Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
4.2.3. De Raad heeft al eerder overwogen dat de referteperiode voor de vaststelling van het dagloon dwingend volgt uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Uit deze regeling van de referteperiode volgt dat voor de vaststelling van het welvaartsniveau niet bepalend is het loon dat werd genoten op het moment van intreden van het verzekerde risico, maar het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode (historisch dagloon). Hieraan is inherent dat periodes waarin minder loon is genoten tijdens de referteperiode, een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. De besluitgever heeft hiermee rekening gehouden en maakt daarbij geen onderscheid naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen. [3] Hieruit volgt dat wat appellant heeft aangevoerd over zijn keuze om tijdens de coronapandemie niet in dienst te treden bij de inlener, niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die maakt dat moet worden afgeweken van het Dagloonbesluit. Dat appellant, zoals hij heeft gesteld, wegens zijn volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid waarschijnlijk niet meer in staat zal zijn om te werken en aldus zijn inkomen aan te vullen, maakt niet dat in het geval van appellant sprake is van een onredelijk bezwarend besluit. [4] Dit is een omstandigheid die – ondanks uiteenlopende persoonlijke situaties – ook voor andere IVAgerechtigden geldt, en daarom niet als bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt. Ook het feit dat de mentale gezondheid van appellant zou zijn verslechterd vanwege diverse factoren, waaronder stress door zijn financiële situatie, maakt niet dat sprake is van een onevenredig bezwarend besluit.
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
(getekend) T. Dompeling
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.