ECLI:NL:CRVB:2026:910
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens schending inlichtingenverplichting bij bijstandsverlening
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand sinds 2009, waarbij appellant daarnaast inkomen uit werk had. Het college trok de bijstand in per 1 maart 2019 vanwege het niet melden van extra gewerkte uren en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting. Appellant betwistte de extra werkzaamheden en stelde dat het college niet bevoegd was een boete op te leggen vanwege het tijdsverloop.
De Raad oordeelt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat hij structureel minder uren heeft opgegeven dan feitelijk is vastgesteld, waarbij de aanwezigheid op de werkplek de veronderstelling van op geld waardeerbare arbeid rechtvaardigt. Het arbeidskundige rapport met een loonwaardepercentage van 67% biedt geen voldoende grond om dit te betwisten.
De boete is evenredig aan de ernst van de overtreding en verwijtbaarheid. De Raad wijst erop dat de wet geen grondslag biedt om wegens tijdsverloop af te zien van boeteoplegging en dat de bevoegdheid tot boeteoplegging niet is vervallen door verjaring. De overschrijding van de termijn van dertien weken voor oplegging is een termijn van orde, die door het college reeds is verdisconteerd door matiging van 20%. Het hoger beroep wordt verworpen en de boete blijft in stand.
Uitkomst: De boete wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd en blijft ongewijzigd.