ziekgemeld bij het Uwv. Bij besluit van 24 maart 2022 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 28 december 2020 een ZW-uitkering toe te kennen, omdat de dienstbetrekking met werkgever niet is beëindigd.
1.4.
Bij besluit van 26 mei 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Volgens gegevens van het Uwv is de arbeidsovereenkomst tussen appellant en zijn werkgever met ingang van 1 februari 2022 beëindigd. Dit betekent dat appellant in de periode waarin hij zich ziek heeft gemeld nog in dienst was bij zijn werkgever. Hieruit volgt dat de arbeidsovereenkomst ten tijde van appellant zijn ziekmelding nog niet was beëindigd.
Uitspraak van de rechtbank [1]
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
Het Uwv heeft uit mogen gaan van de door werkgever overgelegde, maar niet door appellant ondertekende, tekst van een arbeidsovereenkomst. Daarmee is tussen appellant en zijn werkgever sprake van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met uitgestelde prestatieplicht, ook wel een nul-urencontract genoemd. Het optreden van werkgever en zijn directeur roept vragen op, gelet op de beschikbare gedingstukken, waaronder een vonnis van de economische politierechter van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2022 waarin de werkgever veroordeeld is. Toch ziet de rechtbank onvoldoende grond om aan te nemen dat tussen appellant en zijn werkgever een andersoortige overeenkomst tot stand is gekomen. In het bijzonder kan dit niet worden afgeleid uit WhatsApp-correspondentie waarnaar appellant heeft verwezen, nu die neerkomt op ‘kom werken’ en er niets in is gezegd over enige arbeidsovereenkomst.
2.2.
De rechtbank heeft evenmin aanleiding gezien om uit te gaan van een andere einddatum van de arbeidsovereenkomst dan per 1 februari 2022. Appellant heeft aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd omdat er geen einddatum is afgesproken en de werkzaamheden na het bedrijfsongeval op 28 december 2020 feitelijk zijn beëindigd doordat beide partijen sindsdien geen invulling meer hebben gegeven aan de arbeidsovereenkomst. De rechtbank heeft appellant hierin niet gevolgd. De wet kent deze beëindigingsgrond niet en evenmin is gebleken van een opzegging door de ene partij die door de andere partij is aanvaard, noch van een op grond van artikel 7:670b van het Burgerlijk Wetboek (BW) (schriftelijk vastgelegde) beëindigingsovereenkomst.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft tegen die uitspraak het volgende aangevoerd.
3.1.
De rechtbank heeft ten onrechte aangenomen dat appellant een oproepovereenkomst heeft gehad die per 1 februari 2022 beëindigd zou zijn. Uit niets blijkt dat appellant en zijn voormalig werkgever overeenstemming hadden bereikt over die voorwaarde. De rechtbank heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het Uwv – gelet op appellant zijn gronden en overgelegde bewijzen – 1 februari 2022 als einddatum van de arbeidsovereenkomst mocht aanhouden.
3.2.
Appellant betwist dat hij na 28 december 2020 een werkgever had. Het Uwv heeft in het primaire besluit de stelling ingenomen dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van appellant hersteld zou zijn. In bezwaar heeft het Uwv deze stelling gehandhaafd. Dit blijkt echter nergens uit en is door het Uwv ook niet onderbouwd met gegevens.
3.3.
Vast staat dat appellant geen schriftelijke arbeidsovereenkomst heeft ontvangen en ondertekend. Hij is begonnen met werken en hij heeft daarvoor loon ontvangen. Tijdens het verhoor door de Arbeidsinspectie verklaarde werkgever dat de arbeidsovereenkomst voor zes maanden aangegaan zou zijn. Uit de WhatsApp-correspondentie tussen partijen blijkt echter dat er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst bestond en dat niet gesproken is over de duur van de arbeidsovereenkomst. Het Uwv had er dan ook niet vanuit mogen en kunnen gaan dat de door de werkgever overgelegde gegevens daadwerkelijk klopten. De werkgever heeft appellant na zijn ongeval niet meer opgeroepen om arbeid te verrichten of gevolg te geven aan zijn re-integratieverplichtingen, er is geen contact meer tussen partijen geweest, noch heeft er enige betaling van loon aan appellant plaatsgevonden. Appellant mocht op grond van deze feiten en omstandigheden redelijkerwijs begrijpen dat de arbeidsovereenkomst door de werkgever was opgezegd.
3.4.
Voor zover het Uwv meent dat er geen recht op ZW per de eerste ziektedag bestond omdat er op dat moment nog een arbeidsovereenkomst was, dan bestond dat recht in ieder geval per 21 juni 2021 (lees: 16 juni 2021). De door werkgever opgestelde arbeidsovereenkomst liep immers op dat moment af. Dat er een aanzegging door de werkgever is geweest om de arbeidsovereenkomst te verlengen blijkt niet. Het ligt op de weg van het Uwv om aannemelijk te maken dat de arbeidsovereenkomst vanaf 16 juni 2021 nog bestond.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten. Dit doet de Raad aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Tussen partijen is in geschil de weigering van een ZW-uitkering met ingang van 28 december 2020 omdat de dienstbetrekking tussen appellant en werkgever op deze datum niet was geëindigd. Niet in geschil is dat tussen appellant en werkgever vanaf halverwege december 2020 sprake was van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in Titel 10 van het BW. In geschil is of sprake is van een rechtsgeldige tussentijdse beëindiging op de datum in geding, 28 december 2020.
5.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn een gedeeltelijke herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht.
5.3.
Ook al zou appellant worden gevolgd in zijn betoog dat geen sprake is geweest van een schriftelijke arbeidsovereenkomst met een daarin vastgestelde einddatum, dan kan hij niet worden gevolgd in zijn standpunt dat een arbeidsovereenkomst per direct eindigt zodra een werknemer niet meer wordt opgeroepen door de werkgever of geen gehoor (meer) geeft aan oproepen van de werkgever. [2] Appellant heeft ter zitting aangevoerd dat hij uit de houding en het gedrag van werkgever direct na het ongeval gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat is opgezegd. Appellant voert daarbij aan dat werkgever heeft geprobeerd niet aansprakelijk te worden gesteld voor het ongeval en daartoe appellant thuis heeft opgezocht met het verzoek een arbeidsovereenkomst te tekenen, waarna alles ‘klaar’ zou zijn. Appellant heeft een beroep gedaan op conclusie van A-G De Bock van 8 september 2023, waaruit volgt dat de ‘duidelijk- en ondubbelzinnigheids-maatstaf’ bij opzeggen niet geldt voor de werkgever. [3] Dit betoog slaagt niet. Appellant merkt terecht op dat verklaringen of mededelingen van de werkgever moeten worden uitgelegd aan de hand van de artikelen 3:33 en 3:35 van het BW. Uit de stukken in het dossier blijkt echter niet dat werkgever heeft verklaard of meegedeeld de arbeidsovereenkomst met appellant te willen opzeggen. Een dergelijke wilsverklaring kan niet worden opgemaakt uit het bezoek na het ongeval en het verder stilzitten van de werkgever. Appellant heeft ter zitting verwezen naar de WhatsApp-berichten van werkgever. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is ook hierin geen aanknopingspunt te vinden voor het standpunt van appellant.
5.4.
Daarmee staat vast dat ten tijde van de ziekmelding van 28 december 2020 nog sprake was van een arbeidsovereenkomst. Van een situatie zoals beschreven in artikel 29, tweede lid, derde volzin en onder c, van de ZW (‘ziek uit dienst’) is geen sprake, omdat de dienstbetrekking niet was beëindigd. Het enkele feit dat de dienstbetrekking niet is beëindigd, maakt dat er op grond van artikel 29, tweede lid aanhef en onder c, van de ZW geen recht bestaat op een ZW-uitkering. [4] Omdat evenmin sprake is van de overige in dit tweede lid genoemde situaties, heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant per 28 december 2020 geen recht heeft op een ZW-uitkering.
5.5.
De grond dat na het eindigen van de arbeidsovereenkomst wel recht is op ziekengeld hoeft niet te worden besproken. De omvang van het geding is beperkt tot de vraag of het Uwv met recht ziekengeld heeft geweigerd met een beroep op de loondoorbetalingsverplichting van werkgever op de datum ziekmelding.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de ZW-uitkering per 28 december 2020 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) S.P.A. Elzer

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet
1. De verzekerde heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.
Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a ,van de ZW
Behoudens het tweede lid, onderdeel e, en de artikelen 29a, 29b en 29d wordt geen ziekengeld uitgekeerd, indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking op grond waarvan hij de arbeid behoort te verrichten:
a. recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel indien het recht op loon door toepassing van het derde, vijfde, zesde of negende lid van dat artikel geheel of gedeeltelijk ontbreekt;
Artikel 29, tweede lid, derde volzin, van de ZW
Het ziekengeld wordt uitgekeerd aan:
a. de verzekerde van wie de arbeidsverhouding op grond van artikel 4 of Pro 5 als dienstbetrekking wordt beschouwd, vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken;
b. degene wiens aanspraak berust op artikel 46, vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken;
c. de verzekerde van wie de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 3, binnen het op grond van het vijfde lid van toepassing zijnde tijdvak eindigt, vanaf de eerste dag van ongeschiktheid tot werken nadat de dienstbetrekking is geëindigd, doch niet eerder dan vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken;
d. de verzekerde die:
1° op grond van artikel 7, onderdeel a, als werknemer wordt beschouwd, vanaf de eerste dag van de veertiende week van de ongeschiktheid tot werken of zo veel eerder als de uitkering, bedoeld in dat onderdeel, eindigt op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a of b, van de Werkloosheidswet;
2° op grond van artikel 7, onderdeel b, als werknemer wordt beschouwd, vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken;
e. de verzekerde die wegens orgaandonatie ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken;
f. de vrouwelijke verzekerde, overeenkomstig artikel 29a;
g. de werknemer, bedoeld in de artikelen 29b en 29d.

Voetnoten

1.Rb Rotterdam 13 februari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1238.
2.Vgl. Hoge Raad 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387 en HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:111.
3.Parket bij de Hoge Raad 8 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:776.
4.Zie de uitspraak van 22 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV6623.