Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
Hof: tevens aan te merken als een bezwaar tegen de verliesvaststellingsbeschikking) – bij uitspraak van 4 mei 2016 de aanslag en de verliesvaststellingsbeschikking gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep bij de rechtbank ingesteld.
De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Namens de inspecteur zijn verschenen mrs. B. Meier en G.K.R. Peek. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2.2. Feiten
[persoon X] op de gemeente eind 2002 zijn verjaard. Hiertegen is geen beroep in cassatie ingesteld.
(…)
4.4. De gemeente heeft een beroep gedaan op de korte en de lange verjaringstermijn. Het verjaringsberoep van de gemeente is door [appellant] bestreden. Hij heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat de korte verjaringstermijn niet is gaan lopen omdat de gemeente de opeisbaarheid van de schadevordering verborgen heeft gehouden. [appellant] ging zelf ervan uit dat de transacties in de jaren zeventig hadden plaatsgevonden, onderzoek lag niet in de rede, terwijl eenvoudig onderzoek niet mogelijk was. De lange verjaringstermijn is gestuit door de brief van 6 september 2002, de instelling van de procedure op 21 februari 2003 en de e-mails van 24 april 2003 en 8 november 2005, evenals in het processtuk van 7 juni 2007, een e-mail van 22 januari 2012, de memorie na deskundigenbericht van 22 mei 2012. Bovendien is de (lange) verjaringstermijn op grond van artikel 3:321 lid 1 sub f BW Pro verlengd, nu de gemeente tot juli 2013 heeft gezwegen over het moment van de over de percelen plaatsgevonden transacties, aldus [appellant].
[appellant] heeft in deze procedure een overzichtskaart van de ‘[percelen]’ in het geding gebracht en gesteld noch gebleken is dat deze (door hem gestelde) ligging van de ‘[percelen]’ in 1997 bij hem niet bekend waren. Voorts staat vast dat zich op deze grond zichtbaar bebouwing bevindt.
Bij deze stand van zaken had het naar het oordeel van het hof op de weg van de tot het naastingsrecht gerechtigde gelegen om door bezichtiging van de desbetreffende percelen en (beperkt) kadastraal onderzoek van de bebouwing op de hoogte te geraken van de in verband daarmee plaatsgevonden verkopen. Van de zijde van [appellant] is ter zitting bovendien verklaard dat hij de percelen destijds heeft bezocht. Naar het oordeel van het hof moest [appellant] ook in staat worden geacht het (beperkte) benodigde onderzoek te doen. Vast staat immers dat [appellant] civiel advocaat is en zijn vader jurist was.
[appellant] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat het gaat om zodanig omvangrijk kadastraal onderzoek dat dit van hem dan wel zijn rechtsvoorganger desondanks niet had kunnen worden gevergd. Uit de enkele opmerking van [appellant] tijdens het pleidooi dat het voor het kadaster een te groot aantal percelen betrof om uit te zoeken, volgt niet dat enig beperkt onderzoek onmogelijk zou zijn geweest of niet gevergd kon worden. Dit (beperkte) onderzoek heeft hij toen nagelaten te verrichten en het feit dat hij – blijkens zijn eigen stellingen (pleitnota in hoger beroep, onder 21) overigens pas in 2002 – door een inlichting van een bevriende makelaar op het verkeerde been is gezet doordat deze hem heeft verteld dat bebouwing in de jaren ’70 had plaatsgevonden waaruit [appellant] de gevolgtrekking heeft gemaakt dat de vordering verjaard zou zijn, dient naar het oordeel van het hof voor zijn rekening te blijven. Dat de gemeente in 1997 het bestaan van het recht betwistte, is onvoldoende om te oordelen dat van hem toen dit (beperkte) onderzoek niet kon worden gevergd.
Het hof voegt hieraan ten overvloede toe dat het door [appellant] jegens de gemeente gedane beroep op artikel 3:23 BW Pro hem (dan wel zijn rechtsvoorganger) als verkrijger van het naastingsrecht op zijn beurt kan worden tegengeworpen ten aanzien van de uit de kadasters blijkende gegevens over de (data van de) op de desbetreffende percelen plaatsgevonden transacties en de daarbij betrokken partijen.
(…)
3.Geschil in hoger beroep
Volgens belanghebbende dient het verlies van het jaar 2013 te worden vastgesteld op
4.4. Beoordeling van het geschil4.1. De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen en beslist:
Nu het hof op dit punt ook geen aanleiding ziet ambtshalve bewijs op te dragen, zijn de onderhavige vorderingen van [persoon X] ook om deze reden niet toewijsbaar.
[vader persoon X] beschikte over kennis en ervaring met betrekking tot onroerend goed en zou in staat zijn geweest de aankoop te financieren, aldus nog steeds belanghebbende.
Het Hof vraagt naar mijn standpunt aangaande de vraag van wie deze brief is. De brief is vanwege belanghebbende uitgegaan. Op de brief staat namelijk als ‘
Office adress’ het adres [a straat] te [Z] , welk adres correspondeert met het adres dat is vermeld in de definitieve dagvaarding; in de dagvaarding staat ‘
woonplaats kiezende ten kantore van [belanghebbende] te [Z] aan de [a straat].’
De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen(HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0694, NJ 2003/300). Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Dit houdt niet in dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is vereist dat de benadeelde – behalve met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon – daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden (HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1739, NJ 2006/115). Dit betekent evenmin dat is vereist dat de benadeelde steeds ook met de (exacte) oorzaak van de schade bekend is (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8903, NJ 2006/113). Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden (HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3240, NJ 2015/207). (Zie voor het voorgaande ook HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4850, NJ 2012/193 en HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112)”
Naar het oordeel van het Hof biedt het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden en hetgeen belanghebbende heeft gesteld voldoende grond om aannemelijk te achten dat [persoon X] eerst na juli 1997 (daadwerkelijk) met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Nu voorts de inspecteur in zijn pleidooi ter zitting van het Hof heeft verklaard dat de eerste werkzaamheden van belanghebbende in de naastingsrechtkwestie ten behoeve van [persoon X] in juli 2002 hebben plaatsgevonden, acht het Hof het aannemelijk dat de verjaringstermijn toen nog niet was verstreken; de verjaringstermijn is met andere woorden eerst verstreken nadat belanghebbende als lid van de Advocatenmaatschap [naam maatschap] voor hem is gaan optreden.
Nu echter de inspecteur dit standpunt ter zitting van het Hof expliciet en ondubbelzinnig heeft verlaten, en belanghebbende de in het verweerschrift in eerste aanleg door de inspecteur ingenomen stelling ook in hoger beroep gemotiveerd heeft betwist, zou het Hof buiten de rechtsstrijd treden door (ambtshalve) het in eerste aanleg door de inspecteur ingenomen standpunt als subsidiair standpunt van de inspecteur aan te merken en te behandelen.
4.4.7. Het hiervoor overwogene brengt het Hof tot de conclusie dat de door belanghebbende gestelde voorziening op haar bedrijfsuitoefening betrekking heeft. Tevens houdt het hiervoor overwogene in dat de gestelde voorziening betrekking heeft op uitgaven die hun oorsprong vinden in feiten of omstandigheden die zich in de periode voorafgaand aan de balansdatum hebben voorgedaan en ook overigens aan die periode kunnen worden toegerekend.
opbrengsten uit latere verkopen: € 3.242.880,70,
te betalen en te genieten (wettelijke) rente: € 892.522,75,
waarde onverkochte percelen (prijspeil 2015): € 6.643.566,24
Schade: € 7.304.947,13
2. Een tweede berekening paste het wettelijk percentage toe dat sedert 1984 voor de heffing van de Dertiende penning bij grondtransacties mocht worden gerekend, nl 11% van de grondtransactie. Ter toelichting diene het volgende: het recht van nakoop gaf de mogelijkheid om grondtransacties over te nemen. Dit recht was in naburige heerlijkheden gekoppeld aan het zogenaamde recht van de dertiende penning. Vonden grondtransacties plaats dan kon de gerechtigde of de dertiende penning heffen of gebruik maken van naasting (nakoop is een vorm van naasting). De twee rechten waren a.h.w. communicerende vaten. Werd de dertiende penning geheven dan kon er niet worden genaast; werd er genaast dan werd de dertiende penning niet geheven. Naastingsrecht en recht van dertiende penning zijn zodanig met elkaar verweven dat de wetgever in 1984 de schadevergoeding voor de afschaffing van de dertiende penning mede aanmerkte als de schadevergoeding voor de daarmee verbonden naastingsrechten. Ofschoon aan het recht van nakoop van de heer [persoon X] het recht van de dertiende penning niet was verbonden, geeft het wel een goed inzicht voor de berekening van de schadevergoeding. Immers, was het recht van de dertiende penning toepasbaar dan had de Gemeente kunnen verkopen en door middel van betaling van de dertiende penning de naasting door de ambachtsheer [Y] kunnen voorkomen. De schade is dan per 1 januari 2014 te berekenen op € 854.908,17.
(€ 75.082,44) verworven. De Gemeente heeft als opbrengst bij de verkoop in 1988-1991 een bedrag ontvangen van fl 3.722.015,63 (€1.688.976,25), exclusief BTW (…). Deze opbrengst minus de verwervingsprijs leidde tot een positief resultaat van € 1.613.893,81.” (beroepschrift p. 7).
Voorts heeft de inspecteur gesteld dat het in de civiele procedure alleen ging over grond met perceelnummer [xxx].
De stelling van de inspecteur dat de standaardvoorwaarden van belanghebbende de gestelde aansprakelijkstelling casu quo schade uitsluiten, faalt, omdat deze stelling ter zitting gemotiveerd is betwist en de inspecteur daar verder niet op heeft gereageerd.
5.5. Kosten
€ 2.362,50 = [(beroepschrift 1 + conclusie van repliek 0,5 + verschijnen ter zitting rechtbank 1 + hogerberoepschrift 1 + verschijnen ter zitting Hof 1) x 1 (zwaarte) x € 525].
6.6. Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijzigt de verliesvaststellingsbeschikking tot een naar een vastgesteld verlies van het jaar 2013 van € 813.139;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 2.362,50, en
- gelast dat de inspecteur de door belanghebbende betaalde griffierechten van in totaal