Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.De feiten
2.[....]
3.[....]
4.[....]
5.[....]
6.[....]
7.[....]
8.[....]
9.[....]
10.[....]
12.[....]
2.[....]
4.[....]
5.[....]
Hof:Samenwerkingsafspraken OM-Politie-Belastingdienst):
“Naast de inbreng van specifieke fiscale kennis is de samenwerking er onder andere op gericht om informatie bij de Belastingdienst, met inbegrip van de FIOD-ECD, op de meest doelmatige wijze ten behoeve van bedoeld strafrechtelijk onderzoek te vergaren”.
Antwoord:Ik heb alle regels in die agenda waarop een grote letter [X] genoteerd stond tezamen met hetgeen overigens op die dag vermeld stond, verwerkt in een spreadsheet.
Op 2 mei 2000 is [B4 BEDRIJF] overgedragen aan [R2] . Gelijktijdig is [J4 BEDRIJF] overgedragen aan [R2] . [I4 BEDRIJF] was gedeeltelijk van [X] en gedeeltelijk van [Z5] . Op 2-5-2000 draagt [X] ook zijn deel in [I4 BEDRIJF] over aan [Z5] . Vreemd is dat ik niets gevonden heb over een tegenprestatie voor het overdragen van deze Ltds door [X] aan de gebroeders [R2 en Z5]”. Kunt u zich nog herinneren hoe u tot deze conclusie gekomen bent?
Antwoord:De in beslag genomen stukken.
Antwoord:Het was onze taak om de administratie door te nemen, waarbij we wel een soort verdeling hadden. Ik weet de precieze verdeling niet meer. Van mijn deel maakte ik een selectie, om daar vervolgens een stuk van te schrijven.
Antwoord:Per ordner.
Antwoord:Ja, daar heb ik stukken van gezien.
Antwoord:Nee.
Antwoord:Ja, [R8] heeft het bezwaar behandeld. In dat kader hebben er diverse besprekingen plaatsgevonden, waarbij ik ook aanwezig was.
Antwoord:Volgens mij niet toen het onderzoek liep. Ik heb wel uit het financieel strafrechtelijk onderzoek ( [NAAM ONDERZOEK 1] ) nog stukken opgevraagd.
Antwoord:Omdat die stukken van fiscaal belang zouden zijn. Dit op verzoek van de ontvanger, naar aanleiding van een overleg dat had plaatsgevonden met de ontvanger en het OM.
Antwoord:Dat weet ik niet.
De voorzitter vraagt:Daar is op het hoofdbureau ook niets mee gedaan?
Verslag van derdenonderzoek ex 55 AWR
3.Geschil in hoger beroep en incidenteel hoger beroep
- de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd (en dat reeds daarom de correcties samenhangende met de fiscale woonplaats van belanghebbende in Nederland en de kwalificatie van de betalingen [R2] als resultaat overige werkzaamheden dienen te worden vernietigd - pleitnota tweede termijn, zitting van 25 april 2017, randnummer 20);
- hij ten onrechte is aangemerkt als binnenlands belastingplichtige voor de inkomstenbelasting en zijn verdragswoonplaats in het Verenigd Koninkrijk lag;
- de voor navordering van IB/PVV over de jaren 2003 en 2004 vereiste kwade trouw ontbreekt;
- de inspecteur ten onrechte het standpunt inneemt dat hij de vereiste aangiften niet heeft gedaan; en
- dat een integrale kostenvergoeding dient te worden toegekend.
- belanghebbende een pleitbaar standpunt had ten aanzien van het doen van aangiften als buitenlands belastingplichtige; en
- de opbrengsten ‘sweet equity’ niet in de heffing kunnen worden betrokken.
4.Het oordeel van de rechtbank
[Zie overwegingen 4.1. tot en met 4.10. van de rechtbankuitspraak (ECLI:NL:RBNHO:2015:8185)] [4.1. ....]
5.Beoordeling van het geschil
[ADRES 7](zie 5.7.).
[ADRES 7]ervan bewust moeten zijn geweest dat door de inhoudelijke gebreken in de aangiften een relatief en absoluut aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven en voorts geldt dat kennis en inzicht van personen aan wie een belastingplichtige het doen van aangifte overlaat of die de belastingplichtige anderszins behulpzaam zijn geweest bij de nakoming van zijn verplichting tot het doen van aangifte, in verband met de vraag of de vereiste aangifte is gedaan aan de belastingplichtige worden toegerekend (Hoge Raad, 22 juni 2012, nr. 11/03007, ECLI:NL:HR:2012:BV0663, BNB 2012/227) komt het Hof voor alle jaren tot de conclusie dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Dit brengt mee dat op belanghebbende de (zware) bewijslast rust overtuigend aan te tonen dat en zo ja in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn (artikel 27e van de AWR).
- i) vast staat dat belanghebbende een tiental betalingen heeft ontvangen op zijn rekening of rekeningen van zijn bedrijven en dat deze betalingen afkomstig zijn van wijlen [R2] (onderdeel 4.5.5.1. van de uitspraak);
- ii) deze betalingen vinden hun verklaring in werkzaamheden die belanghebbende persoonlijk heeft verricht, tezamen en in vereniging met [U] , in het kader van de afpersing van [R2] door [U] (4.5.5.2. en 4.5.5.3.).
- a) belanghebbende stelt, dat hij door de strafrechter is veroordeeld voor gewoontewitwassen en niet voor afpersing, en dat het delict gewoontewitwassen niet gelijk is aan het feitencomplex opleverende resultaat uit overige werkzaamheden. De rechtbank verwerpt dit betoog, omdat de vastgestelde feiten zelfstandig het oordeel rechtvaardigen dat sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden (4.5.5.4.);
- b) belanghebbende stelt dat de betalingen hun oorzaak vinden in de ontvlechting van gezamenlijke belangen tussen hem en [R2] (het zou gaan om de terugbetaling van een vordering, de betaling voor winstrechten en een betaling voor een overdracht van aandelen). De rechtbank verwerpt al hetgeen belanghebbende aanvoert als onaannemelijk (4.5.5.5. tot en met 4.5.5.13.);
- c) de omstandigheid dat betalingen zijn gedaan aan vennootschappen van belanghebbende is niet relevant; de inkomsten zijn toe te rekenen aan door belanghebbende verrichte handelingen en komen hem persoonlijk toe. Belanghebbende besliste telkens ‘ad hoc’ welke vennootschap, onder welke - gefingeerde - titel, een betaling zou ontvangen. Aldus heeft belanghebbende over de gelden beschikt: fiscaal heeft hij de gelden in privé ontvangen en vervolgens in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van de betrokken vennootschap als kapitaal gestort (4.5.5.14.).
nietkunnen worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden, althans niet in de onderhavige jaren. De door de rechtbank in 4.5.5.3. genoemde omstandigheden, overtuigen niet, aldus belanghebbende.
door de vennootschappenal helemaal geen werkzaamheid vormt
van hemzelf. Daarom heeft de rechtbank ten onrechte betekenis toegekend aan de verklaring van [P3] (4.5.5.3, vierde streepje). Deze verklaring - [P3] verklaart o.a. dat hij [R2] heeft horen zeggen dan hij betalingen moest doen aan belanghebbende - kan niet kloppen, omdat de betalingen immers niet werden gedaan aan belanghebbende, maar aan de vennootschappen. Ook heeft de rechtbank ten onrechte de werkzaamheden van [Q] toegerekend aan belanghebbende.
gedwongenmeewerken aan afpersing - zo daarvan al sprake was - evenmin een werkzaamheid vormt en dat hij in dat geval hooguit als kassier voor [U] is opgetreden. De schuld die hij dan aan [U] zou hebben is niet in de onderhavige jaren vrijgevallen. Een dergelijke vrijval zou, dat ligt in de rede, niet eerder hebben plaatsgevonden dan in het jaar 2005 of 2006, bij het begin van de strafzaak. De inspecteur heeft daaromtrent niets gesteld.
cash flowsvan [W BEDRIJF] , welk percentage ingeval van het behalen van een bepaald rendement zou worden verhoogd tot 17,4%, ofwel met ongeveer € 15 miljoen, als zogeheten
sweet equity, ten laste van [X1 BEDRIJF] ’ 90%-deel van de netto
cash flows.
Confidential Supplement to Memorandum of Understandinggetekend, waaruit blijkt dat [K] , indien de transactie door zou gaan, ook aandelen [W BEDRIJF] zou verwerven.
sweet equityen uiteindelijk zijn in februari 2003 daarnaast ook [M3 BEDRIJF BV] en [K] als
sweet equityrechthebbenden.
Settlement Agreement(zie 2.5.10 van de rechtbankuitspraak) van 15 januari 2004 met nagenoeg ‘gesloten beurzen’ (de aan [X1 BEDRIJF] overgedragen aandelen [W BEDRIJF] dienden ter aflossing van de schuld van [O3 BEDRIJF] aan [X1 BEDRIJF] ) uit elkaar gegaan.
Settlement Agreementis daarnaast overeengekomen dat [X1 BEDRIJF] een bedrag ten titel van afkoopsom
sweet equityaan [M3 BEDRIJF BV] betaalt ad € 5 miljoen (aangeduid als “
the Sweet Equity Amount”).
sweet equitystaat, in aanvulling op hetgeen hiervoor al is vastgesteld, het volgende vast.
uw(Hof: bedoeld is belanghebbendes) deelname in de acquisitie van de aandelen in [W BEDRIJF NV] ” beschreven.
deal update” van 19 september 2003 van [X1 BEDRIJF] . is voorts vermeld dat
.”
sweet equity. Als onderbouwing voor de berekening werd gegeven:
(…)”.
sweet equityin elk geval mede als beloning voor de werkzaamheden van belanghebbende en [K] hadden te gelden en ook hebben gegolden.
sweet equityzou toekennen en dat belanghebbende althans [C BEDRIJF BV] vrij was om daartoe [K] en/of een ander lichaam, zoals [M3 BEDRIJF BV] en [M3 BEDRIJF SARL] , aan te wijzen. Belanghebbende en [K] hadden immers al medio 2002 toegezegd na de overname van [W BEDRIJF] aan te zullen blijven als managers van [W BEDRIJF] en betrokken te blijven ten behoeve van het uitponden van dier vastgoedportefeuille. Dat [X1 BEDRIJF] zich niet met de structurering van de transactie aan de kant van belanghebbende bemoeide, neemt echter niet weg dat naar ‘s Hofs oordeel (ook) de
sweet equity, hoezeer ook formeel gekoppeld aan het aandeelhouderschap van [W BEDRIJF] , tevens in belangrijke mate verband hield met het door hem persoonlijk verrichten van werkzaamheden voor die vennootschap. Dit is weliswaar, gelijk belanghebbende heeft gesteld, niet met zoveel woorden in de onderscheiden overeenkomsten met [X1 BEDRIJF] opgenomen, maar een dergelijk verband ligt naar ‘s Hofs oordeel wel besloten in de feitelijke verhoudingen tussen de betrokken partijen.
Amended and restated profit sharing deedis bepaald dat) het aandeelhouderschap van [W BEDRIJF] naast [X1 BEDRIJF] overigens is voorbehouden aan managers van de vennootschap: [M3 BEDRIJF BV] en belanghebbende mogen maximaal 25% van hun aandelenbelangen overdragen en wel uitsluitend aan “
a new chief executive officer” of “
such other senior excutive officer as [ [X1 BEDRIJF] ] shall agree” (die zijn aandelen dan onder bepaalde voorwaarden al of niet moet aanbieden bij een daaropvolgend ontslag of vertrek).
capital, income and other distributions” zijn gekoppeld aan het aandeelhouderschap en dat, anderzijds, de rechten op
sweet equityuitsluitend zijn toegekend aan die aandeelhouders ( [M3 BEDRIJF SARL] en [K] ) die werkzaamheden voor [W BEDRIJF] (doen) verrichten.
sweet equity. Het Hof heeft hierbij voorts in aanmerking genomen dat, zoals hiervoor in 5.10.6.1. is overwogen, het [X1 BEDRIJF] ging om de kennis, ervaring en contacten van [X] (tesamen met [K] ) betreffende de Nederlandse vastgoedmarkt. Al in de
Confidential Supplement to Memorandum of Understandingvan 26 juni 2002 was vastgelegd dat, na gestanddoening van het bod, [X1 BEDRIJF] en/of [W BEDRIJF] de diensten van belanghebbende, [K] en/of [C BEDRIJF BV] wilde(n) blijven inhuren. Dat de betaling voor deze diensten werd gestructureerd via het aandelenbelang in [W BEDRIJF] maakt het karakter van deze betalingen niet anders; de betalingen stonden tegenover de in persoon van belanghebbende verrichte werkzaamheden. Daar komt bij dat belanghebbende nimmer een managementovereenkomst met [C BEDRIJF BV] , [M3 BEDRIJF BV] dan wel [M3 BEDRIJF SARL] heeft gehad waarin hij op enigerlei wijze werd beloond voor de (mogelijk) voor hem via deze vennootschappen verrichte diensten.
sweet equityvormde die belanghebbende tesamen met [K] van [X1 BEDRIJF] voor de werkzaamheden had bedongen. Naar het oordeel van het Hof moet er op grond van al het voorgaande van worden uitgegaan dat de enige reële oorzaak voor de betaling van dit bedrag was: de afkoop van de rechten op
sweet equity. Die afkoop werd actueel door de overdracht van de participatie van de MUI-groep in [W BEDRIJF] aan [X1 BEDRIJF] en door de gelijktijdige beëindiging van de werkzaamheden van belanghebbende en [K] ten behoeve van [W BEDRIJF] . [X1 BEDRIJF] was op dat moment, bij gelegenheid van het sluiten van de
Settlement Agreement, bereid om € 5 miljoen in totaal voor de afkoop te betalen. [M3 BEDRIJF BV] heeft zich jegens [M3 BEDRIJF SARL] terzake voor een bedrag van € 3.750.000 schuldig verklaard (en voor een bedrag van € 1.250.000 jegens [K] ). Onder deze omstandigheden en mede gelet op hetgeen in 5.10.6. is overwogen, moet worden aangenomen dat zulks in het kader van de werkzaamheden die door belanghebbende en [K] zijn vericht (al dan niet in samenwerking) ten behoeve van [W BEDRIJF] en dat belanghebbende zijn aandeel in de
Sweet Equity Amountuitsluitend heeft kunnen genieten vanwege de werkzaamheden. Dat het bedrag van € 3.750.000 niet (rechtstreeks) naar belanghebbende maar aan vennootschappen van belanghebbende is overgemaakt maakt de kwalificatie niet anders. Daarvoor neemt het Hof in aanmerking dat het uiteindelijke karakter van de betaling doorslaggevend is. Nu de werkzaamheden waren gekoppeld aan de persoon van belanghebbende kunnen ze niet aan de vennootschappen van belanghebbende worden toegerekend (te meer nu belanghebbende nimmer een managementovereenkomst met één van de betrokken vennootschappen heeft gesloten waarin hij op enigerlei wijze werd beloond voor de - mogelijk - door hem via deze vennootschappen te verrichten diensten). Voorts merkt het Hof (nogmaals) op dat het [X1 BEDRIJF] (de betaler), toen de voorwaarden daarvoor eenmaal met belanghebbende waren uit onderhandeld, op zich niet uitmaakte aan wie de (afkoopsom terzake)
sweet equityuitbetaald werd.
sweet equitydusdanig sterk dat een zodanige conclusie gerechtvaardigd is.
- het Hof aan overweging 4.8.7. van de rechtbank na het woord ‘C-biljet’ toevoegt: en wist dat hij zijn adviseur met betrekking tot deze inkomsten niet of althans volstrekt onvoldoende heeft geïnformeerd; en
- het Hof overweging 4.8.8. vervangt door de volgende:
6.Kosten
7.Beslissing
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.342; en
- gelast de inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 123 te vergoeden.