ECLI:NL:CRVB:2026:851
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet nakomen verplichting krediethypotheek
Appellante ontving bijstand in de vorm van een geldlening met de verplichting mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek op haar woning. Het college vorderde de bijstand terug omdat appellante deze verplichting niet nakwam. Appellante voerde aan dat de terugvordering in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en dat zij de financiële gevolgen niet kon dragen.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd was tot terugvordering en dat appellante geen bezwaar had gemaakt tegen de toekenning van de geldlening. De Raad stelde vast dat appellante onvoldoende feitelijke onderbouwing gaf voor haar financiële problemen en psychische impact. De waarde van de woning bood voldoende zekerheid voor terugbetaling.
De belangenafweging was niet onevenwichtig; het belang van het college bij het terugvorderen van gemeenschapsgeld woog zwaarder dan de door appellante aangevoerde nadelige gevolgen. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De terugvordering van de bijstand in de vorm van een geldlening wordt bevestigd wegens het niet nakomen van de verplichting tot het vestigen van een krediethypotheek.