Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
Wettelijk kader
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende diende een nihil-aangifte in voor de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding na het vertrek van haar CFO, die onvoorwaardelijke aandelenrechten had verkregen. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op, die deels werd verminderd, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende ging in hoger beroep.
Het geschil betrof de vraag of de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding in strijd is met de doelstelling van artikel 32bb Wet LB 1964, het Eerste Protocol bij het EVRM, het gelijkheidsbeginsel en artikel 6 EVRM Pro. Tevens speelde de vraag of voordelen uit aandelenplannen onder de heffingsgrondslag vallen.
Het Hof overwoog dat de regeling een generieke, kwantitatieve maatregel is die bewust geen tegenbewijsregeling kent om ontduiking te voorkomen. De heffing is ook van toepassing als er geen vertrekvergoeding is toegekend en is niet in strijd met het doel van de wet. Het Hof bevestigde dat de regeling geen punitief karakter heeft en dat het ontbreken van een tegenbewijsregeling binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever valt.
Voorts oordeelde het Hof dat aandelenrechten niet gelijk zijn aan aandelenoptierechten en daarom niet onder de uitzondering van artikel 32bb lid 7 Wet LB 1964 vallen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde. Het Hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.