ECLI:NL:CRVB:2026:861

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
25/636 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:113 AwbArt. 10 Beleidsregel UWV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugwerkende kracht bij terugkomen van WGA-toerekeningsbesluit door UWV

In deze zaak staat centraal of het UWV terecht het verzoek van appellante om terug te komen van een toerekeningsbesluit, waarbij een WGA-uitkering aan haar werd toegerekend, heeft ingewilligd met een terugwerkende kracht van vijf jaar. Appellante betoogde dat deze beperking onvoldoende gemotiveerd is en onredelijk vanwege het financiële nadeel van circa €35.000 en gemiste re-integratiekansen.

De Raad verwijst naar eerdere uitspraken en het gewijzigde beleid van het UWV, waarin een maximale terugwerkende correctietermijn van vijf jaar geldt, met een mogelijkheid tot tien jaar in uitzonderlijke gevallen. De Raad stelt dat het UWV met deze beleidskeuze een redelijke belangenafweging heeft gemaakt en dat appellante onvoldoende heeft onderbouwd waarom een langere termijn gerechtvaardigd is.

Ook het argument dat het UWV beleid hanteert voor ziekengeld met een andere terugwerkende termijn, leidt niet tot een andere beoordeling. De Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van het UWV dat de WGA-uitkering vanaf 23 november 2013 niet meer aan appellante wordt toegerekend. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/636 WIA
Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 26 februari 2025
Partijen:
[stichting appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht het verzoek van appellante om terug te komen van een besluit, waarbij de WGA-uitkering van een (ex-)werkneemster aan haar is toegerekend, heeft ingewilligd met een terugwerkende kracht van vijf jaar. Appellante heeft aangevoerd dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom is gekozen voor een terugwerkende kracht van vijf jaar en dat hierbij onvoldoende rekening is gehouden met het door haar geleden financiële nadeel. Volgens appellante is de beperking van de terugwerkende kracht tot vijf jaar evident onredelijk en moet daarom op grond van het beleid van het Uwv een langere termijn worden gehanteerd. De Raad volgt appellante hierin niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de periode van terugwerkende kracht heeft mogen beperken tot vijf jaar.

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 20 november 2024 [1] heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2020 vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 24 juni 2019 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Raad bepaald dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Op 26 februari 2025 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar (bestreden besluit) genomen.
Namens appellante heeft mr. R. Versluijs beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak, gelijktijdig met zaak 25/878 WIA, behandeld op een zitting van 25 februari 2026. Voor appellante is mr. Versluijs verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen, mr. E. van Onzen en mr. K.D. van Someren.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 20 november 2024 en de daarin genoemde tussenuitspraak van 14 september 2022. [2] Volstaan wordt hier met het volgende.
1.1.
In het bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 december 2018 in zoverre alsnog gegrond verklaard dat is bepaald dat de WGAuitkering van werkneemster vanaf 23 november 2013 niet meer aan appellante wordt toegerekend. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, maar wel met succes heeft gewezen op de kennelijke onjuistheid van het besluit van 2 januari 2013. Het Uwv is van mening dat in een dergelijke situatie een verzoek om terug te komen van een toerekeningsbesluit moet worden gehonoreerd met een terugwerkende kracht van maximaal vijf jaar vanaf de datum van het verzoek, in dit geval 23 november 2018.
Het standpunt van appellante
2. Appellante is het met het bestreden besluit niet eens. Zij heeft aangevoerd dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de periode van terugwerkende kracht is beperkt tot maximaal vijf jaar. Ook ligt aan het bestreden besluit volgens appellante geen deugdelijke belangenafweging ten grondslag. Er is nog steeds geen rekening gehouden met het financieel nadeel dat appellante als gevolg van het onmiskenbaar onjuiste toerekeningsbesluit heeft geleden. Dit financieel nadeel betreft over de periode van 27 mei 2010 tot 23 november 2013 een bedrag van ongeveer € 35.000,-. Ook lijkt het Uwv niet in de belangenafweging te hebben meegenomen dat, zoals de Raad in de uitspraak van 20 november 2024 heeft overwogen, het belang van de rechtszekerheid niet zwaar weegt, omdat geen belangen van derden betrokken zijn en dat het uitvoeringsbelang beperkt is. Appellante heeft gewezen op een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 maart 2025, [3] waarin de rechtbank in een vergelijkbare zaak heeft geoordeeld dat het besluit om de toerekening met vijf jaar terugwerkende kracht ongedaan te maken niet berust op een evenwichtige belangenafweging.
Het standpunt van het Uwv
3. Het Uwv heeft gevraagd om het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond te verklaren. In reactie op vragen van de Raad heeft het Uwv toegelicht dat het bestreden besluit is gebaseerd op een gewijzigde instructie (derde versie van 12 februari 2025) over het terugkomen van vaststaande toerekeningen van WGA-uitkeringen aan eigenrisicodragende werkgevers. Daarnaast heeft het Uwv gewezen op de op 1 oktober 2025 in werking getreden Beleidsregel Uwv Terugkomen van een vaststaande beslissing [4] (Beleidsregel) en een vierde versie van de instructie over terugkomen van vaststaande toerekeningsbesluiten van 26 januari 2026, waarin wordt ingegaan op de verhouding tussen de Beleidsregel en de uitspraak van de Raad van 20 november 2024. Hieruit volgt onder meer dat de termijn van vijf jaar terugwerkende kracht uit de Beleidsregel ook wordt toegepast op besluiten op verzoeken om terug te komen van toerekeningsbesluiten als die besluiten dateren van vóór 20 november 2024 en die besluiten op die datum nog niet in rechte vast stonden, zoals in deze zaak het geval is. Het Uwv is van mening dat een correctietermijn van vijf jaar bij een verzoek op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb een voldoende redelijke belangenafweging inhoudt. Het is aan appellante om omstandigheden aan te voeren die meebrengen dat het besluit om de toerekening met vijf jaar terugwerkende kracht te corrigeren evident onredelijk is. Dat heeft zij niet gedaan.
3.1.
Daarnaast heeft het Uwv gewezen op meerdere uitspraken van de Raad omtrent toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb, onder meer de uitspraak van de Raad van 10 december 2021, [5] waarin de Raad heeft geoordeeld dat het Uwv, indien aanleiding bestaat om terug te komen van een eerder besluit, niet gehouden is dit met volledige terugwerkende kracht te doen, en de uitspraak van de Raad van 30 oktober 2025, [6] waaruit volgens het Uwv blijkt dat bij een verzoek op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb het Uwv niet gehouden is om over een langere termijn dan vijf jaar te corrigeren.
De reactie van appellante
4. Appellante heeft in reactie op het standpunt van het Uwv gewezen op artikel 10, tweede lid, van de Beleidsregel. Hierin staat dat indien de beperking van de terugwerkende kracht tot vijf jaar evident onredelijk is, het Uwv een langere termijn tot maximaal tien jaar kan vaststellen. Volgens appellante had het Uwv deze bepaling in haar geval moeten toepassen. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat het toerekeningsbesluit pas tweeëneenhalf jaar na het besluit tot toekenning van de WGA-uitkering is genomen. In deze periode heeft appellante werkneemster niet kunnen monitoren en begeleiden, konden geen (medische) interventies worden ingezet en hebben er geen re-integratie activiteiten plaats kunnen vinden. Verder heeft appellante erop gewezen dat het Uwv beleid heeft op grond waarvan in situaties waarin al eerder een ziekteaangifte is gedaan en een werkgever er later achter komt dat er aanspraak was op ziekengeld op een andere rechtsgrond, het ziekengeld wordt toegekend met maximaal een jaar terugwerkende kracht vanaf de datum van de eerste ziekteaangifte. Appellante is van mening dat dit beleid ook zou moeten worden toegepast in situaties waarin wordt verzocht om terug te komen van een besluit waarbij een WGAuitkering aan een werkgever wordt toegerekend.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of het Uwv met het bestreden besluit op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 20 november 2024. Hij doet dat aan de hand van wat appellante heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
In de uitspraak van 20 november 2024 heeft de Raad geoordeeld dat het beleid van het Uwv dat alleen bij bijzondere omstandigheden terugwerkende kracht wordt gegeven aan de correctie van een onmiskenbaar onjuist toerekeningsbesluit, niet aanvaardbaar is. Het Uwv heeft naar aanleiding van deze uitspraak zijn beleid gewijzigd. Het nieuwe beleid houdt – kortgezegd – in dat als, ondanks het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden, aanleiding bestaat om terug te komen van een toerekeningsbesluit, dit gebeurt met maximaal vijf jaar terugwerkende kracht, gerekend vanaf de datum van het verzoek van de werkgever. In uitzonderlijke gevallen waarin die termijn evident onredelijk is, kan een langere termijn tot maximaal tien jaar worden vastgesteld.
5.2.
De Raad is van oordeel dat het Uwv het bestreden besluit heeft kunnen baseren op het nieuwe beleid, zoals opgenomen in de instructie van 26 januari 2026, en dat het Uwv met de in dit beleid gemaakte keuze om de periode van terugwerkende kracht in beginsel te beperken tot vijf jaar een redelijke beleidsbepaling niet te buiten is gegaan. Het Uwv heeft toegelicht dat met de keuze voor deze termijn onder andere is aangesloten bij de rechtspraak van de Raad over de verjaring van aanspraken jegens de overheid na vijf jaar. [7] Hierbij heeft het Uwv onder andere gewezen op de uitspraak van 3 mei 2017, waarin de Raad heeft geoordeeld dat het beleid van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), inhoudende dat een uitkering met een terugwerkende kracht van één jaar wordt herzien indien de onjuistheid van een eerder besluit niet is te wijten aan een fout van de Svb en met een terugwerkende kracht tot een maximum van vijf jaar indien de onjuistheid het gevolg is van een fout van de Svb, niet kennelijk onredelijk is. Ook in de conclusie van advocaat-generaal Wattel van 6 december 2022 over het terugkomen van in rechte ontastbaar geworden boetebesluiten is onderkend dat bij de correctie van een onjuist gebleken besluit het tijdsverloop mee mag worden gewogen. Tot slot heeft het Uwv terecht gewezen op de uitspraak van de Raad van 30 oktober 2025, waarin is geoordeeld dat volgens vaste rechtspraak het Uwv, indien aanleiding bestaat terug te komen van een eerder besluit, niet gehouden is dit met volledige terugwerkende kracht te doen en een uitkering niet met een langere terugwerkende kracht dan vijf jaar hoefde toe te kennen.
5.3.
In de door het Uwv overgelegde instructies over het terugkomen van vaststaande toerekeningen van WGA-uitkeringen aan eigenrisicodragende werkgevers is expliciet aandacht besteed aan het door de werkgever geleden financieel nadeel. Hierover is opgemerkt dat het aspect ‘hoogte van het bedrag’ altijd in het voordeel van de werkgever zal worden uitgelegd en het niet de bedoeling is dat de terugwerkende kracht wordt beperkt in situaties waarin het bedrag laag is. Verder kan de hoogte van het bedrag eventueel, in combinatie met andere omstandigheden van de werkgever, een rol spelen bij de beoordeling – op grond van artikel 10, tweede lid, van de Beleidsregel – van de vraag of de beperking van de terugwerkende kracht tot vijf jaar evident onredelijk is. Hiermee wordt voldoende gewicht toegekend aan het door een werkgever geleden financieel nadeel. In deze zaak heeft appellante niet onderbouwd waarom het financiële belang van ongeveer € 35.000,- voor haar dermate groot en zwaarwegend is dat het Uwv op grond van evidente onredelijkheid een langere terugwerkende kracht dan vijf jaar had moeten verlenen.
5.4.
Evenmin vormt het argument dat re-integratiekansen zouden zijn gemist, omdat appellante pas achteraf is geïnformeerd over de toerekening, een reden dat toepassing zou moeten worden gegeven aan artikel 10, tweede lid, van de Beleidsregel. Dit argument had kunnen worden aangevoerd in een bezwaarprocedure tegen het toerekeningsbesluit. Dit is geen bijzondere omstandigheid die maakt dat de beperking van de terugwerkende kracht tot vijf jaar in het bestreden besluit evident onredelijk is.
5.5.
Tegen de door appellante genoemde uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 maart 2025 heeft het Uwv hoger beroep ingesteld. In die zaak, bij de Raad bekend onder nummer 25/878 WIA, is vandaag ook uitspraak gedaan, waarbij de uitspraak van de rechtbank Den Haag is vernietigd.
5.6.
Wat appellante heeft aangevoerd over het beleid dat het Uwv hanteert in gevallen waarin achteraf blijkt dat er een andere rechtsgrond is voor toekenning van ziekengeld, treft evenmin doel. Voor zover uit dit beleid zou moeten worden afgeleid dat in die gevallen de terugwerkende kracht niet wordt beperkt tot maximaal vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, maakt dit nog niet dat het Uwv dit beleid ook moet toepassen bij de beoordeling van een verzoek van een werkgever om terug te komen van een vaststaand toerekeningsbesluit in het kader van de Wet WIA.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het beroep wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat het besluit van het Uwv dat de WGA-uitkering van werkneemster vanaf 23 november 2013 niet meer aan appellante wordt toegerekend in stand blijft.
6. Omdat het beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en A.I. van der Kris en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) G.T. Hunsel

Voetnoten

1.CRvB 20 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2178.
2.CRvB 14 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1977.
3.Rb. Den Haag 19 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4257.
5.CRvB 10 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3137.
6.CRvB 30 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1621.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 22 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:912, 18 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3218 en 26 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:811.