ECLI:NL:CRVB:2026:857
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WIA-dagloon leidt niet tot onevenredige uitkomst ondanks betwisting appellant
Appellant betwistte de vaststelling van zijn WIA-dagloon door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), stellende dat de strikte toepassing van de dagloonregels tot een onevenredige uitkomst leidt. Hij voerde aan dat een baan die hij kortdurend en als niet passend ervoer buiten beschouwing moest blijven en dat het WIA-dagloon gelijk moest zijn aan het hogere ZW-dagloon dat hij eerder ontving.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, waarbij werd geoordeeld dat alle dienstbetrekkingen in de referteperiode meetellen en dat passendheid van het werk niet relevant is voor de dagloonberekening. Tijdens de beroepsprocedure nam het Uwv een gewijzigde beslissing waarbij het dagloon werd vastgesteld op €55,78.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de berekeningswijze gebonden is aan het Dagloonbesluit en dat geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking rechtvaardigen. De Raad oordeelt dat het besluit niet onredelijk bezwarend is, ook niet gezien de duurzame arbeidsongeschiktheid van appellant. Wel wordt het beroep gegrond verklaard voor wat betreft de proceskostenvergoeding, die wordt verhoogd naar €1.868,-. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep tegen de eerdere besluiten wordt gegrond verklaard, terwijl het beroep tegen het latere besluit ongegrond blijft.
Uitkomst: Het WIA-dagloon van €55,78 wordt bevestigd, het beroep tegen eerdere besluiten wordt gegrond verklaard en de proceskostenvergoeding wordt verhoogd.