2.7.4.Eiser is bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 mei 2012, parketnummer: 23-002592-10, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren wegens onder meer het medeplegen van gewoontewitwassen (feit 1). Het daartegen gerichte beroep in cassatie is op 18 februari 2014 verworpen onder verwijzing naar artikel 81, eerste lid, van de Wet RO. De bewijsoverwegingen, de bewezenverklaring en de strafmotivering van het Hof luiden - voor zover hier van belang – als volgt (de gebezigde bewijsmiddelen zijn als voetnoot in het arrest opgenomen; in de weergave hieronder zijn de voetnoten telkens tussen haakjes [] in de tekst verwerkt):
“
Redengevende feiten en omstandigheden en bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1
De rechtbank heeft bewezen geacht dat de verdachte een tiental betalingen, tot een totaal van € 17.068.165, heeft ontvangen op rekeningen van de verdachte of bedrijven van de verdachte [Proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 6 april 2010, p. 1 en bijlage II bij dat proces-verbaal.] en dat deze betalingen uiteindelijk afkomstig waren van wijlen [R2] (verder te noemen: [R2] ).
De verdachte betwist het vorenstaande niet.
De rechtbank heeft voorts bewezen geacht dat deze betalingen door [R2] onvrijwillig zijn gedaan en zijn afgedwongen door [U] (verder te noemen: [U] ), dat de verdachte hiervan op de hoogte was en dat hij daarom tezamen en in vereniging met [U] deze bedragen heeft verworven en/of voorhanden gehad.
Dit wordt door de verdachte betwist.
Bij de beoordeling van de vraag of ook dit deel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen is, gaat het hof, op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep uit van de navolgende redengevende feiten en omstandigheden en de navolgende overwegingen.
*Het betreft de volgende betalingen met bijgenoemde omschrijvingen en nadere gegevens: [Schema ontleend aan [NAAM ONDERZOEK 1] 2 0034.]
Ontvangen bedrag
datum opdracht
datum ontvangst
ontvangen op bankrekening
omschrijving
1
€ 3.176.461,50-
[Een schriftelijk stuk,
zijnde een
betalingsopdracht van
[R2]
d.d. 30 december 2002
( [NAAM ONDERZOEK 1] 2 1728).]
30-12-02
30-12-02
[REKENINGNUMMER 21]
[R3 BEDRIJF] NV
deelaflossing lening [T3 BEDRIJF] in opdracht van [K4 BEDRIJF] , restant volgt
2
€ 1.361.340,60
[Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [R2] d.d. 9 januari 2003 ( [NAAM ONDERZOEK 1] 2
- l730).]
09-01-03
10-01-03
[REKENINGNUMMER 21]
[R3 BEDRIJF] NV
deelaflossing lening [T3 BEDRIJF] in opdracht van
[K4 BEDRIJF]
3
€ 3.400.000
[Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [R2] d.d. 28 februari 2003 ( [NAAM ONDERZOEK 1] 2 1733). ]
28-02-03
01-03-03
[REKENINGNUMMER 21]
[R3 BEDRIJF]
NV-
[B4 BEDRIJF]
4
€ l.500.000
[Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [R2] d.d. 12 maan 2003 ( [NAAM ONDERZOEK] AF-
- 12 0245).]
14-03-03
[REKENINGNUMMER 22]
5
€ 900.000
Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [R2] d.d. 2 april 2003 ( [NAAM ONDERZOEK 1] 2 1735).]
02-04-03
02-04-03
[REKENINGNUMMER 21]
[R3 BEDRIJF]
NV
6
€ 450.000
[Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [R2] d.d. 18 april 2003 ( [NAAM ONDERZOEK 1] 2 1737).]
18-04-03
24-04-03
[REKENINGNUMMER 21]
[R3 BEDRIJF]
NV
[T3 BEDRIJF]
7
€ 1.499.990,28
[Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [R2] d.d. 26 mei 2003 ( [NAAM ONDERZOEK 1] 2 2074).]
26-05-03
28-05-03
[REKENINGNUMMER 21]
[R3 BEDRIJF]
NV
8
€ 2.800.000
[Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [R2] d.d. 24 juni 2003 ( [NAAM ONDERZOEK 1] 2 1739).]
24-06-03
26-06-03
[REKENINGNUMMER 22]
Bank
Agreement
9
€400.000
[Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [R2] d.d. 18 juli 2003 ( [NAAM ONDERZOEK 1] 2 1741).]
18-07-03
21-07-03
[REKENINGNUMMER 21]
[R3 BEDRIJF]
NV
[OMSCHRIJVING]
10
$ 1.999.962,50
[Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [P3] d.d. 24 december 2003 ( [NAAM ONDERZOEK 1] 2 1743).]
24-12-03
07-01-04
44.34.102
[J4 BEDRIJF]
Ltd.
volgens afspraak
*De tiende betaling vertegenwoordigt een tegenwaarde van ongeveer € 1 .580.373,-- [www. oanda.com. historical exchange rates]
* [R2] heeft vanaf 2002 tot in 2004 gesprekken gevoerd met medewerkers van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE), de zogenoemde achterbankgesprekken. [Een proces-verbaal van bevindingen van 25 januari 2006 ( [NAAM ONDERZOEK] D4-1).]
Het hof neemt hierna de mededelingen op die [R2] deed aan medewerkers van de CIE die het hof redengevend acht voor de bewezenverklaring. Voor zover gesprekken in de vraag-en-antwoordvorm zijn weergegeven duidt het hof waar nodig [R2] aan met “ [R2] ” en medewerkers van de CIE met “C”.
De schriftelijke samenvatting van het eerste gesprek van [R2] met de CIE, 20 maart
2003:[Een schriftelijk stuk, te weten de uitwerking van het 1e gesprek op 20 maart 2003, [NAAM ONDERZOEK] D4-2 e.v.]
[R2] leerde zo’n tien jaar geleden [U] kennen. Tussen [R2] en [U] ontstond gaandeweg een band, die onder meer bestond uit het dagelijks trainen op een sportschool.
De groepering van [U] , [X2] , [Y2] en [Z2] houdt zich bezig met afpersingen. [R2] heeft de overtuiging dat als hij niet meer kan betalen, hij zal worden geliquideerd in opdracht van deze groepering. Tot op heden heeft hij een heel groot vermogen aan [U] en [X2] moeten overmaken. Deze betalingen gingen naar ‘legale’, door de financiële deskundige van de groep opgezette bedrijven die het (geld) ‘stallen’ voor [U] en zijn maten. [R2] is heel angstig geworden en heeft de sloten in zijn huis laten vervangen, omdat [U] een sleutel had en het voorkwam dat hij ‘s nachts in zijn woning stond.
Als [U] [R2] wil spreken, komt hij ook midden in de nacht schreeuwen voor de deur van [R2] .
Enige tijd geleden werd [R2] gebeld met het verzoek op kantoor van zijn advocaat [A3] te komen. Toen [R2] daar kwam en de secretaresse van [A3] hem naar diens werkkamer had gebracht zat niet [A3] daar, maar zaten [X2] en [U] achter het bureau. Ook zat [Z2] in die ruimte samen met andere personen. [R2] werd daar met name door [X2] bedreigd en zou weer geld moeten overmaken en, zo niet, worden afgeschoten. Deze woorden werd kracht bijgezet door een onbekende Joegoslaaf die daar [R2] een vuurwapen in de buik drukte.
[R2] spreekt zijn angst uit over het voeren van dit gesprek en geeft aan dat, zodra wij hiervan een rapport opmaken, dit zal uitlekken, hetgeen zijn dood zal betekenen.
Het tweede gesprek, 3 april 2003[Een schriftelijk stuk, te wetende uitwerking van het 2e gesprek op 4 (het hof begrijpt op grond van de mededeling ter terechtzitting van de rechtbank van 1 april 2010 de officier van justitie: 3) april 2003 ( [NAAM ONDERZOEK] D4-7 e.v.)]
E: Ik heb precies opgeschreven hoe ik heb moeten betalen. Ik heb echt enorme bedragen moeten betalen.
C: Die betalingen van u gaan via gerenommeerde bedrijven?
E: Ja. Het staat hij anderen en daar is ie ( [U] ) ook dominant aanwezig en die mensen hebben zogenaamd dat geld, maar het is niet van hen.
Die worden onder druk gezet om daaraan mee te werken. Die weten dat het van mij komt.
Ik moet het overmaken. Dat zijn eigenlijk normale, nette mensen allemaal, maar die worden onder druk gezet.
E: Vorige week dinsdagavond (
het hof begrijpt: 25 maart 2003) om 23.00 uur stond ( [U] ) voor de deur. Hij zei dat hij [Q2] ging doodschieten als ik niet betaalde.
E: Ik betaal omdat ik geen andere oplossing weet. ( [U] ) heeft gezegd: ‘Je moet niet denken dat je kan vluchten; met mijn politiecontacten weet ik binnen een dag waar je zit.’
( [U] ) was mij ook aan het afluisteren en opnemen. De apparatuur was door een kennis van hem geplaatst, [B3] .
Het vierde gesprek, 16 april 2003[Een schriftelijk stuk, te weten de uitwerking van het 4e achterbankgesprek van [R2] met de CIE op 16 april 2003 ( [NAAM ONDERZOEK] D4-45 e.v.., zoals ter terechtzitting van 1 april 2010, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, aangepast door de rechtbank naar aanleiding van het beluisteren van dat gesprek.]
E: Ik kreeg vannacht om 01.30 uur weer visite. Een beetje onder druk houden, noemen ze
dat.
[U] en [X2] .
Het restant dat ik moest betalen. Als ik dat niet deed, dan wist ik het wel.
Ze hebben een bedrag vastgesteld van enige miljoenen, dan zou ik ervan af zijn. Ik moet 20 miljoen betalen, voor 1 mei.
Ze persen me af, ze bedreigen me, ze willen me vermoorden.
Ze verzinnen een probleem, dan gaan ze je helpen en daarna word je afgeperst.
Ze hebben een aantal zeer nette mensen die ik ken, die worden als een soort stroman gebruikt en ik weet zeker dat ze dat niet vrijwillig doen.
Het vijfde gesprek, 15 mei 2003[Een schriftelijk stuk, de verbatim-uitwerking van het 5e achterbankgesprek van [R2] met de CIE op 15 mei 2003 ( [NAAM ONDERZOEK] D4-60 e.v.)]
E: Vorige week zaterdag (10 mei 2003) is iemand die voor hem werkt, bij mij op kantoor
geweest. Die heeft de harde schijf uit mijn computer gehaald. Ik moest een kabel van Schiphol naar Zandvoort kopen; daar moest ik 20 miljoen gulden voor betalen. Bleek dat het geen kabel was maar een holle buis. Ik zei: ‘Ik moet gegevens hebben’. Dus heb ik een brief gestuurd naar een BV in het buitenland, dat ik informatie moest hebben over die kabel, dat ik het wilde kopen. Maar toen moest ik het geld op een andere manier betalen.
Maar ik had dus brieven gestuurd. Die moest ik wissen. Toen kwam hij plotseling langs en heeft mijn harde schijf eruit gehaald. Hij zei: ‘Ik moet die schijf eruit halen’. Hij heeft alles overgezet (
het hof begrijpt: op een andere, vervolgens in de computer geplaatste, harde schijf) wat erop stond, behalve die twee brieven (van) vijftien januari (2003). Hij heet [B3] .
Er vinden ‘normale’ betalingen plaats en die mensen geven het geld niet aan [U] ; die houden, bewaren het voor hem.
Het zevende gesprek, 24 juni 2003[Een schriftelijk stuk, de verbatim-uitwerking van het 7e achterbankgesprek van [R2] met de CIE op 24 juni 2003 ( [NAAM ONDERZOEK] D4-125 e.v).]
E: Ik ben vandaag weer enige malen bedreigd met de dood. Ik moest betalen.
‘Doodschieten als je dit en dat niet ...‘. ( [U] ) wilde 7 miljoen euro. Hij zei ook: ‘Ik heb je gewaarschuwd, maar nu is het over’.
Ik kreeg een briefje van hem dat ik geld moest overmaken. Ik moest deze week betalen.
Zeven miljoen wil hij over de bank overgemaakt hebben, naar een zakenrelatie van hem.
En die man houdt het, bewaart het dan weer voor hem.
C: (Die man) kan toch wel in de tang zitten van ( [U] )?
W: Ik denk dat dat inderdaad het geval is.
( [U] ) rijdt af en toe achter me aan. Hij is me de hele dag aan het intimideren.
Ik doe tegen hem niet bang. Hij zegt bijvoorbeeld: ‘Je haalt de week niet’. Ik zeg: ‘Dan ben ik toch nog vijftig geworden’.
Hij zei: ‘Jij kan wel weggaan, maar je familie is nog hier, en je kinderen’. Mijn kinderen, mijn familie, alles wordt bedreigd.
[X2] heeft mij hoogstpersoonlijk bedreigd, helemaal zwaarbewapend.
Het tiende gesprek, 27 augustus 2003[Een schriftelijk stuk, uitwerking van het 10e achterbankgesprek van [R2] met de CIE op 27 augustus 2003 ( [NAAM ONDERZOEK] D4-205 e.v.).]
E: ‘Ik moet nog een stukje betalen. Weer een bedreiging. Dat was in het Bosplan
(het hof begrijpt: her Amsterdamse Bos). [C3] zei dat ik daar moest komen. Hij ( [U] ) zei: ‘Als je niet dat restje betaalt, vermoordt die ouwe ( [D3] ) je binnen twee tellen; had je maar moeten betalen, straks lig je met een kaartje aan je teen in de vrieskist’. Dat was vorige week. Ik moet nog 7 miljoen euro betalen binnen twee weken. Ik heb gezegd: ‘Ik kan dat niet betalen’. Ten eerste zou ik niet weten hoe ik dat moet doen, want er moet een titel voor zijn. Ten tweede heb ik het geld niet.’
De schriftelijke samenvatting van het elfde gesprek van [R2] met de CIE, 20 oktober
2003[Een schriftelijk stuk, de schriftelijke samenvatting van het 11e achterbankgesprek van [R2] met de CIE op 20 oktober 2003 ( [NAAM ONDERZOEK] D4-233 11 e.v.).]
‘Twee weken geleden was [R2] in het buitenland toen [E3] op zijn kantoor verscheen. Zij moest [R2] spreken omdat haar overleden man [F3] zeven miljoen had uitstaan bij [R2] . [R2] is naar Nederland teruggekomen en heeft met [E3] gesproken. Kort daarvoor kwam [U] langs en zei dat [R2] [E3] keurig en beleefd moest behandelen en dat er Joegoslavische vrienden om de hoek stonden. Daags na dit incident maakte [R2] een afspraak met [A3] op kantoor. Daar aangekomen was niet [A3] er, maar werd hij door [U] meegenomen naar een kamertje. Daar is [R2] duidelijk gemaakt dat hij zeven miljoen moest betalen, doch niet aan [E3] maar aan hem ( [U] ). De termijn liep dinsdag a.s. af, maar is inmiddels met een week verlengd.
In de woning in IJmuiden is zes weken geleden ingebroken door middel van een valse sleutel. [R2] had daar een dossier met betrekking tot de praktijken van [U] . Dit dossier is gestolen. [U] maakt opmerkingen als: ‘Ik weet meer dan je denkt.’
Het 12e gesprek, 11 november 2003[Een schriftelijk stuk, de samenvatting van het 12e achterbankgesprek van [R2] met de CIE op 11 november 2003 ( [NAAM ONDERZOEK] D4-236 e.v.)]
Geeft aan dat zijn dossier is gejat vanuit zijn woning in IJmuiden.
Als hij overhoop geschoten wordt ligt er bij een notaris in den lande een handgeschreven stuk waar hij zijn handtekening onder heeft gezet, hoe zijn financiële situatie in elkaar steekt.
* Ook heeft [R2] in die periode contact gezocht met de officier van justitie [G3] .
Deze heeft naar aanleiding daarvan de volgende bevindingen [Een proces-verbaal van bevindingen van 25 juli 2003, [NAAM ONDERZOEK] D3-12 e.v.] opgeschreven:
Op 2 juli 2003 werd ik in de loop van de ochtend gebeld door de chef CIE van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, [H3] .
[H3] vroeg mij dringend nog deze middag naar het hoofdbureau van politie in Amsterdam te komen voor een gesprek met [R2] en diens raadsman, mr. [I3] . Onderweg vertelde [H3] mij in het kort dat medewerkers van de RCIE gesprekken voerden met [R2] , waarin [R2] onder meer vertelde dat hij werd afgeperst door [U] . Ook vertelde [H3] mij onderweg dat hij de indruk had dat [R2] doodsbang was en mogelijk op een punt was gekomen dat hij wilde praten over het afleggen van tactisch bruikbare verklaringen.
Op het kantoor van mr. [I3] hebben wij vervolgens een gesprek gehad met [R2] , in aanwezigheid van mr. [I3] .
[R2] vertelde hij dat hij erg bang was dat dit gesprek zou uitlekken, zoals er al zo vaak gevoelige informatie over hem naar de media was uitgelekt. Hij zei in dat verband in één adem dat [U] altijd en overal van wist, en overal zijn voelhorens had; dat had [U] hem verteld.
Bij het vertellen van het navolgende maakte [R2] zichtbaar een gespannen indruk; op mijn vraag tussendoor of hij op dat moment bang was voor [U] antwoordde hij zonder meer bevestigend.
[R2] vertelde mij dat hij enorm bang was voor verbale en fysieke bedreigingen door [U] . Hij zei dat hij door [U] al geruime tijd werd afgeperst in ruil voor ‘protectie’. [U] maakte enorme indruk op hem door regelmatig duidelijk te maken dat hij bij een aantal liquidaties betrokken is geweest; [R2] werd door [U] soms indirecte opmerkingen in dat verband heel erg bang dat dit hem ook zou kunnen gaan overkomen als hij niet zou doen wat [U] wilde, en had de indruk dat [U] het zei om hem die angst te geven.
* [R2] heeft op 10 april 2003 (
naar het hof uit de hierna volgende bewijsmiddelen begrijpt) een verklaring afgelegd bij notaris [J3] . Mr. [J3] (verder te noemen: de notaris) heeft zich op 18 mei 2004 bij de politie gemeld en toen deze schriftelijke verklaring overhandigd. [Een proces-verbaal van bevindingen van 19 mei 2004 ( [NAAM ONDERZOEK 1] 2 233-34) en een proces-verbaal “overhandigde stukken door notaris [J3] (het hof begrijpt: [J3] ), [NAAM ONDERZOEK] H-267, waarbij zijn gevoegd kopieën van stukken, pagina’s H-268-284.]
Op de envelop is de volgende door de notaris met de hand geschreven en door hem ondertekende verklaring van 10 april 2003 geplaatst: [ [NAAM ONDERZOEK] H-268.]
Bijgaande verklaring te openen in geval van overlijden van de heer Mr [R2] als gevolg van zijn liquidatie.
* De notaris heeft bij de rechter-commissaris met betrekking tot het gebeurde op 10 april 2003 het volgende verklaard: [Het proces-verbaal van verhoor van [J3] d.d. 8 november 2007 ten overstaan van de rechter-commissaris ( [NAAM ONDERZOEK 1] 4e Nazending 30 e.v.).]
[R2] heeft mij gevraagd de verklaring die ik voor hem heb opgeschreven, geheim te houden en aan de CRI (
het hof begrijpt: Criminele Recherche Inlichtingendienst) te overhandigen, mocht hij onvrijwillig het leven laten.
[R2] was zeer geëmotioneerd, al voordat ik wist wat hij wilde. Hij heeft mij de verklaring gedicteerd. Hij heeft voordat hij de verklaring dicteerde mij verteld dat hij van het advocatenkantoor [P3 BEDRIJF] afkwam en dat hij hoogst ongelukkig was met de dingen die hem waren overkomen.
Ik vond het niet prettig. In de verklaring is aan de orde geweest de bedreiging met een liquidatie. Ik zat ermee. Je zit met iemand die zegt dat hij net is afgeperst.
* Eerder had de notaris verklaard over de datering van de verklaring en over andere stukken in de envelop [Een kopie van een proces-verbaal van verhoor van [J3] op 27 mei 2004, [NAAM ONDERZOEK] AE-21-46 e.v. en [NAAM ONDERZOEK 1] 4 764 e.v.]:
Per 1 januari van dit jaar (2004) ben ik oud-notaris. Ten tijde van de opgenomen verklaring van [R2] was ik nog notaris. In de handgeschreven verklaring die ik eerder heb overhandigd en op de envelop dient waar 2004 staat, 2003 gelezen te worden. De handtekening van [R2] en de parafen aan de onderzijde van de pagina’s zijn in mijn tegenwoordigheid gezet. [R2] kwam zomaar bij me binnenlopen. zonder voorafgaande afspraak, vermoedelijk tegen het einde van de ochtend. Hij voelde zich onheus bejegend bij [P3 BEDRIJF] advocaten en wilde hierover een verklaring afleggen. Hij deed dit bij mij omdat hij mij kende en mij vertrouwde. Ik heb vervolgens de verklaring handgeschreven opgenomen. Deze verklaring werd door [R2] aan mij gedicteerd.
Gezien de vertrouwelijkheid is de verklaring niet door de secretaresse uitgewerkt. Ik was ongelukkig, ongemakkelijk met de verklaring die [R2] aflegde. Ik heb deze verklaring opgenomen omdat ik [R2] gespannen vond en hij zijn verhaal wilde vertellen. Hiermee kon ik hem van dienst zijn. De verklaring is door mij als codicil bewaard.
De bijlagen die bij de verklaring van [R2] zijn gevoegd, heb ik gekregen van [R2] . Hij had deze stukken bij zich.
* De ten overstaan van de notaris afgelegde verklaring van [R2] luidt als volgt: [Een kopie van een schriftelijk stuk, zijnde een door notaris mr. [J3] met de hand geschreven en door [R2] ondertekende verklaring van 10 april 2003 ( [NAAM ONDERZOEK 1] 2 35-37).]
Op 10 april 2003 verklaarde de heer mr. [R2] in persoon tegenover ondergetekende als notaris:
Ik, mr [R2] ben onder dwang op 10 april 2003 om 12.00 uur bij mr [K3] (
het hof begrijpt in dit verband: mr. [L3]) verbonden aan [P3 BEDRIJF] advocaten te Amsterdam verschenen te zijnen kantore op verzoek van mr [Q] .
Aldaar werd ik gedwongen een onherroepelijke volmacht te geven en te tekenen waarbij de aandelen in Recreatiepark [NAAM 18] NV zouden worden verpand aan [Q3 BEDRIJF] SA gev te Panama voor een fictieve schuld van E 6.806.703 (Hfls 15.000.000) aan [R3 BEDRIJF] NV (
het hof begrijpt: [R3 BEDRIJF] NV) en een gefingeerde schuld van E 3.857.000 aan [Q3 BEDRIJF] SA te Panama.
De verpandingsakte welke is getekend op 26 febr 2003 is eveneens onder dwang van liquidatie van ondergetekende en/of familieleden getekend op 26 febr 2003, terwijl de handgeschreven toevoegingen in de akte van 26 febr 2003 op heden 10 april 2003, bij mr [K3] zijn toegevoegd door de notaris.
Aanvankelijk weigerde ik te tekenen en ben zonder iets te zeggen weggelopen en rechtstreeks naar de heer [M3] gegaan, hoofd CID), kantoor Amsterdam. Naast Hr [M3] waren nog 2 medewerkers aanwezig bij het gesprek.
Ik heb de heer [M3] medegedeeld wie achter de afpersing zaten te weten de heer [U] en zijn vriend [X2] .
Ik werd opgebeld door [Q] om circa 13.00 uur om terug te keren naar [P3 BEDRIJF] advocaten onder de toezegging dat de boete van 0,5% per dag pas zal ingaan op 1 mei 2003.
Daarna heb ik de stukken getekend.
De heer [Q] verklaarde nadat de heer [K3] de kamer had verlaten, dat de heer [X] onder dwang aan deze verpanding en of afpersing meewerkte, maar dat [X] ook onder dwang handelde.
[R3 BEDRIJF] NV (
het hof begrijpt hier en verder: [R3 BEDRIJF] NV) is een NV die vroeger van [X] was en geadministreerd bij [S3 BEDRIJF] te Wassenaar.
Nadat de heer [X] zijn aandelen in de [T3 BEDRIJF] IJmuiden aan de familie [R2] had verkocht en geleverd, heeft hij [R3 BEDRIJF] aan mij, [R2] , overgedragen voor f 1 ,= hoewel er een vordering was van [R3 BEDRIJF] op [T3 BEDRIJF] van f 12.500.000,=. De vordering was niet volwaardig ivm zware verliezen van [T3 BEDRIJF] (
het hof begrijpt: [T3 BEDRIJF]) [T3 BEDRIJF] , daarom was de koopsom f 1 ,=.
Bij [S3 BEDRIJF] was bekend dat [R3 BEDRIJF] van [R2] was. Ik ben gedwongen deze NV terug over te dragen aan [X] om niet zulks in dec 2002.
Daarvoor heb ik bij [S3 BEDRIJF] stukken moeten tekenen dat ik geen eigenaar meer was van [R3 BEDRIJF] . Na de overdracht heb ik de vordering van [R3 BEDRIJF] ad ongeveer f 12.500.000,= moeten voldoen aan [R3 BEDRIJF] bij [NAAM BANK 7] bank te R’dam op een rek nr.
De schulden genoemd in de akte van verpanding dd 26 febr 2003 zijn gefingeerd. Naar [R3 BEDRIJF] is een verklaring afgegeven aan de accountant van [T3 BEDRIJF] dat [R3 BEDRIJF] geen vordering meer had (zie verklaring accountant)
Ook de vordering ad E 3.857.000,- tbv van [U3 BEDRIJF] heeft geen rechtsgrond.
[R2] zal zich inspannen desondanks de bedragen te betalen onder dreiging van liquidatie v/hem in persoon.
Mocht ik toch worden geliquideerd dan verzoek ik nots Jhr mr [J3] deze verklaring aan de politie te overhandigen.
Aldus opgemaakt en getekend op 10 april 2004 (
het hof begrijpt: 2003)
De hiervoor weergegeven verklaringen van [R2] komen er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat hij heeft gezegd dat hij onder dwang van liquidatie van hemzelf en/of familieleden betalingen moet doen en heeft moeten doen, door al dan niet gefingeerde vorderingen te voldoen, aan (onder anderen) — zo zegt hij in de verklaring bij de notaris afgelegd met zoveel woorden — de verdachte. Achter de afpersing zouden [U] en diens vriend [X2] (
het hof begrijpt: [X2]) zitten. Tegenover de CIE-medewerkers heeft [R2] verklaard dat [U] en [X2] een aantal nette mensen als stromannen gebruiken.
Hetgeen [R2] heeft verklaard wordt op essentiële onderdelen door de hierna volgende verschillende redengevende feiten en omstandigheden bevestigd.
* Op 17 mei 2004 wordt [R2] voor zijn kantoor te Amsterdam doodgeschoten [ [NAAM ONDERZOEK 1] 1 1 (proces-verbaal van relaas van 31 oktober 2006)].
* De getuige [N3] heeft op 19 mei 2004 [ [NAAM ONDERZOEK 1] 4 0202 e.v.] het volgende verklaard:
Ik ken [R2] sinds 1988. ik ben zijn advocaat geweest tot 1998, begin 1999. We werden al snel goede vrienden. Ik weet dat [R2] al enige jaren bedreigd werd. Dat betrof afpersing. Op kantoor circuleerde al enige tijd de naam van [U] . In augustus 2002 was er een zakelijk geschil ontstaan tussen [R2] en [O3] . Ik heb [R2] wel eens horen zeggen dat hij soms problemen had die hij beter met [U] kon oplossen. Hij heeft mij verteld dat hij voor dergelijke problemen altijd vele tonnen beschikbaar hield.
Ik vroeg hem of hij dat allemaal wel kon verantwoorden. Hij zei mij dat hij niet wilde dat er in zijn boeken en jaarcijfers over afpersing werd gesproken. Ik heb hem de laatste tijd horen zeggen dat hij met de dood bedreigd werd. Je kon ook merken dat zijn gedrag veranderde als hij een telefoontje kreeg.
Vraag: Hoe is het mogelijk dat er zoveel geld uit het bedrijf onttrokken kon worden.
Er gingen gigantische bedragen van miljoenen euro’s naar ondoorzichtige projecten. De financieel directeur [P3] en ik waren bezorgd over deze situatie. De voortdurende onttrekking van liquiditeiten aan de bedrijven van [R2] leidde tot een volstrekt onduidelijke bedrijfsvoering. Het liquiditeitsprobleem was zo groot dat recentelijk [R2] zijn mobiele telefoon
kort afgesloten is geweest en dat hij bij vrienden geld leende voor investeringen terwijl er stapels sommaties lagen voor openstaande rekeningen. [R2] wilde koste wat het kost zijn verplichtingen aan bepaalde personen nakomen.
* Op 19 mei 2004 wordt de advocaat mr. [Q3] , die op dat moment de raadsman van mevrouw [R3] , de partner van [O3] is, gehoord over een door hem na de dood van [R2] aan de politie overhandigde brief van [R2] . Hij had deze brief van [R2] zelf, in een gesloten enveloppe gekregen met het verzoek deze te openen en aan de politie te overhandigen als [R2] zou worden doodgeschoten. Hij verklaarde verder: [Een proces-verbaal van 19 mei 2004 ( [NAAM ONDERZOEK 1] 4 267-69, respectievelijk [NAAM ONDERZOEK] H 262)]
Ik vertegenwoordig [R3] in een geschil met [R2] over [V3 BEDRIJF] BV. Er is een overeenkomst gesloten en [R2] heeft zich borg gesteld om de termijnen en betalingen na te komen. De betalingen werden al snel niet conform de afspraken gedaan. [R2] gaf te kennen dat hij liquiditeitsproblemen had. Gedurende 2003 heb ik [R2] zien veranderen van een strakke zakelijke persoon in een labiele persoon, bij wie de angst van het gezicht te lezen was. Deze angst kwam voort uit het feit dat hij voor zijn leven vreesde, dat hij werd bedreigd en afgeperst. Dit heeft hij mij verteld en hij verzocht mij hem juridisch niet kapot te maken door hem te houden aan de termijnen en tot uitwinning over te gaan.
* In de aan [Q3] overhandigde brief, gedateerd 2 december 2003 [Een kopie van een schriftelijk stuk, zijnde een handgeschreven brief van [R2] aan mr. [Q3] dd. 2 december 2003 ( [NAAM ONDERZOEK 1] 4270).], schrijft [R2] :
‘Begin deze maand heb ik u € 200.000 overgemaakt (...). Er is een behoorlijke achterstand ontstaan in de aflossing (...). De reden voor deze achterstand is tweeërlei. Ten eerste is het moeilijk voor ondergetekende nieuwe financiering te verkrijgen gezien de negatieve artikelen in de media en ten tweede is veel van onze liquiditeit verdwenen aan oneigenlijke betalingen aan [U] .
Meermalen zijn wij met de dood bedreigd indien wij niet betaalden. Ook is medegedeeld dat wij niet aan uw cliënt mochten betalen; dit zou tot gevolg hebben dat ondergetekende dan wel familie van mij zou worden (...) geliquideerd.
De bedreigingen houden aan en maken het mij en mijn familie moeilijk om op een normale manier verder te leven.’
* De getuige [B3] heeft op 31 januari 2006 [ [NAAM ONDERZOEK 1] 4 1414 en 1415] het volgende verklaard:
Vraag: [R2] heeft voor zijn dood gesproken met de politie. Hij heeft toen ook verteld dat ene [B3] klusjes doet voor [U] . [B3] heeft diverse camera’s geplaatst en heeft ook een keer de harde schijf van [R2] ’s computer gewist. Wat is daarop jouw reactie?
Ik weet dat ik de harde schijf van [R2] een keer verwisseld heb, maar hoe dat verder precies is gegaan weet ik niet meer.
* De door [R2] naar de notaris meegebrachte stukken die als bijlage bij de hiervoor genoemde door [R2] ten overstaan van die notaris afgelegde verklaring waren gevoegd, zijn de volgende:
Een geschrift met opschrift
Verpanding, kennelijk een
onderhandse akte van 26 februari 2003. [ [NAAM ONDERZOEK] H-272 e.v] Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als getypte tekst en (van 10 april 2003 daterende) handgeschreven renvooien:
Overwegende:
[A3 BEDRIJF] BV (‘ [A3 BEDRIJF] ’) heeft bij overeenkomst van 25 februari 2003 op zich genomen € 6.806.703 (f1. 15.000.000) aan [R3 BEDRIJF] NV (‘ [R3 BEDRIJF] ’) te betalen op rekening [NAAM BANK 7] [REKENINGNUMMER 21] .
Recreatiepark [NAAM 18] BV (‘Vennootschap’) heeft op zich genomen € 3.857.000 (f1. 8.500.000) aan [Q3 BEDRIJF] S.A. (‘ [U3 BEDRIJF] ’), te betalen als commissie voor de aankoop van [W3 BEDRIJF] en voor de aankoop van de aandelen [X3 BEDRIJF] Center.
Indien beide betalingen niet vóór 31 maart 2003 plaatsvinden zullen de aandelen Recreatiepark [NAAM 18] BV verbeurd worden en zal een boeterente van 0,5% (
renvooi: per dag over het restant van de hoofdsom te rekenen vanaf 1 mei 2003 tot de datum van voldoening) verschuldigd zijn. Voor deze verplichtingen staat [R2] persoonlijk garant.
De verpanding zal als volgt geschieden.
(
renvooi: [Y3 BEDRIJF] BV (‘Pandgeefster’)) en [U3 BEDRIJF] zijn overeengekomen dat Pandgeefster een eerste pandrecht zal vestigen ten behoeve van [U3 BEDRIJF] op de aandelen in Recreatiepark [NAAM 18] BV, tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen (
renvooi: Vennootschap) aan [U3 BEDRIJF] (
renvooi: en/of [A3 BEDRIJF] aan [R3 BEDRIJF] ) schuldig is.
Dit geschrift bevat op de eerste twee pagina’s telkens een paraaf van [R2] en is op de derde, laatste, pagina gedateerd te Amsterdam, 26 februari 2003, en ondertekend door [R2] . Op de eerste pagina staat een aantal renvooien, alle handgeschreven, geparafeerd door [R2] en op 10 april 2003 aangebracht. [Proces-verbaal van verhoor [Q] 10 juni 1002, [NAAM ONDERZOEK 1] 3 592]
Een geschrift met opschrift
Onherroepelijke Volmacht. [ [NAAM ONDERZOEK] H-275 en 276] Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[R2] , handelend als bestuurder van [Z3 BEDRIJF] BV, handelend als bestuurster van Recreatiepark [A4 BEDRIJF] BV, handelend als bestuurster van [Y3 BEDRIJF] BV, ‘Aandeelhoudster’, geeft onherroepelijke volmacht aan [Q3 BEDRIJF] S.A., ‘ [U3 BEDRIJF] ’, om op eerste vordering van [U3 BEDRIJF] namens Aandeelhoudster (1) goed te keuren verpanding aan [U3 BEDRIJF] van 52 aandelen in Recreatiepark [NAAM 18] BV, ‘Vennootschap’, conform aangehecht
concept Aandeelhoudersbesluit, (2) ter uitvoering van een overeenkomst van 26 februari 2003, in kopie [Het hiervoor genoemde geschrift met opschrift Verpanding, [NAAM ONDERZOEK] H-272] aangehecht, mee te werken aan de akte van verpanding van die aandelen aan [U3 BEDRIJF] conform aangehecht
concept Akte van verpanding van aandelen, en (3) als directeur van Vennootschap de verpanding te erkennen.
Ondertekend door [R2] op 10 april 2003.
Een geschrift, kennelijk het in het hiervoor opgenomen geschrift bedoelde
concept Aandeelhoudersbesluit[ [NAAM ONDERZOEK] H-277 e.v .]. Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[U3 BEDRIJF] , handelend als gevolmachtigde van Aandeelhoudster, besluit hierbij toestemming te verlenen aan verpanding door Aandeelhoudster aan [U3 BEDRIJF] van de 52 aandelen in Recreatiepark [NAAM 18] BV.
Het concept bevat op beide pagina’s een paraaf of ondertekening van [R2] .
Een geschrift, kennelijk de in de hiervoor weergegeven onherroepelijke Volmacht [ [NAAM ONDERZOEK] H-275 en 276] bedoelde
concept Akte van verpanding van aandelen[ [NAAM ONDERZOEK] H-279 e.v.].
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Heden ... is voor mij, mr. [L3] , notaris te Amsterdam, verschenen: (...,) werkzaam bij [P3 BEDRIJF] , advocaten en notarissen, handelend als gevolmachtigde van:
(1) Aandeelhoudster,
(2) [U3 BEDRIJF] en
(3) Recreatiepark [NAAM 18] BV, ‘Vennootschap’.
In aanmerking nemend dat Vennootschap uit hoofde van een overeenkomst € 3.857.000 schuldig is aan [U3 BEDRIJF] en dat [A3 BEDRIJF] BV, ‘ [A3 BEDRIJF] ’, uit hoofde van een overeenkomst € 6.806.703 schuldig is aan [R3 BEDRIJF] NV, ‘ [R3 BEDRIJF] ’, en dat Aandeelhoudster met [U3 BEDRIJF] is overeengekomen 52 aandelen in Recreatiepark [NAAM 18] BV aan [U3 BEDRIJF] te verpanden, vestigt Aandeelhoudster ten behoeve van [U3 BEDRIJF] een eerste recht van pand op die aandelen en aanvaardt [U3 BEDRIJF] deze inpandgeving, tot zekerheid van de voldoening van hetgeen [U3 BEDRIJF] en/of [R3 BEDRIJF] uit hoofde van voornoemde overeenkomst te vorderen heeft van Vennootschap resp. [A3 BEDRIJF] .
Het concept bevat op alle pagina’s een paraaf of ondertekening van [R2] .
* Er blijken voorts inderdaad aantekeningen door [R2] te zijn gemaakt, de zogenoemde dagboekaantekeningen, die op belangrijke punten overeenkomen met wat [R2] heeft verklaard. Het hof neemt over de door de rechtbank in haar vonnis aangehaalde pagina’s 3, 5, 7 en 15 van de dagboekaantekeningen [Kopieën van de aantekeningen,. [NAAM ONDERZOEK 1] 2 704-718; proces-verbaal van uitwerking van 11 januari 2006. [NAAM ONDERZOEK 1] 2 615-633].
PAGINA 3:
[S3] + [TELEFOONNUMMER]
[B4 BEDRIJF] 10.000
Aandelen [T3] 5.500
[NAAM 19]7bewijs
Cash 1.000
23.5
Uit transport 2.500 [B4 BEDRIJF] .
26.000 <- betalen
Te betalen 10.000 [U] Afkoop
10.000 Afkoop M
27.500 “ M
47.5
2[NAAM 20] ?
49.5
26
23.500 Te goed
[NAAM 21]
€ 3.400 -> [R3 BEDRIJF] -> [NAAM BANK 2]
Hfl. 200 cash -> (van Rotterd. Aanbet Rotterd.)
€ 3.4 Royal. -> [R3 BEDRIJF]
3 feb [Q] heeft gebeld, wil 0,5% boete per dag en waarom bedrag lager is in contract?
5 feb [Q] lunch spring [NAAM 25] Notariel overdracht [Q]
[NAAM 18]
aand
13-313febhfl 750 Cash Alles betalen moet voor 1 april
24 uur in garage (lening 550 ?? Muziek)
12-312 feb€ 1.5 op rek[NAAM 19]
14-314 feb10 uur. Aandelen [NAAM 18] verpanding middels volmacht te executeren: dit wil [Q] voor [U] -> Als voor 1 april niet betaald is wordt alles afgenomen door [X] dit voor [U]
18-318 febContant € 300 garage -> W ( [NAAM 22] + €300 -> [U3] Brussel
20-320 feb½ 6 bedreigd in park (8 uur gesprek 3heren)
PAGINA 5:
22 april overgemaakt€ 450.000aan [R3 BEDRIJF]
22 april [U] . wil geld hij komt om 1 uur s’nachts [V3] zegt dat ik er niet ben, dan komt hij 22 april s’ochtends om ½ 7. Wil nog een paar ton cash.
Hij komt vrijdag a.s. om 9 uur ‘s ochtends In Bos bij manege, dan wil hij geld. Ik zal mijn best doen heb ik gezegd.
24 april [Q] belt om 8 uur ’s avonds op mijn 06 nr. Wil dat ik teken voor [C4 BEDRIJF] BV. Ik heb 2 Mio € aanbetaald en het pand wordt verkocht met +/- 300.000 winst. [X] wil direct leveren aan de kopers [D4 BEDRIJF] via zijn BV [C4 BEDRIJF] BV aan [D4 BEDRIJF] en wil dan het geld houden ter aflossing van de niet bestaande schuld aan [R3 BEDRIJF] .
Dit is de BV die [X] heeft teruggenomen. De BV was van mij er was geen schuld van [T3 BEDRIJF] aan [R3 BEDRIJF] , maar ik moest wel de fictieve schuld betalen en nu dus nog eens 2.300.000 Euro aflossen aan [R3 BEDRIJF] .[R3 BEDRIJF] zelf heeft€ 250 bet. 27 april cash [W3] heeft het [X3] gegeven. Geld van moeders rekening in Zwitserland, was al haar spaargeld.
5 mei Waarom ik op vakantie was4 dagen,moest ik eerst vragen stond te posten voor me deur [Y3] .
8 mei Wil originele retour van Buisproject heb kopieen achter gehouden. wil dat ik akte teken met [X] -> voor [C4 BEDRIJF] , moet ik accepteren.
8 mei 18 uur [B3] gaat komputer wissen brieven 15 jan 2003 Inzake Buis project, moet van [U] opdracht
Cash € 50.000 n.a.v. PC (was van mijn moeder € 1.500.000 [R3 BEDRIJF] inzake [C4 BEDRIJF] 26 mei overgemaakt naar [NAAM BANK 7] Bank
22 juni Ik moet naar Japaner in IJmuiden. [X3] belde. [U] zal daar zijn en hij is boos want hij wil geld van [Z3] in Frankfurt van [NAAM 18] en moet ik overmaken, naar eenzekere[NAAM 19] dat schijnt rekening te zijn van[X]! Hij wil nog 10 Mio Euro. Ik kan er maar 3 betalen en restant als boot verkocht wordt Mio 4,5.
Ontmoeting met [X3] bij Shell Station IJmuiden om 9 uur komt [U] daar. Ik kreeg brief met vragen over dat geldwatmaar ik had geen €10 Mio overgemaakt maar slechts € 2.800 naar [R3 BEDRIJF] .
26 juni Ik wordt opgetrommeld door [U] heb ik verteld dat ik rest niet heb overgemaakt en slechts 2,8 Mio. Ik sprakhebhem in Quinten Masseistr. Hij stond hele dag voor kantoor reed ook rondjes tot hij me zou aanspreken. [A4] zag hem ook steeds. [V3] sprak hem aan, vertelde ze. Waaromheblaat je hem niet met rust als hij het niet heeft wat wil je dan. [U] . zegt tegen mij je maakt grote foutdit.
Al in januari hoefde je niet te betalen meer. en zou je gewoon doodgeschoten worden. Ik heb uitstel verzorgt voor je. Nu ga je eraan veel bedreigingen. Ik heb beloofd binnen week te betalen en morgen 27 jun 700 ton envrijdag€ 1.200 laat op dag. [X3] haald overmakingbewijs van 7 ton vrijdag 9 uur op ‘s ochtends alleen bank heeft niet uitgevoerd omdat geld op was.
27 juni Vertrek naar Sardinie. [B4] , staat voor huis en vraagd aan opair [C4] en [D4] waar pappa is. gesprek ‘s avonds 3 vrienden. Willen dat ik aangifte doe. Ik heb met advocaat [I3] besproken.Was 25 juni
PAGINA 15: [Achterzijde van een enveloppe.]
10.000.000
5.500.000
euro 3
-350
28-2 € 3.400.000 [R3 BEDRIJF] Ontvangen 3750.000
2-4 € 900.000 [NAAM 23]
13-3 € 1.500.000 [NAAM 19]
26-5 € 1.500.000 -> [C4 BEDRIJF]
450.000 Bank [R3 BEDRIJF] 21-4-2003
2800.- [NAAM 19] 26-6-
Cash telefoondoos 1.000.
200. Pand Rott
750. [LETTERS 1] .
660 € 300. [NAAM 22]
220 €100 98? Rott.
141 64 29/3.
275 125 30/3.
112 50 21/5
370(241 [LETTERS 1] )
26/51april
3728
726 + 300 Brussel
250 [E4]
66
Euro? 660
726
€ 400.000 — [R3 BEDRIJF] +/- 25 juli
omschrijven [OMSCHRIJVING]
€100.000 Cash
[----][PLAATSNAAM 8]
50.000 Cash
45000 Cash 9 Aug Haarlem van Spanje 6
cheq
* Op 9 september 2008 heeft [R1] [Verhoor als getuige door de rechter-commissaris 9 september 2008, [NAAM ONDERZOEK 1] 4e aanvulling, p. 1114 e.v.] het volgende verklaard:
Ik heb vijf jaar (
het hof begrijpt: als directiesecretaresse/officemanager) bij [X] gewerkt, van 2000 tot half april 2005.
Ik weet nog dat [X] een tafel had bij het Ronald MacDonaldgala. Hij vroeg of ik mee wilde gaan. Het was volgens mij eind maart of april 2000. Op dat gala had [R2] ook een tafel. [X] zei toen tegen mij dat hij absoluut niets meer met hem (
het hof begrijpt: [R2]) te maken wilde hebben. [X] zei dat hij een verdacht figuur was, die verdacht werd van witwaspraktijken en dergelijke. Hij zei dat hij ooit zaken met hem had gedaan en dat hij zelfs aandelen in [T3 BEDRIJF] IJmuiden met verlies had verkocht omdat hij niets met hem te maken wilde hebben. Hij wilde verre van hem blijven.
* De politie heeft op 26 mei 2004 met de getuige [F4] gesproken en van hem stukken ontvangen. Daarover is het volgende gerelateerd: [ [NAAM ONDERZOEK 1] 4 303 e.v.]
Doel van ons bezoek was om enkele stukken van [F4] in ontvangst te nemen die betrekking hebben op betalingen vanuit door [R2] bestuurde bedrijven aan bedrijven gerelateerd aan [X] / [R3 BEDRIJF] .
Wij namen enkele betalingsbewijzen van [F4] in ontvangst. Hij zei ons dat hij de betalingen had laten uitvoeren, en dat deze aanvankelijk voor hem begrijpelijk waren, omdat er een schuld van [T3 BEDRIJF] BV (
het hof begrijpt: [A3 BEDRIJF]) aan [R3 BEDRIJF] open stond van ongeveer fl. 12.000.000,--. [F4] zei ons dat het hem was opgevallen dat hij, nadat dat bedrag was betaald, van [R2] opdrachten bleef ontvangen om geldbedragen te betalen aan [R3 BEDRIJF] dan wel aan [R3 BEDRIJF] gerelateerde bedrijven. [F4] zei ons dat [R2] tegen hem zei dat hij extra betalingen moest blijven doen aan [X] omdat hij werd afgeperst en dat [U] daar achter zat. Hij had met [Q] (
het hof begrijpt: [Q]) overleg gehad over de vraag op welke wijze de extra betalingen in de boekhouding afgedekt moesten worden.
Als bijlage bij dit proces-verbaal zijn onder meer documenten gevoegd die betrekking hebben op de betalingen 1, 2, 3, 5, 6, 8, 9 en 10.
* De getuige [F4] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg op 9 april 2010 [61 p. 36 e.v.] onder meer het volgende verklaard:
In maart 2003 ben ik in dienst getreden bij [E4 BEDRIJF] (
het hof begrijpt: bij het concern van [R2]). Ik ben gestart als controller. In de loop van 2003 ben ik directeur financiële zaken geworden. Tijdens mijn werkzaamheden kwam ik transacties tegen waarvan ik de grondslag niet wist. Ik zag betalingen zonder titel.
Dat ben ik niet gewend. Ik wist niet waarom ze gedaan werden. In augustus 2003 heb ik [R2] hierover aangesproken. Hij heeft mij apart genomen en buiten kantoor verteld dat hij werd afgeperst door [U] en dat de betalingen aan [R3 BEDRIJF] in dat kader geplaatst moesten worden. [R2] heeft mij verteld dat het op dat moment nog ging om een bedrag van 30-40 miljoen. Ik kreeg geen specifieke opdrachten van [R2] . Ik moest de betalingen alleen in goede banen leiden. Het moest goed in de boeken verwerkt worden, zodat er geen fiscale vragen kwamen.
[Q] kende ik uit het verleden. We zijn begonnen met het aflossen van de lening van [A3 BEDRIJF] aan [R3 BEDRIJF] . Ik heb aan het trustkantoor gevraagd of zij hetzelfde bedrag in de boeken van [R3 BEDRIJF] hadden. De trust vertelde mij de vordering niet te kennen. Daarna nam [Q] contact met mij op. Toen ik hoorde dat [R3 BEDRIJF] de vordering niet kende was het probleem dat er al betaald was.
In de loop van maart tot en met augustus 2003 heb ik me een beeld gevormd van de betalingen zonder grondslag. De omschrijvingen van de betalingen kwamen van [R2] .
Later dat jaar, aan het einde, is er een afspraak geweest waarbij [R2] en [Q] aanwezig waren. Dit was op mijn initiatief, omdat ik de afspraken goed wilde verwerken. Deze bijeenkomst was in Hilversum, in de woning van [Q] . Het gesprek ging over winstrechten, dat weet ik nog goed. Op enig moment was de lening afgelost en de aankoop van [B4 BEDRIJF] boekhoudkundig verwerkt. Er was meer betaald en daar moest een titel aan worden gegeven. Dat werd het winstrecht dat in [A3 BEDRIJF] aanwezig was. Deze titel werd aangedragen door [R2] . Hij pakte een papiertje en schreef daar het bedrag aan winstrecht op waar we op uit moesten komen. Dit was de eerste keer dat ik iets over winstrecht hoorde. Volgens mij heeft [R2] mij nooit verteld dat er afspraken waren over het winstrecht. [R2] rekende het bedrag voor, hoe je op het totale bedrag zou komen. Ik weet niet meer op hoeveel het winstrecht is vastgesteld. Niet lang daarna gingen we weg. De uitkomst van het overleg was dat er een overeenkomst moest worden opgesteld waarin de winstrechten op een fiscale manier verantwoord werden. Ik heb de overeenkomst nooit onder ogen gehad. Vrij kort hierna is [R2] overleden. Het gesprek heeft eind 2003, begin 2004 plaatsgevonden.
Het winstrecht is nooit geactiveerd. Het enige wat in de boeken stond was een schuld aan [R3 BEDRIJF] .
* [Q] is op 9 juni 2004 als verdachte gehoord in het dossier [NAAM ONDERZOEK 1] . [ [NAAM ONDERZOEK 1] 3 574 ev.] Deze verklaring maakt deel uit van het dossier tegen de verdachte. [Q] heeft toen het volgende verklaard:
In december 2002 ben ik door de heer [X] gevraagd om te adviseren over en te assisteren bij de afwikkeling van de financiële vorderingen in het kader van de ontvlechting die ongeveer in 1999 had plaatsgevonden. [X] (
het hof begrijpt hier en in de verdere verklaringen van [Q] : de verdachte) en [R2] (
het hof begrijpt hier en in de verdere verklaringen van [Q] : [R2]) hadden blijkbaar onderling al overleg gehad over de omvang van de bedragen en de wijze waarop betaald moest worden. Mij is gevraagd dat fiscaal en juridisch te begeleiden.
In de loop van 2003 zijn de nodige zaken in de afspraken tussen partijen gewijzigd. Dit betreft dan de samenstelling van de vordering die uit meerdere elementen was opgebouwd, zoals onder andere commissies. Dat is echter fiscaal niet aantrekkelijk omdat je hier belasting over moet betalen.
Het was mij bekend dat [R2] betalingsmoeilijkheden had. Daarover heeft hij mij zelf geïnformeerd. Er waren onvoldoende liquide middelen aanwezig maar wel schuldeisers, onder wie [U] . Hij heeft die naam genoemd. Hij heeft verteld dat hij onder druk stond om te betalen.
* In een derde, op 10 juni 2004 afgelegde, verklaring [ [NAAM ONDERZOEK 1] 3.607 e.v.] zegt [Q] het volgende:
[X] vertelde mij dat de geldelijke transacties reeds met [R2] besproken waren en ook de wijze waarop dit diende te worden afgehandeld. Hierbij noemde hij tevens de titels welke aan deze betalingen ten grondslag zouden liggen. Ik heb de heer [X] aangegeven dat ik mij niet kon vinden in al de aangedragen titels vanuit mijn positie als fiscaal adviseur. De titel die ik direct heb afgewezen betrof de aankoop van een telecombuis tussen Schiphol-Rijk en Zandvoort, welke [X] eerst zou verwerven en vervolgens zou doorverkopen aan [R2] . Ik overlegde met [X] nog over de titels. Hiermee bedoel ik de redenen van de overeenkomsten.
De titels zijn:
- aflossing vordering [R3 BEDRIJF] en
- commissies ten gunste van [U3 BEDRIJF] .
Hierna heb ik aangegeven dat de voorgestelde commissie betalingen aan [U3 BEDRIJF] om fiscale en feitelijke redenen geen goede betalingsreden waren. Feitelijk was dit gebakken lucht, de reden was de afgesproken betalingen. [X] zei dat er sprake was van een totaal aan betalingen die [R2] nog verschuldigd was. Dit was in het kader van oude afspraken en deze betalingen moesten nu op korte termijn worden afgehandeld.
Op 10 april 2003 hebben [R2] en ik afgesproken bij de notaris. Ik vertegenwoordigde bij de notaris [R3 BEDRIJF] en [U3 BEDRIJF] als adviseur van [X] , in opdracht van [X] . De notaris in kwestie was [L3] . Voor de ondertekening verliet [R2] het pand. Hij zei niet bereid te zijn een stuk te ondertekenen met een dergelijke boetebepaling. Bij het vertrek was [R2] zeer ontdaan. [R2] kwam ongeveer een half uur later weer terug.
* Op 12 juni 2004 verklaart [Q] [ [NAAM ONDERZOEK] AE-I7-31] (als verdachte, de verklaring maakt deel uit van het dossier tegen de verdachte) nog het volgende:
De afspraken voor de winstverdeling inzake [A3 BEDRIJF] zijn gemaakt nadat ik had aangegeven dat ik de commissiebetalingen van [NAAM 18] aan [U3 BEDRIJF] niet logisch en uitlegbaar vond. [R2] had hiervoor al eens aangegeven dat er ook gesproken kon worden over winstrechten met betrekking tot de aandelenverkoop [R3 BEDRIJF] en [T3 BEDRIJF] IJmuiden. Ik heb nooit stukken/documenten gezien over de verkoopafspraken die [R2] en [X] hebben gemaakt ten tijde van de verkoop van de aandelen.
* [Q] heeft op 16 december 2008 als verdachte (de verklaring maakt deel uit van het dossier van de verdachte) bij de rechter-commissaris het volgende verklaard: [ [NAAM ONDERZOEK 1] 4e nazending. p. 1540 e.v.]
In de herfst van 2003 vertelde [R2] mij dat hij onder druk stond om anderen te betalen. Later, eind 2003, begreep ik van [F4] dat het om [U] en [O3] ging.
* [Q] heeft voorts als getuige op 2 maart 2009 ten overstaan van de rechtercommissaris [ [NAAM ONDERZOEK 1] 4e nazending, p. 1611 e.v.] nog het volgende verklaard:
Na het afblazen van de telecombuis moesten we de betalingen van [R2] aan [X] zo fiscaal gunstig mogelijk en binnen de grenzen van de wet verantwoorden. Het resultaat van deze besprekingen is het overzicht gemaakte afspraken.
* Een geschrift met de volgende inhoud (het zogenoemde ‘Overzicht gemaakte afspraken’): [ [NAAM ONDERZOEK 1] 3 961]
• Op [B4 BEDRIJF] Ltd. Is een bod gedaan van Dfl. 7 mio. Concept overdrachtsbalans volgt z.s.m. Het is nu nog niet bekend of [B4 BEDRIJF] als onroerende zaak vennootschap wordt aangemerkt. Om iedere discussie over overdrachtsbelasting te vermijden is het wenselijk geen der nieuwe aandeelhouders meer dan 33 1/3 % te laten houden. Graag ontvang ik een opgaaf wie de nieuwe aandeelhouders worden. In samenhang met de volgende punten wordt echter afgesproken de koopsom te stellen op
Dfl. 10 mio. Deze betaling dient zo spoedig mogelijk (direct) overgemaakt te worden aan [R3 BEDRIJF] (zie hierna). Deze transactie moet voor 1 maart zijn afgewikkeld. Aandelen worden door trust overgedragen aan op te geven aandeelhouders zodra betaling ontvangen is.
• Voor de afkoop van de winstrechten [A3 BEDRIJF] (
het hof begrijpt: [A3 BEDRIJF]) (...) ontvangt [R3 BEDRIJF]
Dfl. 15 miodirect.
• Voor een bedrag van
Dfl. 15 miowordt pandrecht gevestigd op de aandelen van Recreatiepark [NAAM 18] B.V. en [F4 BEDRIJF] B.V.. Bevestigd dient te worden dat deze beide vennootschappen aan jou behoren en dat de bezitting betreffen de aandelen in o.a. [G4 BEDRIJF] B.V. Dit pandrecht wordt gevestigd vanwege winstrecht en commissies in verband met de aankoop van de vakantieparken en de verkoop van het [X3 BEDRIJF] . Een nadere overeenkomst wordt hiervoor opgesteld en zal begin maart worden afgestemd. Deze rechten worden verstrekt aan [U3 BEDRIJF] S.A. Betaling van dit resterende bedrag dient voor 31 maart 2003 plaats te vinden. Indien dit niet het geval is worden de aandelen verbeurd aan pandnemer. Voorts is bij late betaling de boeterente ad 0,5% verschuldigd zoals eerder overeengekomen met persoonlijke garantie van jou.
• Betaling van de eerste twee bedragen dient direct plaats te vinden aan [R3 BEDRIJF] : bankrekening [NUMMER 8] . Voor [U3 BEDRIJF] S.A. volgen nog instructies.
• Bij vragen graag contact opnemen. Het totaalbedrag is iets hoger dan laatst besproken i.v.m. te maken kosten voor structurering en advisering.
Samenvartting [Samenvatting]:
Dfl. Euro
1. Betaling [B4 BEDRIJF] 7 3.176.462 (direct)
2. Extra vergoeding [B4 BEDRIJF] 3 1.361.341 (direct)
3. Winstrecht [A3 BEDRIJF] 15 6.806.703 (direct)
4. Winstrecht etc. [X3 BEDRIJF] 15 6.806.703 (voor 31 maart 2003)
* [Q] heeft als getuige ter zitting in eerste aanleg van 9 april 2010 het volgende verklaard: [p. 38 van het desbetreffende proces-verbaal]
Het ‘overzicht gemaakte afspraken’ ( [NAAM ONDERZOEK 1] 2 391 [
het hof begrijpt: [NAAM ONDERZOEK 1] 3 961]) is door mij opgesteld. Dit overzicht is het resultaat van een aantal zaken die [R2] mij had verteld toen de telecombuistransactie geen doorgang kon vinden. [R2] heeft vervolgens een aantal zaken aangedragen waarbij wel gelden aan [X] konden worden betaald. Hij heeft onder meer de commissie en de zaken in het overzicht aangedragen.
Het overzicht is gemaakt op basis van wat beide partijen mij hebben verteld. De zaken werden primair door [R2] aangedragen en dat heb ik geprobeerd schriftelijk vast te leggen.
* [Q] heeft als getuige ter zitting in hoger beroep van 5 september 2011 nog het volgende verklaard: [p. 5 e.v. van het desbetreffende proces-verbaal]
Er zijn vanaf december 2002 door [R2] betalingen verricht aan de verdachte. Ik heb een reeks betalingen gezien over de periode van één jaar, waarvan de bedragen niet bij transacties aansloten. Ik wist dat er een totaalsom was overgemaakt. Onderdeel van dit bedrag zou, in overleg met de verdachte en [F4] , de koopprijs van [B4 BEDRIJF] zijn. Ik heb zelf nooit de aansluiting kunnen maken. Vanaf het begin van 2003 zijn wij er van uitgegaan dat de eerste betalingen van [R2] betrekking hadden op het aflossen van de lening van [A3 BEDRIJF] . [F4] heeft mij op een gegeven moment een overzicht van de betalingen laten zien. Naar aanleiding van het overzicht van [F4] is vastgesteld dat er voldoende was betaald voor de overdracht van de aandelen [B4 BEDRIJF] .
Ik kreeg begin 2000 de instructie dat de aandelen van [B4 BEDRIJF] overgedragen zouden worden aan [R2] . [H4 BEDRIJF] zou aan de verdachte vragen of hij de overdracht kon bevestigen. Dit heeft de verdachte ook gedaan. Voor mij was duidelijk dat [B4 BEDRIJF] was overgedragen aan [R2] . Hij heeft daar ook wat handelingen mee verricht. Achteraf heeft hij verklaard dat hij niet de eigenaar was. Als je puur kijkt naar de certificaten en het aandeelhoudersregister is juridisch de conclusie dat de vennootschap was overgedragen aan [R2] .
Ik wist dat [R2] en de verdachte hun belangen wilden splitsen. Ik ben er daarom voor mezelf van uit gegaan dat die overdracht van vennootschappen in 2000 daar deel van uitmaakte. Omdat ik niet geïnformeerd was over betalingen, ging ik er van uit dat [B4 BEDRIJF] , [I4 BEDRIJF] en [J4 BEDRIJF] deel uitmaakten van een transactie met gesloten beurs. Ik heb later van de verdachte begrepen dat afspraken niet waren nagekomen en dat [B4 BEDRIJF] nog steeds zijn eigendom was. Het is mij niet bekend wat die afspraken inhielden. Ik weet niet of de koopsom van 7 miljoen gulden al in 1999 is afgesproken. In december 2002 is mij meegedeeld dat de koopsom van [B4 BEDRIJF] 7 miljoen gulden bedroeg.
* Ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 april 2010 [p. 4 e.v.] heeft de verdachte verklaard:
Ik heb aan [R2] gevraagd om een verklaring op te laten maken dat hij geen
aandeelhouder van [J4 BEDRIJF] en [B4 BEDRIJF] is geweest. Dat heeft hij gedaan.
* Ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 april 2010 [p. 17 e.v.] heeft de verdachte verklaard:
U vraagt mij wat ik wist van de grootte en het moment van de 10 betalingen die op het overzicht staan. Ik heb met [R2] besproken wat hij over zou maken. Het ging mij om het totaalbedrag. Op een papiertje hield ik bij wat er binnen kwam. Ik heb geen idee waar de omschrijving ‘ [OMSCHRIJVING] ’ op slaat.
* Ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 april 2010 [p. 5e.v.] heeft de verdachte ten slotte verklaard:
[U] heb ik twee keer bij [R2] thuis gezien.
Het hof acht, op grond van al het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat [R2] door [U] is afgeperst.
(…)
Ten aanzien van de geloofwaardigheid van hetgeen [R2] in woord en in geschrift heeft gezegd over de afpersing overweegt het hof nog het volgende.
[R2] heeft — volgens de desbetreffende notaris “zeer geëmotioneerd” — zich tot een notaris gewend om een verklaring af te leggen, inhoudend beschuldigingen aan het adres van anderen, met de uitdrukkelijke stipulatie dat die verklaring alleen aan de politie openbaar mocht worden gemaakt in het geval dat betrokkene zou worden geliquideerd. Het valt moeilijk aan te nemen dat een in dergelijke omstandigheden afgelegde verklaring volledig uit de lucht zou zijn gegrepen. Deze zou immers alleen enig effect kunnen sorteren in het geval dat [R2] daadwerkelijk zou worden geliquideerd. Het feit dat [R2] kort nadien is geliquideerd verleent daarmee op zich al — bij het ontbreken van enig aanknopingspunt voor de gedachte dat [R2] zich met die verklaring op onschuldigen zou willen wreken, anders dan de enkele omstandigheid dat [R2] wel eens met de term “schijtnicht” aan de verdachte schijnt te hebben gerefereerd, hetgeen voor een dergelijke verstrekkende conclusie niet voldoende is — geloofwaardigheid daaraan.
Daarbij komt dat het hof constateert dat hetgeen [R2] heeft verklaard — op zichzelf gedetailleerd en consistent, in alle van hem afkomstige bronnen — zozeer op essentiële details wordt ondersteund door andere, niet rechtstreeks op [R2] te herleiden bewijsmiddelen, dat uitgegaan mag worden van de juistheid van wat [R2] op dit punt heeft gezegd.
Het hof acht ook bewezen dat de tien in de tenlastelegging genoemde betalingen zijn verricht in het kader van die afpersing. Het hof baseert zich daarbij op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en voegt daar nog de volgende overwegingen aan toe.
Het hof maakt uit de hiervoor weergegeven dagboekaantekeningen het volgende op, daarbij
grotendeels doch niet geheel aansluitend bij hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen en geconcludeerd.[Vonnis rechtbank 8 juni 2010, p. 34 en 35.]
In de aantekeningen worden bedragen en data genoemd, die in belangrijke mate, en wat de vermeldingen op pagina 15 van de hiervoor weergegeven dagboekaantekeningen betreft, vrijwel geheel, aansluiten bij de door de verdachte ontvangen betalingen.
Zo begrijpt het hof dat op pagina 3 van de dagboekaantekeningen een overzicht van het totaalbedrag dat [R2] gedwongen zou moeten betalen, is vermeld, te weten 49.500 (
het hof begrijpt: f1. 49,5 miljoen). Het staatje lijkt voorts aan te geven wat er al betaald is en wat er nog open staat: 23.500 (
het hof begrijpt: fl. 23,5 miljoen).
Het hof leest dat er onder de noemer ‘ [B4 BEDRIJF] ’ een bedrag van 10.000 (
het hof begrijpt: fl. 10 miljoen) door [R2] is betaald en dat dit afgetrokken wordt van hetgeen aan [U] (
het hof begrijpt: [U]) betaald moet worden.
Dit bedrag sluit aan bij het door [Q] opgestelde ‘Overzicht gemaakte afspraken’, dat als eerste afspraak de betaling van fl. 10 miljoen in verband met de koop door [R2] van [B4 BEDRIJF] omschrijft.
Op deze pagina van de dagboekaantekeningen noteert [R2] eveneens dat hij voor 1 april (
het hof begrijpt: 2003) dient te betalen, omdat verdachte anders alles (de aandelen [NAAM 18] ) afneemt voor [U] (
het hof begrijpt: [U]).
Op pagina 5 van de dagboekaantekeningen schrijft [R2] over een BV die de verdachte heeft teruggenomen. Dit sluit aan bij de hiervoor opgenomen verklaring van [Q] (
“Voor mij was duidelijk dat [B4 BEDRIJF] was overgedragen aan [R2] . Hij heeft daar ook wat handelingen mee verricht. Achteraf heeft hij verklaard dat hij niet de eigenaar was. Als je puur kijkt naar de certificaten en het aandeelhoudersregister is juridisch de conclusie dat de vennootschap was overgedragen aan [R2] .”) en anderzijds bij de eveneens hiervoor opgenomen verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 april 2010 (“
Ik heb aan [R2] gevraagd om een verklaring op te laten maken dat hij geen aandeelhouder van [J4 BEDRIJF] en [B4 BEDRIJF] is geweest. Dat heeft hij gedaan.”)
Op pagina 7 van de dagboekaantekeningen schrijft [R2] met betrekking tot 22 juni (
het hof begrijpt: 2003): “Ik moet naar de Japaner in IJmuiden. [X3] belde. [U] zal daar zijn en hij is boos want hij wil geld zien van [Z3] in Frankfurt van [NAAM 18] en moet ik overmaken, naar een [NAAM 19] dat schijnt rekening te zijn van
[X]! Hij wil nog 10 mio Euro. Ik kan er maar 3 betalen en restant als boot verkocht wordt 4,5. Ontmoeting met [X3] bij Shell Station IJmuiden om 9 uur komt [U] daar. Ik kreeg brief met vragen over dat geld maar ik had geen €10 mio overgemaakt maar slechts €2.800 naar [R3 BEDRIJF] (
het hof begrijpt hier en verder: [R3 BEDRIJF] N. V.).“
Uit het overzicht van de door [R2] gedane en door de verdachte (middellijk) ontvangen bedragen van hiervoor blijkt dat er een betalingsopdracht is van 24 juni 2003 op naam van Recreatiepark [NAAM 18] BV, waarbij € 2.800.00 wordt overgemaakt naar de zogenoemde [NAAM 19 REKENING] van de verdachte bij de [NAAM BANK 11] bank. [ [NAAM ONDERZOEK 1] 2 1739]
Het hof leidt hier, met de rechtbank, uit af dat [U] op de hoogte was van een privébankrekening van de verdachte en zijn betalingen op die rekening wenste te ontvangen. Dat de verdediging kennelijk begrijpt [Pleidooi in hoger beroep, p. 125, nr. 596] en blijft begrijpen [Dupliek in hoger beroep, p, 13 nr. 57] dat de rechtbank hier concludeert dat [R2] in juni 2003 voor het eerst van [U] zou hebben gehoord dat de verdachte de zogenaamde [NAAM 19] -rekening had, berust op een onjuiste lezing van de desbetreffende overweging van de rechtbank.
Pagina 15 van de dagboekaantekeningen is weliswaar niet volledig te doorgronden, maar bevat wel een overzicht van betalingen die gelijk zijn aan de hiervoor genoemde betalingen die [R2] aan de verdachte heeft gedaan. De 1e en de 2e betaling vormen samen een bedrag van (afgerond) fl. 10 miljoen, het bedrag dat bovenaan de pagina wordt genoemd. Na 28-2 wordt een bedrag vermeld dat gelijk is aan de 3e betaling, € 3.400.000 op naam van [R3 BEDRIJF] . Na 2-4 wordt een bedrag vermeld van € 900.000, met vermelding [NAAM 23] , hetgeen overeenkomt met de 5e betaling op de rekening van [R3 BEDRIJF] .
Na 13-3 staat een bedrag van € 1.500.000 [NAAM 19] opgenomen en dat komt overeen met de 4e betaling op de zogenoemde [NAAM 19 REKENING] .
Na 26-5 staat een bedrag vermeld van € 1.500.000 -> [C4 BEDRIJF] . Dit is identiek aan de 7e betaling, afkomstig van de derdengeldrekening van [U2 BEDRIJF ] , vrijkomend uit een transactie met betrekking tot de [C4 BEDRIJF TOREN] .
Onder deze regel staat een bedrag vermeld van €450.000 Bank [R3 BEDRIJF] 21-4-2003. Het hof ziet hierin de 6e betaling vermeld.
De regel hieronder noemt een bedrag van 2800,- [NAAM 19] 26-6. Het hof is van oordeel dat hier moet worden gelezen € 2.800.000 en dat [R2] hiermee de 8e betaling verwoordt, gestort op de [NAAM 19 REKENING] .
Nagenoeg onderaan staat een bedrag vermeld van € 400.000,-- [R3 BEDRIJF] +/- 25 juli. Dit ziet naar het oordeel van het hof op de 9e betaling.
Hoewel de tiende betaling niet in de dagboekaantekeningen voorkomt, noch anderszins door [R2] genoemd wordt, merkt het hof in navolging van de rechtbank ook deze betaling als afgedwongen betaling aan, nu deze betaling blijkens de verklaring van de verdachte samenhangt met de overige betalingen en deel uitmaakt van het totaalbedrag dat [R2] aan de verdachte moest betalen [Verklaring verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 april 2010, als bewijsmiddel aangehaald].
Het hof acht deze aantekeningen, bezien in het licht van de overige bewijsmiddelen, voldoende duidelijk om deze conclusies te kunnen trekken. Dat andere aantekeningen niet, in ieder geval niet direct, in het licht van dit dossier te begrijpen zijn, maakt dat niet anders. Anders dan de verdediging ziet het hof voorts niet in dat het enkele feit dat op pagina 18 van de dagboekaantekeningen een optelling van bedragen die niet met deze zaak in verband zijn te brengen kennelijk eveneens leidt tot een totaal bedrag van € 49.500.00 voor de verdachte ontlastend zou zijn. Voor een dergelijke conclusie geven noch het dossier, noch de aantekeningen op zichzelf, aanleiding.
Voorts geldt dat uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat er sprake is geweest van willekeurige betalingen van aanzienlijke bedragen, die door [R2] op zijn betalingsopdrachten niet of van een vage omschrijving werden voorzien. Dit is een hoogst ongebruikelijke handelwijze voor een schuldenaar die er toch belang bij heeft om aan te kunnen tonen welke schulden hij heeft voldaan. Dit geldt eens te meer als daarbij fiscale overwegingen een rol spelen. Ook aan de ontvangende kant blijkt niemand in staat te zijn te zeggen op welke verplichtingen de individuele betalingen betrekking hebben. Het hof trekt hieruit de conclusie dat dit ook niet de bedoeling is geweest, aangezien het om wit te wassen criminele betalingen ging.
De verdediging heeft op dit punt nog aangevoerd dat geen conclusies kunnen worden verbonden aan het soort omschrijving dat [R2] aan zijn betalingsopdrachten gaf zolang niet duidelijk is in hoeverre [R2] gewoon was om bij betalingen aan vaste zakenpartners vage of ontbrekende omschrijvingen te vermelden. De verdediging ziet er daarbij echter aan voorbij dat hier juist geen sprake meer was van vaste zakenpartners, maar van twee mensen die volgens de verdachte hun zakelijke belangen enige jaren daarvoor bewust hadden gescheiden en behoudens deze betalingen zakelijk niets meer met elkaar te maken hadden. In die situatie liggen vage of ontbrekende omschrijvingen bij betalingen, wanneer die dan na enige jaren eindelijk worden gedaan, niet voor de hand.
De verdediging heeft getracht het bewijs van afgedwongen betalingen ten bate van [U] te ontkrachten en heeft daartoe veel werk gemaakt van het, met name ook boekhoudkundig, uiteenzetten hoe de betalingen aan de hand van bestaande verplichtingen van [R2] jegens [X] kunnen worden uitgelegd.
Een en ander heeft het hof echter niet overtuigd.
Indien hier sprake was geweest van reguliere betalingen in het economisch verkeer, en wel tot een totaal van ruim 17 miljoen euro, had verwacht mogen worden dat er onderliggende stukken zouden zijn, daterend uit de periode waarin de afspraken waarop deze betalingen zouden zijn terug te leiden zijn gemaakt, te weten 1998/1999, waaruit verschuldigdheid en prestatie duidelijk naar voren komen, en waarbij een duidelijke en directe relatie is te leggen met de verrichte betalingen. Direct valt dan op dat anders dan de notariële akte van 31 december 1999 [ [NAAM ONDERZOEK 1] 2 3762, 2 3890 en 2 3891] (inhoudend de overdracht van de aandelen [A3 BEDRIJF] van de aan de verdachte toebehorende onderneming [R3 BEDRIJF] aan [K4 BEDRIJF] ) en de daarop volgende overdracht van die aandelen nooit enig schriftelijk stuk naar voren is gekomen waarin de afspraken die de verdachte stelt in 1998 of 1999 met [R2] te hebben gemaakt, en op welke afspraken alle betalingen terug te voeren zouden zijn, zijn opgeschreven, hoewel de verdachte verklaart dat een dergelijk stuk er wel is geweest. Uiteraard kunnen stukken zoek raken. Onverklaarbaar vindt het hof echter, dat de verdachte, toen [Q] opdracht kreeg deze betalingen in goede banen te leiden, niet de beschikking heeft gekregen over dit stuk, waarbij de verdachte zelfs heeft verklaard (ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 april 2010, als hiervoor weergegeven) dat verstrekking van het toen kennelijk nog wel voorhanden zijnde stuk aan [Q] niet aan de orde was. Tevens is onaannemelijk dat de verdachte niet meer zou weten of dit stuk in het ongerede is geraakt of dat hij het heeft weggegooid. Het hof gelooft derhalve niet dat dit stuk ooit heeft bestaan en dat de gestelde afspraken destijds zijn gemaakt.
De verdediging heeft er op gewezen dat [Q] ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat het in het door hem opgestelde ‘overzicht gemaakte afspraken’ genoemde winstrecht al sinds 1999 bestond en dat zowel de verdachte als [R2] hem dat hebben verteld. Het hof kan echter geen voor de verdachte ontlastende betekenis aan deze mededeling hechten. Enerzijds is de bron van die informatie de verdachte, die er belang bij had om te versluieren waarop de betalingen echt betrekking hadden en daartoe nu juist [Q] had aangezocht. Anderzijds is het [R2] , die in die periode, zo blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, actief deelnam aan de pogingen plausibele verklaringen te vinden voor de betalingen en daartoe ook ideeën aandroeg. Het hof acht een en ander daarom onvoldoende om aan te nemen dat er in 1999 al afspraken waren gemaakt over bedoeld winstrecht, al kon dat achteraf gezien wel als plausibel worden geconstrueerd.
Verder komt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen duidelijk het volgende beeld naar
voren: er zijn betalingen gedaan die boekhoudkundig niet zijn thuis te brengen, maar die aan
beide zijden, zowel bij de betaler als bij de betaalde, wel boekhoudkundig moesten worden
verwerkt, en wel aldus dat een en ander geen vragen zou oproepen bij een eventuele controle. Daartoe moesten onderliggende verplichtingen aangedragen of gezocht worden, daar is het nodige overleg voor nodig geweest en zelfs speciaal iemand voor aan het werk gezet, namelijk [Q] . Sommige “kandidaat-verplichtingen” zijn hangende het proces afgevallen. Deze hele gang van zaken past bij het zonder argwaan te wekken in de boekhouding verstoppen van criminele betalingen, en niet bij het voldoen van reguliere betalingen in het economisch verkeer. Dat de achteraf gevonden betalingstitels op grond van de zakelijke verhoudingen in 1998/1999 tussen de verdachte en [R2] , ook boekhoudkundig, nog wel in meer of mindere mate aannemelijk zijn te maken, doet aan het voorgaande niet af. Een noodzaak tot het alsnog toegang verlenen van de verdediging tot de gedigitaliseerde administratie van [R2] doet zich op dit punt dan ook niet voor.
Overigens blijft wat het hof betreft overeind dat in ieder geval aan de betalingstitels [B4 BEDRIJF] en de winstrechten [A3 BEDRIJF] de nodige gebreken kleven. Zo lijkt toch duidelijk te zijn dat [B4 BEDRIJF] in 2000 aan [R2] is overgedragen, gelet ook op de hiervoor aangehaalde verklaring ter terechtzitting in hoger beroep van 5 september 2011 van [Q] op dit punt en erkent de verdachte dat hij in 2002 [R2] heeft gevraagd te verklaren dat deze geen aandeelhouder van [J4 BEDRIJF] en [B4 BEDRIJF] is geweest. Evenzeer blijft overeind dat in de hiervoor genoemde notariële akte van 31 december 1999 is uitgesloten dat er nog aanspraak zou kunnen worden gemaakt op enige winstuitkering. Hoe dat ook zij, een en ander is niet relevant nu het hof bewezen acht dat er van achteraf geconstrueerde dan wel erbij gezochte betalingstitels sprake is die onder de 10 betalingen zijn geschoven, en dat deze 10 betalingen niet zijn terug te voeren op in 1998/1999 gemaakte afspraken.
De verdediging ziet er voorts aan voorbij, waar zij de omstandigheid dat verschillende getuigen hebben verklaard dat [R2] de verdachte tot vlak voor zijn dood om leningen vroeg als ontlastend opvoert, dat een dergelijk gegeven juist heel goed past bij de situatie dat de betalingen die [R2] aan de verdachte deed (uiteindelijk) niet voor de verdachte bestemd waren, maar voor [U] . Dat de pogingen van [R2] om in zijn (betalings)nood op alle mogelijke manieren aan geld te komen om aan de eisen van [U] te voldoen tevens het vragen van leningen aan degene aan wie hij zijn betalingen aan [U] moest doen omvatten, acht het hof geenszins onaannemelijk.
Het vorenstaande brengt het hof tot de conclusie dat de verdachte willens en wetens door [R2] betaalde geldbedragen die door [U] ten behoeve van zichzelf waren afgedwongen. heeft verworven en voorhanden heeft gehad en dat aldus gezegd kan worden dat hij dit verwerven en voorhanden hebben tezamen en in vereniging met [U] heeft gedaan. Doordat verdachte dit feit gedurende een lange periode en door middel van diverse transacties heeft begaan, acht het hof in navolging van de rechtbank bewezen dat sprake is van (het medeplegen van) gewoontewitwassen.
De verdediging heeft nog verzocht om inzage in het dossier met betrekking tot de moord op [R2] , het zogenaamde [NAAM ONDERZOEK 1] NN-dossier, thans om het ontbreken van contacten tussen [U] en [X] verder aannemelijk te maken.
Een verzoek tot inzage c.q [c.q.] voeging van die stukken in het dossier van de onderhavige zaak is eerder gedaan bij gelegenheid van de regiezitting en op 10 juni 2011 door het hof afgewezen.
Voor zover de verdediging meent dat het hof daarmee niet heeft beslist op het (subsidiaire) verzoek tot inzage van dat dossier herhaalt het hof hier de op 10 juni 2011 gehanteerde overweging tot afwijzing van het verzoek tot voeging in verband met het verzoek tot inzage:
dat het verzoek tot het voegen van de stukken uit het onderzoek [NAAM ONDERZOEK 1] NN in het onderhavige dossier wordt afgewezen nu dit naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet van belang is voor de verdediging. Enerzijds gaat het bij [NAAM ONDERZOEK 1] NN om een nog lopend onderzoek, anderzijds heeft het openbaar ministerie meegedeeld — en deze mededeling is niet door de verdediging betwist dat alle voor dit onderzoek van belang zijnde stukken met betrekking tot de in de tenlastelegging betrokken titels en betalingen uit [NAAM ONDERZOEK 1] NN zich al in het dossier bevinden;
en overweegt thans aanvullend dat na “verzoek tot het voegen van de stukken uit het onderzoek [NAAM ONDERZOEK 1] ” gelezen dient te worden: “dan wel inzage in die stukken,”.
Met betrekking tot het bij pleidooi eveneens gedane verzoek tot inzage in bedoeld dossier om het ontbreken van contacten tussen [U] en [X] verder aannemelijk te maken overweegt het hof als volgt.
Het hof ziet geen noodzaak om in dat verband (de verdediging) inzage te laten nemen in het [NAAM ONDERZOEK 1] NN-dossier omdat de verdediging niet heeft onderbouwd op welke wijze inzage zou kunnen leiden tot het door de verdediging gewenste doel: iets vinden dat er niet zou zijn. In het licht van de hiervoor reeds in het kader van de financiële administratie van [R2] uit het [NAAM ONDERZOEK 1] NN-dossier gememoreerde mededeling van het openbaar ministerie over de wijze waarop tussen de verschillende onderzoeksteams contacten hebben bestaan en dat gedegen onderzoek heeft plaatsgehad naar alles dat — belastend en ontlastend — zou kunnen zijn, is onvoldoende gebleken dat aan die mededeling twijfel zou moeten bestaan.
De verdediging wenst voorts kennis te nemen van de digitaal beschikbare administratie van [R2] , zoals deze kennelijk ter beschikking van justitie is. Het hof verwijst op dit punt naar hetgeen het elders in dit arrest overweegt en beslist ten aanzien van het verzoek tot voeging van het dossier [NAAM ONDERZOEK 1] NN in het dossier van de verdachte dan wel het verlenen van inzage in het dossier [NAAM ONDERZOEK 1] NN aan de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Ten aanzien van feit 1
hij in de periode van 1 december 2002 tot en met 31 januari 2004,
te Amsterdam en/of [PLAATSNAAM 11] en/of elders in Nederland en/of in Zwitserland en/of op de Kanaaleilanden (zijnde Kroonbezit van het Verenigd Koninkrijk) en/of op de Nederlandse Antillen,
telkens tezamen en in vereniging met een ander,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,
immers hebben hij, verdachte en zijn mededader op of omstreeks de navolgende tijdstippen
de hierna te noemen geldbedragen tot een totaalbedrag van ongeveer EUR 17.068.165,-- verworven en voorhanden gehad, te weten de navolgende geldbedragen:
1. een geldbedrag van EUR 3.176.461,50 (ontvangen op of omstreeks 30 december 2002) en
2. een geldbedrag van EUR 1.361.340,60 (ontvangen op of omstreeks 10 januari 2003) en
3. een geldbedrag van EUR 3.400.000,-- (ontvangen op of omstreeks 28 februari 2003) en
4. een geldbedrag van EUR 1.500.000,-- (ontvangen op of omstreeks 14 maart 2003) en
5. een geldbedrag van EUR 900.000,-- (ontvangen op of omstreeks 2 april 2003) en
6. een geldbedrag van EUR 450.000,-- (ontvangen op of omstreeks 23 april 2003) en
7. een geldbedrag van EUR 1.499.920,28 (ontvangen op of omstreeks 27 mei 2003) en
8. een geldbedrag van EUR 2.800.000,-- (ontvangen op of omstreeks 26 juni 2003) en
9. een geldbedrag van EUR 400.000,-- (ontvangen op of omstreeks 21 juli 2003) en
10. een geldbedrag van USD 2.000.000 vertegenwoordigende een tegenwaarde van ongeveer EUR 1.580.373) (ontvangen op of omstreeks 7 januari 2004),
zulks terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat die geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf;
Oplegging van straf
(…)
Allereerst heeft de verdachte zich, samen met een ander, schuldig gemaakt aan het witwassen van een tiental omvangrijke, van afpersing van [R2] afkomstige, geldbedragen ter hoogte van in totaal € 17.068.165,-. De verdachte wist dat deze bedragen van misdrijf afkomstig waren, maar heeft desondanks de bedragen verworven en voorhanden gehad. Daarmee heeft hij de criminele herkomst van het geld onttrokken aan het zicht van justitie. De door zijn mededader op grove en voor [R2] en diens naasten zeer bedreigende wijze afgedwongen betalingen zijn door de verdachte op een buitenlandse coderekening en twee bankrekeningen van aan hem gelieerde rechtspersonen ontvangen, waarbij de aard van de betalingen is verhuld door daaraan valse betalingstitels te geven en bij de overboeking nietszeggende omschrijvingen te gebruiken.
Er is naar constructies gezocht om de werkelijke redenen van de tien betalingen door [R2] blijvend onzichtbaar te maken en de betalingen de schijn van legitimiteit mee te geven. Door de verdachte zijn zodoende ook anderen betrokken bij zijn criminele daden. De verdachte heeft zich actief bezig gehouden met het bijhouden en controleren van deze betalingen en het binnen enkele dagen doorboeken van de ontvangen gelden. Door aldus te handelen heeft de verdachte de afpersing van [R2] gefaciliteerd. Het hof neemt in aanmerking dat politie en justitie deze witwasconstructie slechts hebben kunnen traceren ten gevolge van de gewelddadige dood van [R2] . Pas toen zijn diens nagelaten stukken en de achterbankgesprekken boven tafel gekomen en kon naar aanleiding daarvan een strafrechtelijk onderzoek worden ingesteld.”