Belanghebbende, een commanditaire vennootschap, maakte aanspraak op vergoeding van proceskosten die waren gemaakt door G. Veldhuisen, bestuurder van de beherend vennoot en tevens beroepsmatig rechtsbijstandsverlener via zijn onderneming Juradvin. De rechtbank wees dit af omdat zij oordeelde dat de proceshandelingen door belanghebbende zelf waren verricht en dat Veldhuisen niet als derde kon worden aangemerkt.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat Veldhuisen in zijn hoedanigheid van beroepsmatig rechtsbijstandsverlener niet met de vennootschap kon worden vereenzelvigd, waardoor recht op vergoeding van kosten bestond. Het hof oordeelde dat Veldhuisen ter zitting optrad als beroepsmatig rechtsbijstandsverlener en niet als bestuurder van de beherend vennoot, waardoor de proceskostenvergoeding terecht werd gevorderd.
Het hof vernietigde het oordeel van de rechtbank over de proceskostenvergoeding, wees de vergoeding toe tot een bedrag van €605,50 en droeg de ontvanger op het betaalde griffierecht van €501 aan belanghebbende te vergoeden. Het geschil betrof uitsluitend de vraag of proceskosten voor vergoeding in aanmerking kwamen, waarbij ook kosten voor KvK-uittreksels werden meegenomen.
De uitspraak benadrukt de uitzondering dat een bestuurder die tevens beroepsmatig rechtsbijstand verleent en zich als zodanig opstelt, niet met de vennootschap wordt vereenzelvigd voor proceskostenvergoeding. Dit leidt tot een ruimere vergoeding van kosten in bestuursrechtelijke procedures.