ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ9146
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging fiscale heffing op automatisch verkregen aandelen bij vertrekvergoeding
In deze zaak staat centraal of de waarde van aandelen die aan [A] in 2009 zijn geleverd op grond van de Bonus Investment Plan (BIP) en Long Term Incentive Plan (LTIP) als aandelenoptierechten kwalificeren en of deze bij de berekening van de vertrekvergoeding in aanmerking moeten worden genomen.
De rechtbank had geoordeeld dat de BIP- en LTIP-regelingen geen aandelenoptierechten zijn, omdat de aandelen automatisch worden verkregen na het verstrijken van een termijn en het voldoen aan voorwaarden, zonder dat er een keuzeoptie bestaat. Het Gerechtshof onderschrijft dit oordeel en bevestigt dat de waarde van de geleverde aandelen terecht is meegenomen bij de berekening van de vertrekvergoeding volgens artikel 32bb, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.
Verder oordeelt het Hof dat de heffing op deze vertrekvergoeding geen inbreuk vormt op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. De wetgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid bij het belasten van excessieve beloningsbestanddelen en de regeling is voldoende nauwkeurig, toegankelijk en voorzienbaar. Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de heffing van loonbelasting over de automatisch verkregen aandelen wordt bevestigd.