ECLI:NL:CRVB:2026:974
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verlaging definitieve vaststelling loonkostensubsidie NOW-2 en NOW-3 niet onevenredig
Betrokkene, een aanbieder van dagbesteding voor mensen met een beperking en ouderen, ontving voorschotten op loonkostensubsidies op grond van de NOW-2 en NOW-3 regelingen. De minister stelde de definitieve subsidies lager vast vanwege een daling van de loonsom in de subsidieperiodes ten opzichte van de referentiemaanden, wat leidde tot terugvordering van te veel betaalde voorschotten.
De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en de besluiten vernietigd, omdat zij oordeelde dat de financiële gevolgen van de terugvordering onevenredig waren. Betrokkene had aangevoerd dat zij door de terugvordering in financiële problemen was gekomen, met schulden en omzetverlies.
De minister stelde zich op het standpunt dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom de terugvordering onevenredig zou zijn, mede omdat betrokkene haar financiële situatie onvoldoende feitelijk had onderbouwd. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de minister de subsidies correct had vastgesteld volgens de wettelijke bepalingen en dat de belangenafweging van de rechtbank niet juist was. De Raad vond dat de financiële noodsituatie van betrokkene onvoldoende was aangetoond en dat de terugvordering niet onredelijk bezwarend was.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, waarbij de beroepen van betrokkene tegen de bestreden besluiten ongegrond werden verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep van de minister gegrond en bevestigt de verlaging van de NOW-2 en NOW-3 subsidies vanwege loonsomdaling als niet onevenredig.