ECLI:NL:GHAMS:2012:BV9222
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M.J. Leijdekker
- P.F. Goes
- A.O. Lubbers
- Rechtspraak.nl
Belanghebbende heeft recht op afdrachtvermindering zeevaart, verzoek immateriële schadevergoeding afgewezen
Belanghebbende, een stichting die zich bezighoudt met onderzoek op zee, voerde opdrachten uit met onder meer het schip Y. De inspecteur had de door belanghebbende toegepaste afdrachtvermindering zeevaart nageheven. In hoger beroep stond centraal of Y in het kader van een onderneming werd geëxploiteerd en of belanghebbende recht had op de afdrachtvermindering.
Het Hof stelde vast dat het ondernemingsbegrip uit artikel 4 Wet Pro Vpb ook geldt voor de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen (Wva). De exploitatie van Y kon als zelfstandige onderneming worden beschouwd, mede omdat belanghebbende met de exploitatie in concurrentie trad met commercieel werkende bedrijven. Hierdoor had belanghebbende recht op de afdrachtvermindering zeevaart over de maanden augustus, september en oktober 2004.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen. Het Hof vond dat de complexiteit van de zaak en de vele stellingen van belanghebbende een langere termijn rechtvaardigden. Bovendien waren de door het EHRM genoemde criteria voor immateriële schadevergoeding niet aannemelijk gemaakt.
Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de naheffingsaanslag en heffingsrente, wees het verzoek tot schadevergoeding af en veroordeelde de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het Hof vernietigt de naheffingsaanslag en heffingsrente en bevestigt het recht op afdrachtvermindering zeevaart, maar wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.