ECLI:NL:CRVB:2026:907
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand van februari 2016 tot april 2019. Het college stelde vast dat appellant diverse stortingen en bijschrijvingen van derden op zijn bankrekening niet had gemeld, waardoor hij te veel bijstand ontving. Het college herzag het besluit en vorderde een bedrag van € 15.481,53 terug.
Appellant voerde aan dat de stortingen ten onrechte als inkomen werden aangemerkt en dat hij de inlichtingenverplichting niet had geschonden, mede vanwege zijn taalachterstand en nieuwkomerschap. Ook stelde hij dat er dringende redenen waren om terugvordering te matigen.
De Raad oordeelde dat de stortingen terecht als inkomen werden aangemerkt omdat zij een terugkerend karakter hadden en appellant hierover onvoldoende verifieerbare verklaringen gaf. Ondanks zijn omstandigheden had appellant redelijkerwijs moeten begrijpen dat deze geldstromen invloed hadden op zijn recht op bijstand. De zorgplicht van het college was voldoende nagekomen. Dringende redenen om terugvordering te matigen werden niet aannemelijk gemaakt.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak, waardoor de herziening en terugvordering van bijstand in stand blijft.
Uitkomst: De herziening en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.