ECLI:NL:CRVB:2026:855

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
25/878 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Beleidsregel UWV Terugkomen van een vaststaande beslissing
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugwerkende kracht bij herziening WGA-toerekening aan werkgever

In deze zaak staat centraal of het UWV terecht het verzoek van een werkgever heeft ingewilligd om terug te komen op een besluit waarbij een WGA-uitkering van een ex-werknemer aan de werkgever werd toegerekend, met een terugwerkende kracht van vijf jaar. De rechtbank had het besluit van het UWV vernietigd omdat het niet berustte op een evenwichtige belangenafweging en onvoldoende was gemotiveerd.

Het UWV stelde in hoger beroep dat het beperken van de terugwerkende kracht tot vijf jaar een redelijke beleidsregel is, mede gebaseerd op de Algemene wet bestuursrecht en recente beleidsregels en instructies. De werkgever voerde aan dat het financiële nadeel van circa €47.000,- onvoldoende is meegewogen en dat het UWV een langere terugwerkende kracht had moeten toepassen.

De Raad oordeelt dat het UWV een redelijke belangenafweging heeft gemaakt en dat het beleid om de terugwerkende kracht in beginsel te beperken tot vijf jaar niet onredelijk is. Het financiële nadeel is volgens de Raad niet zodanig zwaarwegend dat een langere termijn gerechtvaardigd is. Ook het door de werkgever aangevoerde beleid omtrent ziekengeld is niet vergelijkbaar.

De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het besluit van het UWV vernietigde en verklaart het beroep tegen het besluit van het UWV ongegrond. De beslissing bevestigt dat het UWV binnen haar beleidsruimte een termijn van vijf jaar terugwerkende kracht mag hanteren bij herziening van toerekeningsbesluiten.

Uitkomst: Het UWV mocht de terugwerkende kracht van de herziening van de WGA-toerekening aan de werkgever beperken tot vijf jaar.

Uitspraak

25/878 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 maart 2025, 22/1595 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[B.V. werkgeefster] (werkgeefster)
Datum uitspraak: 1 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht het verzoek van werkgeefster om terug te komen van een besluit, waarmee de WGA-uitkering van een (ex-)werkneemster aan haar is toegerekend, heeft ingewilligd met een terugwerkende kracht van vijf jaar. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van het Uwv niet berust op een evenwichtige belangenafweging en een deugdelijke motivering. Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van het Uwv slaagt en dat het Uwv de periode van terugwerkende kracht heeft mogen beperken tot vijf jaar.

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
Namens werkgeefster heeft mr. R. Versluijs een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord.
De Raad heeft de zaak, gelijktijdig met zaak 25/636 WIA, behandeld op een zitting van 25 februari 2025. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M.C. Beijen, mr. E. van Onzen en mr. K.D. van Someren. Voor werkgeefster is mr. Versluijs verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Werkgeefster is eigenrisicodrager voor WGA-uitkeringen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). [naam werkneemster] (werkneemster) had tot 29 december 2005 recht op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en is binnen vijf jaar na het einde van deze uitkering bij werkgeefster in dienst getreden. Op 17 december 2009 is werkneemster ziek geworden. Met ingang van 18 december 2012 is, na een verlenging van de periode van loondoorbetaling, aan werkneemster een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Bij in rechte vaststaand besluit van 18 december 2012 heeft het Uwv de WGAuitkering van werkneemster aan werkgeefster toegerekend.
1.2.
Op 21 oktober 2020 heeft werkgeefster het Uwv verzocht om de toerekening van de WGA-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 18 december 2012 te corrigeren, omdat werkneemster vanaf haar eerste ziektedag recht had op een uitkering op grond van de Ziektewet gelet op haar eerdere recht op een WAO-uitkering. Het Uwv heeft het verzoek opgevat als een verzoek om terug te komen van het toerekeningsbesluit van 18 december 2012. Bij besluit van 8 december 2020 heeft het Uwv de WGA-uitkering vanaf 21 oktober 2020 niet meer aan werkgeefster toegerekend.
1.3.
Bij besluit van 23 december 2021 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door werkgeefster gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft het Uwv op 20 februari 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. In dit besluit heeft het Uwv bepaald dat de WGA-uitkering van werkneemster vanaf 21 oktober 2015 niet meer aan werkgeefster wordt toegerekend. Hieraan heeft het Uwv, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 20 november 2024, [1] ten grondslag gelegd dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden en dat werkgeefster niet voortvarend is opgetreden doordat het verzoek om terug te komen van het toerekeningsbesluit pas na bijna acht jaar is ingediend. Het Uwv is daarom van mening dat het verzoek om terug te komen, van de onmiskenbaar onjuiste toerekening, moet worden gehonoreerd met een terugwerkende kracht van maximaal vijf jaar gerekend vanaf de datum van het verzoek van 21 oktober 2020.
Uitspraak van de rechtbank
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, omdat werkgeefster daarbij geen belang meer heeft. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van de uitspraak. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat het toerekeningsbesluit onmiskenbaar onjuist is en dat de uitkering daarom ten onrechte aan werkgeefster is toegerekend. Uit onder andere de eerder genoemde uitspraak van de Raad van 20 november 2024 blijkt dat in zo'n geval een belangenafweging moet worden gemaakt en dat daarbij enerzijds voldoende gewicht moet worden toegekend aan de omstandigheid dat werkgeefster als gevolg van het onmiskenbaar onjuiste toerekeningsbesluit financieel nadeel heeft geleden, terwijl anderzijds in de belangenafweging betekenis mag toekomen aan het feit dat werkgeefster niet voortvarend is opgetreden door geen bezwaar te maken tegen het toerekeningsbesluit en zich vervolgens pas na bijna acht jaar tot het Uwv heeft gewend met het herzieningsverzoek.
2.1.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de omstandigheid dat werkgeefster als gevolg van het onmiskenbaar onjuiste toerekeningsbesluit financieel nadeel heeft geleden in bestreden besluit 2 niet (kenbaar) is meegewogen. Ook blijkt uit bestreden besluit 2 niet op basis waarvan het Uwv is gekomen tot een ingangsdatum van vijf jaar voorafgaand aan de datum van het herzieningsverzoek. Bestreden besluit 2 berust daarom niet op een evenwichtige belangenafweging en een deugdelijke motivering. De toelichting die het Uwv ter zitting heeft gegeven, maakt dit niet anders. Daaruit blijkt juist dat de keuze voor de ingangsdatum van vijf jaar voorafgaand aan het herzieningsverzoek niet voortkomt uit een belangenafweging in deze zaak, maar een nog niet in beleid neergelegd algemeen uitgangspunt is in zaken als deze, ongeacht de mate van financieel nadeel bij de werkgever als gevolg van een onmiskenbaar onjuist besluit van het Uwv.
Het standpunt van het Uwv
3. Het Uwv is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het Uwv heeft naar voren gebracht dat volledige correctie met onbeperkte terugwerkende kracht van een vaststaand besluit ingaat tegen de systematiek van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als een eerder vaststaand besluit onjuist is en wordt gecorrigeerd, moet worden bepaald per welke datum dat gebeurt. De wetgever heeft hiervoor noch in art. 4:6 Awb Pro, noch elders een regeling getroffen. Dit is daarom een bevoegdheid van het bestuursorgaan. Daarbij heeft het Uwv gewezen op de op 1 oktober 2025 in werking getreden Beleidsregel Uwv Terugkomen van een vaststaande beslissing [2] (Beleidsregel) en een vierde versie van de instructie over terugkomen van vaststaande toerekeningsbesluiten van 26 januari 2026, waarin wordt ingegaan op de verhouding tussen de Beleidsregel en de uitspraak van de Raad van 20 november 2024. Hieruit volgt onder meer dat de termijn van vijf jaar terugwerkende kracht uit de Beleidsregel ook wordt toegepast op besluiten op verzoeken om terug te komen van toerekeningsbesluiten als die besluiten dateren van vóór 20 november 2024 en die besluiten op die datum nog niet in rechte vast stonden, zoals in deze zaak het geval is. Het Uwv is van mening dat een correctietermijn van vijf jaar bij een verzoek op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb een voldoende redelijke belangenafweging inhoudt. Het is aan werkgeefster om omstandigheden aan te voeren die meebrengen dat het besluit, om de toerekening met vijf jaar terugwerkende kracht te corrigeren, evident onredelijk is. Dat heeft zij niet gedaan.
3.1.
Daarnaast heeft het Uwv gewezen op meerdere uitspraken van de Raad omtrent toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb, onder meer de uitspraak van de Raad van 10 december 2021, [3] waarin de Raad heeft geoordeeld dat het Uwv, indien aanleiding bestaat om terug te komen van een eerder besluit, niet gehouden is dit met volledige terugwerkende kracht te doen, en de uitspraak van de Raad van 30 oktober 2025, [4] waaruit volgens het Uwv blijkt dat bij een verzoek op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb het Uwv niet gehouden is om over een langere termijn dan vijf jaar te corrigeren.
Het standpunt van werkgeefster
4. Werkgeefster heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Zij is van mening dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat aan bestreden besluit 2 geen deugdelijke belangenafweging ten grondslag ligt en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de periode van terugwerkende kracht is beperkt tot vijf jaar. Er is volgens werkgeefster geen rekening gehouden met het financieel nadeel dat zij als gevolg van het onmiskenbaar onjuiste toerekeningsbesluit heeft geleden. Dit financieel nadeel betreft over de periode van 18 december 2012 tot 21 oktober 2015 een bedrag van ongeveer € 47.000,-. Ook lijkt het Uwv niet in de belangenafweging te hebben meegenomen dat, zoals de Raad in de uitspraak van 20 november 2024 heeft overwogen, het belang van de rechtszekerheid niet zwaar weegt, omdat geen belangen van derden betrokken zijn en dat het uitvoeringsbelang beperkt is. Werkgeefster heeft verder gewezen op artikel 10, tweede lid, van de Beleidsregel. Hierin staat dat indien de beperking van de terugwerkende kracht tot vijf jaar evident onredelijk is, het Uwv een langere termijn tot maximaal tien jaar kan vaststellen. Volgens werkgeefster had het Uwv deze bepaling in haar geval moeten toepassen. Daarnaast heeft werkgeefster erop gewezen dat het Uwv beleid heeft op grond waarvan, in situaties waarin al eerder een ziekteaangifte is gedaan en een werkgever er later achter komt dat er aanspraak was op ziekengeld op een andere rechtsgrond, het ziekengeld wordt toegekend met maximaal een jaar terugwerkende kracht vanaf de datum van de eerste ziekteaangifte. Werkgeefster is van mening dat dit beleid ook zou moeten worden toegepast in situaties waarin wordt verzocht om terug te komen van een besluit waarin een WGAuitkering aan een werkgever wordt toegerekend.

Het oordeel van de Raad

5. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat bestreden besluit 2 berust op een evenwichtige belangenafweging en een deugdelijke motivering.
5.1.
In de door de rechtbank genoemde uitspraak van 20 november 2024 heeft de Raad geoordeeld dat het beleid van het Uwv, dat alleen bij bijzondere omstandigheden terugwerkende kracht wordt gegeven aan de correctie van een onmiskenbaar onjuist toerekeningsbesluit, niet aanvaardbaar is. Het Uwv heeft naar aanleiding van deze uitspraak zijn beleid gewijzigd. Het nieuwe beleid houdt – kortgezegd – in dat als, ondanks het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden, aanleiding bestaat om terug te komen van een toerekeningsbesluit, dit gebeurt met vijf jaar terugwerkende kracht, gerekend vanaf de datum van het verzoek van de werkgever. In uitzonderlijke gevallen, waarin die termijn evident onredelijk is, kan een langere termijn tot maximaal tien jaar worden vastgesteld.
5.2.
De Raad is van oordeel dat het Uwv bestreden besluit 2 heeft kunnen baseren op het nieuwe beleid, zoals opgenomen in de instructie van 26 januari 2026 en dat het Uwv, met de in dit beleid gemaakte keuze om de periode van terugwerkende kracht in beginsel te beperken tot vijf jaar, een redelijke beleidsbepaling niet te buiten is gegaan. Het Uwv heeft toegelicht dat met de keuze voor deze termijn onder andere is aangesloten bij de rechtspraak van de Raad over de verjaring van aanspraken jegens de overheid na vijf jaar. [5] Hierbij heeft het Uwv onder andere gewezen op de uitspraak van 3 mei 2017, [6] waarin de Raad heeft geoordeeld dat het beleid van de Sociale verzekeringsbank (Svb), inhoudende dat een uitkering met een terugwerkende kracht van één jaar wordt herzien indien de onjuistheid van een eerder besluit niet is te wijten aan een fout van de Svb en met een terugwerkende kracht tot een maximum van vijf jaar indien de onjuistheid het gevolg is van een fout van de Svb, niet kennelijk onredelijk is. Ook in de conclusie van advocaat-generaal mr. P.J. Wattel van 6 december 2022 [7] over het terugkomen van in rechte ontastbaar geworden boetebesluiten is onderkend dat bij de correctie van een onjuist gebleken besluit het tijdsverloop mee mag worden gewogen. Tot slot heeft het Uwv terecht gewezen op de uitspraak van de Raad van 30 oktober 2025, [8] waarin is geoordeeld dat volgens vaste rechtspraak het Uwv, indien aanleiding bestaat terug te komen van een eerder besluit, niet gehouden is dit met volledige terugwerkende kracht te doen en het Uwv een uitkering niet met een langere terugwerkende kracht dan vijf jaar hoefde toe te kennen.
5.3.
In de door het Uwv overgelegde instructies, over het terugkomen van vaststaande toerekeningen van WGA-uitkeringen aan eigenrisicodragende werkgevers, is expliciet aandacht besteed aan het door de werkgever geleden financieel nadeel. Hierover staat beschreven dat het aspect ‘hoogte van het bedrag’ altijd in het voordeel van de werkgever zal worden uitgelegd en het niet de bedoeling is dat de terugwerkende kracht wordt beperkt in situaties waarin het bedrag laag is. Verder kan de hoogte van het bedrag eventueel, in combinatie met andere omstandigheden van de werkgever, een rol spelen bij de beoordeling – op grond van artikel 10, tweede lid, van de Beleidsregel – van de vraag of de beperking van de terugwerkende kracht tot vijf jaar evident onredelijk is. Hiermee wordt voldoende gewicht toegekend aan het door een werkgever geleden financieel nadeel. Het Uwv heeft terecht geen aanleiding gezien om in het geval van werkgeefster toepassing te geven aan artikel 10, tweede lid, van de Beleidsregel. Werkgeefster heeft niet onderbouwd waarom het financiële belang van ongeveer € 47.000,- voor haar dermate groot en zwaarwegend is dat het Uwv op grond van evidente onredelijkheid een langere terugwerkende kracht dan vijf jaar had moeten verlenen.
5.4.
Wat werkgeefster naar voren heeft gebracht over het beleid dat het Uwv hanteert in gevallen waarin achteraf blijkt dat er een andere rechtsgrond is voor de toekenning van ziekengeld, leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover uit dit beleid zou moeten worden afgeleid dat in die gevallen de terugwerkende kracht niet wordt beperkt tot vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, maakt dit nog niet dat het Uwv dit beleid ook moet toepassen bij de beoordeling van verzoeken van werkgevers om terug te komen van een vaststaand toerekeningsbesluit in het kader van de Wet WIA.

Conclusie en gevolgen

6. Het hoger beroep van het Uwv slaagt dus. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond heeft verklaard, dat besluit heeft vernietigd en het Uwv heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het beroep tegen bestreden besluit 2 wordt ongegrond verklaard. Omdat het Uwv tijdens de beroepsprocedure een nieuw besluit heeft genomen waarin gedeeltelijk aan de bezwaren van werkgeefster tegemoet is gekomen, kunnen de door de rechtbank uitgesproken beslissingen over proceskosten en griffierecht in stand blijven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarin het beroep tegen het besluit van 20 februari 2025 gegrond is verklaard, dit besluit is vernietigd en het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 20 februari 2025 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en A.I. van der Kris en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) G.T. Hunsel

Voetnoten

1.CRvB 20 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2178.
3.CRvB 10 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3137.
4.CRvB 30 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1621.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 22 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:912, 18 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3218 en 26 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:811.
6.CRvB 3 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1899.
7.Concl. A-G P.J. Wattel 6 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2623.
8.CRvB 30 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1621.