ECLI:NL:GHAMS:2026:752

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
200.349.871/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Richtlijn 93/13/EEGArt. 6:2 BWArt. 6:231 BWArt. 6:233 onder a BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over oneerlijkheid huurprijswijzigingsbedingen in huurovereenkomst woonruimte

In deze zaak is hoger beroep ingesteld door woningstichting Eigen Haard tegen een vonnis van de kantonrechter Amsterdam waarin een deel van de huurachterstand werd afgewezen vanwege oneerlijke huurprijswijzigingsbedingen. De huurovereenkomst betreft een woonruimte met een aanvangshuurprijs van € 950,- netto en € 992,53 inclusief servicekosten.

Het hof toetst ambtshalve de huurprijswijzigingsbedingen aan de Richtlijn oneerlijke bedingen en het Burgerlijk Wetboek. Het CPI-indexatiebeding wordt als eerlijk beoordeeld omdat het enkel de geldontwaarding compenseert en transparant is. Het opslagbeding, dat een jaarlijkse verhoging van maximaal 5% bovenop de CPI-indexering toestaat, wordt als oneerlijk aangemerkt vanwege onvoldoende transparantie, het ontbreken van een opzeggingsmogelijkheid voor de huurder en de aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen.

Het hof vernietigt het opslagbeding en stelt dat huurverhogingen op basis daarvan vervallen. Eigen Haard krijgt de gelegenheid zich uit te laten over andere huurprijswijzigingsbedingen die het hof ook voornemens is te vernietigen. De beslissing over het proceskostenbeding wordt aangehouden in afwachting van een prejudiciële uitspraak van het HvJEU. De subsidiaire vordering tot wijziging van de huurovereenkomst wordt afgewezen wegens procedurele en inhoudelijke gronden.

Uitkomst: Het hof vernietigt het opslagbeding als oneerlijk en handhaaft het CPI-indexatiebeding; verdere beoordeling van andere bedingen en proceskosten wordt aangehouden.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.349.871/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 10979729 CV EXPL 24-2535
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 maart 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. H.M. Hielkema te Utrecht,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [plaats] ,
geïntimeerde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna Eigen Haard en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

In deze zaak heeft de kantonrechter de door verhuurder gevorderde huurachterstand gedeeltelijk afgewezen op grond van het ambtshalve gegeven oordeel dat het in de algemene voorwaarden opgenomen huurprijswijzigingsbeding oneerlijk is.
Het hof acht, anders dan de kantonrechter, het beding op grond waarvan de huurprijs aan de hand van de CPI wordt geïndexeerd, niet oneerlijk. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat het opslagbeding (op grond waarvan de huurprijs jaarlijks bovenop de CPI-indexering met maximaal 5% kan worden verhoogd) oneerlijk is en vernietigd moet worden. Eigen Haard wordt in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de (on)eerlijkheid van een aantal andere huurprijswijzigingsbedingen, die het hof voorshands ook voornemens is te vernietigen. Vooralsnog is slechts toewijsbaar de huurachterstand uitgaand van volgens de CPI-index verhoogde huur. De algemene voorwaarden bevatten tevens een beding op grond waarvan bij niet-nakoming alle gerechtelijke kosten voor rekening van de niet-nakomende partij komen. Dat beding acht het hof voorshands ook oneerlijk. Omdat de Hoge Raad over de gevolgen van de vernietiging van een kostenbeding met betrekking tot de gerechtelijke kosten een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, houdt het hof de beslissing over de proceskosten in hoger beroep aan.

2.Het geding in hoger beroep

Eigen Haard is bij dagvaarding van 4 mei 2024 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 9 april 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam , onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Eigen Haard als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend.
Eigen Haard heeft daarna een memorie van grieven, met een productie, ingediend.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis geen feiten vastgesteld. Het hof gaat uit van de volgende feiten, die door Eigen Haard zijn gesteld en die niet zijn weersproken.
3.1
[geïntimeerde] huurt sinds 11 januari 2017 van Eigen Haard de woning aan het adres [straat] [nummer] te [plaats] . De netto aanvangshuurprijs was € 950,- per maand. Inclusief servicekosten bedroeg de aanvangshuurprijs € 992,53 per maand. De huur is bij vooruitbetaling verschuldigd. Per datum bestreden vonnis was de netto huurprijs verhoogd naar € 1.103,18, de bruto huurprijs naar € 1.142,81.
3.2
Op de huurovereenkomst zijn de Algemene voorwaarden woonruimte (1 oktober 2008) van Eigen Haard van toepassing. In de huurovereenkomst en in de algemene voorwaarden staan bedingen over een jaarlijkse verhoging van de huurprijs en over de vergoeding van gerechtelijke kosten bij niet-nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst.
3.3
Er is een achterstand ontstaan in de huurbetalingen. Eigen Haard heeft [geïntimeerde] op 7 juli 2023 schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. Hij heeft daarop niet afwijzend gereageerd, waarna Eigen Haard hem op 17 augustus 2023 bij de gemeente heeft aangemeld in het kader van vroegsignalering.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1
Eigen Haard heeft bij de kantonrechter gevorderd, samengevat, de huurovereenkomst te ontbinden en [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 9.139,- aan huurachterstand tot en met 29 februari 2024, te vermeerderen met wettelijke rente en € 1.142,81 voor iedere volgende maand dat [geïntimeerde] het gehuurde in gebruik houdt, met zijn veroordeling in de proceskosten.
4.2
De kantonrechter heeft een bedrag van € 3.111,44 aan huurachterstand toegewezen, evenals de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. De gevorderde huurachterstand is afgewezen voor zover die was gebaseerd op huurprijsverhogingen in het verleden. Ten slotte heeft de kantonrechter de proceskosten gecompenseerd.
4.2.1
De kantonrechter heeft daartoe - ambtshalve toetsend - geoordeeld dat de in de in de artikelen 6.2 t/m 6.4 van de huurovereenkomst opgenomen huurprijswijzigingsbedingen oneerlijk zijn in de zin van artikel 3 lid 1 Richtlijn Pro 93/13/EEG (Richtlijn oneerlijke bedingen).
4.2.2
Het beding op grond waarvan de huurprijs jaarlijks wordt geïndexeerd op grond van de CPI-index is volgens de kantonrechter in beginsel eerlijk, maar artikel 6.4 van de huurovereenkomst maakt het mogelijk om daar bovenop nog ieder jaar 5% verhoging aan te zeggen. Daardoor is het evenwicht in strijd met de goede trouw ten nadele van [geïntimeerde] als consument aanzienlijk verstoord. Ook overigens voldoet het beding volgens de kantonrechter niet aan de voorwaarden die het Europese recht stelt, omdat een geldige grond voor de jaarlijkse wijziging met 5% bovenop de inflatiecorrectie ontbreekt. Daardoor is [geïntimeerde] overgeleverd aan de willekeur van Eigen Haard.
4.2.3
Gevolg van de oneerlijkheid van de bedingen is volgens de kantonrechter dat deze volledig buiten toepassing moeten worden gelaten. Dat betekent dat de huurprijs vanaf aanvang huurovereenkomst niet kon worden gewijzigd. Deze is dus gelijk gebleven aan de aanvangshuurprijs (bruto € 992,53 per maand). De huurachterstand is met inachtneming van dit bedrag toegewezen.

5.Vordering in hoger beroep

Eigen Haard vordert, na eiswijziging, primair, vernietiging van het bestreden vonnis voor zover daarbij haar vordering tot betaling van de huurpenningen is afgewezen en toewijzing, alsnog, van die vordering. Subsidiair, namelijk voor het geval het hof de artikelen 6.3 en 6.4 van de algemene voorwaarden vernietigt / buiten toepassing verklaart, vordert Eigen Haard wijziging van de huurovereenkomst in die zin dat de huur jaarlijks per 1 juli wordt aangepast op door het hof in goede justitie te bepalen wijze, met terugwerkende kracht vanaf de aanvang van de huurovereenkomst. Een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.

6.Beoordeling

6.1
Met
grieven I, II en IIIricht Eigen Haard zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de huurprijswijzigingsbedingen oneerlijk zijn en dat de huurvordering daarom niet toewijsbaar is, voor zover die is gebaseerd op de huurverhogingen in het verleden. Met
grief IVstelt Eigen Haard zich op het standpunt dat de kantonrechter de proceskosten ten onrechte heeft gecompenseerd, in plaats van [geïntimeerde] daarin te veroordelen.
De verplichting tot ambtshalve toetsing
6.2
Eigen Haard heeft in de eerste plaats betoogd dat de ambtshalve toetsing van huurprijswijzigingsbedingen die sinds 2023 bij met name de rechtbank Amsterdam plaatsvindt, nieuw beleid is. Voorheen werd daarop nooit getoetst. Eigen Haard is door dit nieuwe beleid overvallen, is het er (inhoudelijk) niet mee eens en kon dit bij de totstandkoming van de huurovereenkomst ook niet voorzien. Dat dit beleid evident kolossale gevolgen heeft voor Eigen Haard en voor de Nederlandse samenleving als geheel, is blijkens die rechtspraak kennelijk niet relevant. Uit het feit dat de kantonrechter Amsterdam prejudiciële vragen heeft moeten stellen aan de Hoge Raad over dit onderwerp, blijkt wel dat de rechtbank zelf ook niet helemaal zeker weet of het nieuwe beleid rechtens volledig juist is, aldus Eigen Haard.
6.3
Het hof begrijpt dit betoog aldus dat Eigen Haard meent dat ambtshalve toetsing in dit geval achterwege (had) moet(en) blijven. Dat betoog gaat niet op. [geïntimeerde] , als huurder van woonruimte, moet worden aangemerkt als consument in de zin van het Europese recht. Op grond van vaste rechtspraak is de rechter in dat geval
- ook ambtshalve - verplicht te toetsen of aan de vordering bedingen ten grondslag (kunnen) liggen die oneerlijk zijn in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. [1] Als de rechter tot de conclusie komt dat bedingen oneerlijk zijn, moet hij deze op grond van artikel 6 lid 1 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen in beginsel buiten toepassing laten. [2] Als de rechter nalaat ambtshalve te toetsen, kan de Staat aansprakelijk worden gehouden. [3] Dat vóór 2023 in huurzaken nog geen ambtshalve toetsing plaatsvond, betekent niet dat die toetsing nu niet meer zou kunnen en moeten plaatsvinden.
6.4
Vanaf de invoering van de Richtlijn oneerlijke bedingen had aan de bepalingen daarvan uitvoering moeten worden gegeven. Het is Eigen Haard zelf die daarvoor verantwoordelijk is, ook als in de rechtspraak dergelijke bedingen nog niet zijn getoetst.
De huurprijswijzigingsbedingen
6.5
Ook het hof moet dus ambtshalve toetsen of de huurprijswijzigingsbedingen oneerlijk zijn in de zin van artikel 3 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen. Deze richtlijn is geïmplementeerd in artikel 6:231 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW).
De prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 29 november 2024
6.6
De Hoge Raad heeft op 29 november 2024 - in reactie op door de kantonrechter Amsterdam in een andere zaak gestelde prejudiciële vragen - een beslissing gegeven over, in de kern, de vraag of een in de geliberaliseerde sector gehanteerd huurprijswijzigingsbeding met een opslag van
maximaal 3%naast een op de CPI gebaseerd indexatiebeding oneerlijk is als bedoeld in de Richtlijn oneerlijke bedingen (hierna: de prejudiciële beslissing). [4] De Hoge Raad oordeelde onder meer:
  • dat het indexatiebeding en het opslagbeding apart op oneerlijkheid moeten worden getoetst;
  • dat een opslagbeding als zodanig niet is aan te merken als oneerlijk en een beding dat voorziet in een opslag van maximaal 3% evenmin, omdat dit percentage in redelijkheid nodig kan zijn om de verhuurder in staat te stellen de doelen van het opslagbeding te bereiken (compensatie van kostenstijgingen die uitgaan boven de inflatie en het in de pas laten lopen van de huurprijs met de waardeontwikkeling van de woning) terwijl de financiële gevolgen ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst voor de huurder voorzienbaar zijn en de jaarlijkse huurstijging met maximaal dit percentage doorgaans binnen aanvaardbare grenzen blijft. In individuele gevallen kan dit echter anders zijn in verband met bijkomende omstandigheden die zich hebben voorgedaan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst;
  • dat een oneerlijk bevonden opslagbeding, tenzij de huurder zich daartegen verzet, buiten toepassing moet worden gelaten, wat betekent dat een verhoging op basis van het beding noch voor het verleden noch voor de toekomst mogelijk is en dat iedere betaalde huurprijsverhoging onverschuldigd betaald is in de zin van artikel 6:203 BW Pro;
  • dat de rechter aan wie een vordering tot betaling van achterstallige huur voorligt die oordeelt dat het opslagbeding oneerlijk is, ambtshalve een aftrek moet toepassen ter hoogte van de op grond van het opslagbeding doorgevoerde huurprijsverhogingen;
  • dat de rechter niet ambtshalve mag overgaan tot verrekening; en
  • dat de rechter bij een vordering tot ontbinding en ontruiming wegens een tekortkoming in de huurbetalingsverplichting van de huurder ambtshalve moet onderzoeken of de tekortkoming in het licht van de omstandigheden van het geval de ontbinding rechtvaardigt op grond van de tenzij-clausule.
Juridisch kader oneerlijkheid
6.7
Op grond van artikel 6:233 onder Pro a BW is een beding vernietigbaar wanneer het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend (oneerlijk) is voor de wederpartij (de consument). Zoals de Hoge Raad in 3.2.2 en 3.2.3 van de prejudiciële beslissing heeft vooropgesteld, wordt een beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen). Voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst in aanmerking worden genomen, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft (artikel 4 lid 1 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen). Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding moet worden nagegaan wat het cumulatieve effect is van alle bedingen van de betrokken overeenkomst. Een dergelijke beoordeling is gerechtvaardigd, omdat die bedingen in hun geheel moeten worden toegepast, ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming ervan nastreeft. De omstandigheid dat een beding voorkomt op de indicatieve lijst bij de Richtlijn oneerlijke bedingen, leidt niet automatisch en op zichzelf tot de conclusie dat het beding een oneerlijk karakter heeft. Wel is dat een wezenlijk aspect waarop de rechter zijn beoordeling van het oneerlijke karakter van dat beding kan baseren. Volgens artikel 5 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen moeten schriftelijke bedingen in overeenkomsten met consumenten steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. Bij wijzigingsbedingen staat tegenover het rechtmatige belang van de wederpartij van de consument om zich in te dekken tegen een wijziging in de omstandigheden, het even rechtmatige belang van de consument om te weten, en dus te kunnen voorzien, wat de gevolgen van een dergelijke wijziging voor hem in de toekomst zullen zijn.
De indexatiebedingen zijn niet oneerlijk
6.8
Uit de prejudiciële beslissing volgt in de eerste plaats dat een indexatiebeding apart op oneerlijkheid moet worden getoetst. In deze zaak zijn twee indexatiebedingen van toepassing, namelijk artikel 6.3 van de huurovereenkomst en artikel 6 lid 2 van Pro de algemene voorwaarden. Artikel 6.3 van de huurovereenkomst luidt als volgt:
Verhuurder heeft, in plaats van een huurprijswijziging conform het bepaalde in (…) 6.2 van dit artikellid, de mogelijkheid de huurprijs te wijzigen op basis van de wijziging van het jaarprijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex (CPI), reeks alle huishoudens (2006=100), gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In dit geval vindt de berekening plaats volgens de formule: de gewijzigde huurprijs is gelijk aan de geldende huurprijs op de wijzigingsdatum, vermenigvuldigd met het indexcijfer van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de huurprijs wordt aangepast, gedeeld door het indexcijfer van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.
Artikel 6 lid 2 van Pro de algemene voorwaarden luidt:
Bij zelfstandige woonruimte met een geliberaliseerde huurprijs verhoogt verhuurder jaarlijks op 1 juli de huurprijs. Hiervoor volgt verhuurder de consumentenprijsindex die het Centraal Bureau voor de Statistiek publiceert (2006=100). De precieze naam van deze index is: ‘reeks CPI – Alle huishoudens’. (…)
6.9
De bedingen in artikel 6.3 van de huurovereenkomst en in de eerste twee volzinnen van artikel 6 lid 2 algemene Pro voorwaarden (die op hetzelfde neerkomen) zijn niet oneerlijk. De hierop gebaseerde huurprijswijziging is immers gegrond op de consumentenprijsindex van het CBS, als gevolg waarvan enkel de geldontwaarding wordt gecompenseerd. Daarnaast is toegelicht hoe de aanpassing van de huurprijs wordt berekend.
6.1
De hiervoor niet geciteerde vierde volzin van artikel 6 lid 2 van Pro de algemene voorwaarden beschouwt het hof als een afzonderlijk beding. Dat beding zal hierna onder 6.58 worden beoordeeld.
6.11
Dit brengt met zich dat de CPI-indexeringen die Eigen Haard sinds het begin van de huurovereenkomst heeft doorgevoerd van kracht zijn gebleven en dat de kantonrechter de uit dien hoofde gevorderde bedragen ten onrechte heeft afgewezen. Grieven I, II en III slagen in zoverre. Het hof komt hierna terug op de consequenties die dit heeft.
Het opslagbeding is oneerlijk
6.12
De grieven slagen (vooralsnog) niet voor zover zij zijn gericht tegen de afwijzing van de opslagbedragen, omdat minstens één van de door Eigen Haard gehanteerde opslagbedingen wel oneerlijk is. Aan dit oordeel liggen de volgende overwegingen ten grondslag.
6.13
Het opslagbeding in artikel 6.4 van de huurovereenkomst luidt als volgt:
Tevens heeft de verhuurder het recht om de te wijzigen huurprijs zoals omschreven op de wijzigingsdatum, naast de aanpassing overeenkomstig de in 6.2 en 6.3 vermelde indexering, daarboven te verhogen met maximaal 5%.
6.14
Vooropgesteld wordt dat een huurovereenkomst voor woonruimte doorgaans voor langere tijd wordt gesloten en dat deze slechts op beperkte gronden kan worden beëindigd door de verhuurder. Met de Hoge Raad (rov. 3.2.6 prejudiciële beslissing) is het hof van oordeel dat de verhuurder er - gelet op het wettelijk systeem met beperkte opzeggingsgronden - een gerechtvaardigd belang bij heeft om de aanvangshuurprijs jaarlijks te kunnen aanpassen en dat de huurder er een gerechtvaardigd belang bij heeft dat de huurprijs betaalbaar blijft.
6.15
De prejudiciële beslissing gaat over een opslagbeding van maximaal 3%. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat hoewel dit in individuele gevallen op grond van bijkomende omstandigheden anders kan zijn, een opslagbeding van maximaal 3% niet oneerlijk is, omdat dit percentage nodig kan zijn om de doelen van het opslagbeding te bereiken. Het hof gaat ervan uit dat deze beslissing niet met zich brengt dat een opslagbeding van maximaal 5% per definitie oneerlijk is. Ook bij een dergelijk beding geldt dat bij de beoordeling steeds, in iedere individuele zaak, alle relevante omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een rol spelen. Daarbij gaat het onder meer om (i) de transparantie van het beding en het (al dan niet) ontbreken van gronden voor toepassing van de opslag, (ii) de mate waarin het opslagbeding voldoet aan de omschrijvingen in de indicatieve lijst bij de Richtlijn oneerlijke bedingen, (iii) de mate van verstoring van het evenwicht in strijd met de goede trouw, (iv) de aard van de overeenkomst, en (v) overige aspecten.
Het opslagbeding is onvoldoende transparant (i)
6.16
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) stelt vergaande beperkingen aan de geldigheid van prijswijzigingsbedingen. Niet alleen moet het beding in duidelijke en begrijpelijke taal gesteld zijn, het moet ook de gronden bevatten op basis waarvan en de wijze waarop de huurprijs kan worden aangepast en deze gronden moeten een geldige reden vormen voor de wijziging van de huurprijs. [5] Het transparantievereiste moet ruim worden opgevat, vanwege de gedachte dat de consument zich in een zwakkere positie bevindt en over minder informatie beschikt dan de handelaar. Het gaat erom dat vóór het sluiten van de overeenkomst de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument in staat wordt gesteld om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien. [6]
6.17
Verder is van belang dat het HvJEU heeft geoordeeld dat de oneerlijkheid beoordeeld moet worden op basis van de omstandigheden rondom de sluiting van de overeenkomst, maar dat het beding oneerlijk kan zijn als gedurende de uitvoering de mogelijkheid bestaat op een verstoring van het evenwicht, ook al zou deze verstoring zich alleen onder bepaalde omstandigheden kunnen voordoen of zou dat beding in andere omstandigheden zelfs ten goede kunnen komen aan de consument. [7] Relevant is dus of het beding het evenwicht kan verstoren, los van de vraag of en in hoeverre de verhuurder feitelijk uitvoering geeft aan het beding. Dit betekent dat bij de toetsing van het opslagbeding ervan uit moet worden gegaan dat Eigen Haard steeds de maximale opslag van 5% in rekening zal brengen.
6.18
Het voorliggende opslagbeding is onvoldoende transparant. [geïntimeerde] , als huurder, kan weliswaar voorzien met welk percentage de huurprijs maximaal mag worden verhoogd en hoe vaak, maar de daadwerkelijke financiële consequenties van het beding zijn niet inzichtelijk. Immers, niet voorzienbaar is in hoeverre en op welke gronden Eigen Haard, binnen de bandbreedte van 0 tot 5%, toepassing zal geven aan het beding. Daardoor is een door Eigen Haard aan het beding gegeven toepassing voor [geïntimeerde] niet controleerbaar.
6.19
Een stijging met jaarlijks 5% lijkt op papier bovendien misschien niet zoveel, maar leidt op de middellange en lange termijn - bovenop de CPI-indexeringen - tot een enorme stijging van de huurprijs. Het hof illustreert dit met de onderstaande grafiek: [8]
Uit deze grafiek blijkt dat de huurprijs ingeval van een opslagbeding als het onderhavige - dat geldt bovenop de indexering - in twintig jaar tijd (niet ongebruikelijk bij een huurovereenkomst) stijgt van € 1.000,- tot meer dan € 4.000,-, in plaats van tot het bedrag van ongeveer € 1.600,- dat zou gelden als de huur alleen zou worden geïndexeerd. Ook een rekenvoorbeeld maakt dit inzichtelijk: bij een aanvangshuur van € 1.500,- op 1 juli 2019 bedraagt de huurprijs per 1 juli 2024 € 2.318,38, een stijging van 54,56% in slechts vijf jaar tijd, in plaats van € 1.782,18 bij uitsluitend geïndexeerde huur (een stijging van 18,81%).
6.2
Niet aan te nemen valt dat deze vergaande financiële consequenties van het huurprijswijzigingsbeding voor [geïntimeerde] , als normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument, inzichtelijk waren. Ook daarmee is het opslagbeding onvoldoende transparant.
Het beding staat op de indicatieve lijst bij de Richtlijn oneerlijke bedingen (ii)
6.21
De indicatieve lijst bij de Richtlijn oneerlijke bedingen noemt onder 1.j) het beding dat tot doel of gevolg heeft “de verkoper te machtigen zonder geldige, in de overeenkomst vermelde reden eenzijdig de voorwaarden van de overeenkomst te wijzigen”. Volgens punt 2.b) van de lijst staat punt 1.j), onder meer, niet in de weg aan bedingen waarbij de verkoper zich het recht voorbehoudt de voorwaarden van een overeenkomst voor onbepaalde tijd eenzijdig te wijzigen, mits hij verplicht wordt dit zo spoedig mogelijk ter kennis te brengen van de consument en deze vrij is onmiddellijk de overeenkomst op te zeggen. Punt 1.l) heeft betrekking op bedingen die tot doel of gevolg hebben de verkoper het recht te verlenen de prijs te verhogen, zonder dat de consument het overeenkomstige recht heeft om de overeenkomst op te zeggen, indien de eindprijs te hoog is ten opzichte van de bij het sluiten van de overeenkomst bedongen prijs.
6.22
De uitzondering opgenomen in punt 2.b) van de indicatieve lijst is niet van toepassing op het opslagbeding in deze zaak, alleen al omdat in dit beding niet is opgenomen dat de huurder de overeenkomst vanwege de wijziging kan opzeggen (zie hierboven). Daarbij komt dat de opzeggingsmogelijkheid die in punt 2.b) is opgenomen, een
reëleen niet slechts formele opzeggingsmogelijkheid moet zijn. [9] Ook aan dit vereiste is niet voldaan. Immers, hoewel de huurder formeel gezien de huurovereenkomst kan opzeggen, zal deze daar - zoals ook de Hoge Raad overweegt in (rov. 3.2.8 van) de prejudiciële beslissing - niet snel gebruik van (kunnen) maken, zeker niet in tijden van krapte op de woningmarkt. [10]
6.23
Het opslagbeding voldoet dus aan de omschrijving van de op de indicatieve lijst voorkomende wijzigingsbedingen.
Het beding verstoort het evenwicht in strijd met de goede trouw (iii)
6.24
Om te kunnen bepalen of het opslagbeding oneerlijk geacht moet worden omdat het “in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort” (artikel 3 lid 1 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen), moet volgens vaste rechtspraak van het HvJEU met name onderzocht worden of het beding een aantasting inhoudt van de rechtspositie van de consument op basis van nationaalrechtelijke bepalingen. [11]
6.25
Als het opslagbeding geen onderdeel zou uitmaken van de algemene voorwaarden, zou Eigen Haard op grond van de op 11 januari 2017 (de datum waarop partijen de huurovereenkomst hebben gesloten) geldende dwingendrechtelijke regels een huurprijswijziging hebben kunnen proberen te bewerkstelligen. Tot 1 mei 2021 kon de verhuurder de huurder een redelijk aanbod tot wijziging van de huurprijs doen en had de verhuurder een opzeggingsgrond als de huurder dit niet accepteerde (artikel 7:274 lid 1 onder Pro d BW (oud)). Hoewel de huurprijs hiermee kon worden verhoogd, is niet aannemelijk dat de huurprijs langs deze weg in dezelfde mate zou zijn gestegen als met het opslag- en CPI-beding (zie hiervoor onder 6.19). De verhuurder moest immers bij de rechter stellen en bewijzen dat zijn voorstel redelijk was, waarna rechterlijke toetsing plaatsvond. Daarbij werd niet alleen gekeken naar de huurprijs van vergelijkbare woningen, maar ook naar omstandigheden die de huurder persoonlijk betroffen, zoals de betaalbaarheid voor de huurder. Naar het oordeel van het hof is [geïntimeerde] dus door de eenzijdige wijzigingsbevoegdheid van Eigen Haard in een juridisch minder gunstige positie geplaatst, waarmee op zichzelf beschouwd het in artikel 3 lid 1 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen bedoelde evenwicht aanzienlijk is verstoord.
6.26
De Hoge Raad heeft in de prejudiciële beslissing overwogen dat een opslagbeding dat voorziet in een opslag van maximaal 3% niet oneerlijk hoeft te zijn als het gehanteerde percentage in redelijkheid nodig is om de verhuurder in staat te stellen de doelen van het beding te bereiken (compensatie van kostenstijgingen die uitgaan boven de inflatie en het in de pas laten lopen van de huurprijs met de waardeontwikkeling van de woning) (zie 6.6 hierboven).
6.27
Dat een opslag van 5% bovenop de CPI-indexering nodig is om die doelen te bereiken is door Eigen Haard wel gesteld, maar niet gebleken. Eigen Haard heeft volstaan met de niet-onderbouwde stelling dat zich in het (recente) verleden verschillende onvoorspelbare ontwikkelingen hebben voorgedaan waardoor de lasten van verhuurders met aanmerkelijk meer dan de inflatie stegen (zoals de grote stijging van de bouwprijzen, de financiële gevolgen van de strenge eisen van de overheid ten aanzien van de verduurzaming en gestegen financiële lasten). Deze kale algemene stelling volstaat niet.
6.28
Eigen Haard heeft nog gesteld dat zij in de praktijk behoedzaam en prudent omgaat met het opslagbeding. Dat is echter niet relevant voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van het beding. De rechter moet het beding immers beoordelen uitgaande van het moment waarop de overeenkomst werd gesloten. Zoals hiervoor is overwogen, is niet van belang of en in hoeverre uitvoering aan het beding is gegeven.
Tussenconclusie
6.29
Het hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat het opslagbeding oneerlijk is: (i) het beding is niet transparant, (ii) het komt voor op de indicatieve lijst bij de Richtlijn oneerlijke bedingen en (iii) het verstoort, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van [geïntimeerde] aanzienlijk. Een jaarlijkse huurstijging met dit opslagpercentage bovenop de CPI-indexering blijft niet binnen aanvaardbare grenzen.
De aard van de overeenkomst en overige (door Eigen Haard aangevoerde) aspecten maken dit oordeel niet anders. Het hof licht dat hierna toe.
De aard van de overeenkomst maakt de beoordeling niet anders (iv)
6.3
Eigen Haard heeft erop gewezen dat de rechtspraak inzake de ambtshalve toetsing van huurprijswijzigingsbedingen is gebaseerd op rechtspraak van het HvJEU over andere typen contracten, zoals energiecontracten, financiële producten en telecomcontracten. Bij dergelijke typen contracten is er meer contractsvrijheid, waardoor consumenten ook meer behoefte hebben aan bescherming. Huurders van woonruimte kennen echter al een uitgebreide wettelijke bescherming. Anders dan bij de hiervoor genoemde contractsoorten, kan een verhuurder door de wettelijke opzegbescherming van een huurder geen einde maken aan de huurovereenkomst. Door de rechtspraak over andersoortige overeenkomsten simpelweg te kopiëren op huurcontracten, worden huurders onevenredig bevoordeeld en zijn de gevolgen voor verhuurders disproportioneel, aldus Eigen Haard.
6.31
Dit betoog van Eigen Haard slaagt niet. Juist is dat de verhuurder de huurovereenkomst, buiten de in de wet geregelde gronden, niet kan beëindigen, maar ook de huurder kan dat in de praktijk meestal niet, omdat niet aannemelijk is dat in de huidige woningmarkt vergelijkbare woonruimte voor een vergelijkbare huurprijs beschikbaar is, nog daargelaten dat gelet op de vaak gedurende vele levensfasen opgebouwde band van een huurder met zijn woning en ook gelet op de kosten die verhuizing met zich brengt aannemelijk is dat een dergelijke verhuizing voor een huurder zeer nadelig is. Dat maakt dat consumentenbescherming bij huurovereenkomsten juist meer noodzakelijk is dan bij andersoortige contracten waarbij, zoals Eigen Haard ook stelt, de consument juist eenvoudiger kan opzeggen of overstappen en er meerdere alternatieven zijn.
6.31.1
Dat de huurder beschermd wordt door de Nederlandse huurwetgeving klopt, maar die bescherming betreft vooral de (on)mogelijkheid tot beëindiging van de huur en, in gevallen van geliberaliseerde woonruimte zoals in dit geval aan de orde is, veel minder de huurprijs. Huurprijsbescherming bij geliberaliseerde huur is immers pas sinds 1 mei 2021 ingevoerd in Nederland, en vooralsnog slechts als een (inmiddels verlengde) tijdelijke maatregel tot 1 mei 2029.
6.31.2
De stelling van Eigen Haard dat verhuurders slechts in beperkte gevallen kunnen opzeggen zodat verhuurders pas na opzegging door de huurder de huurprijs kunnen aanpassen, maakt een en ander niet anders. Uiteraard kan het buiten toepassing laten van een opslagbeding financiële gevolgen hebben voor verhuurders. Maar naar de toekomst toe kunnen zij rekening houden met de verplichtingen die nu eenmaal voortvloeien uit de betreffende regelgeving. In de tegengestelde situatie, dus waar een opslagbeding van toepassing zou blijven, geldt dat een huurder niet, of slechts in zeer beperkte mate, kan optreden tegen de door de verhuurder conform het opslagbeding verhoogde huurprijs.
Overige omstandigheden doen aan oneerlijkheid niet af (v)
Invloed Wet op het overleg huurders verhuurder
6.32
Eigen Haard heeft verder betoogd dat het evenwicht tussen partijen niet wordt verstoord omdat de belangen van de huurders op grond van de Wet overleg huurders verhuurder ( [naam 1] ) behartigd worden door de onafhankelijke huurdersorganisatie Alert. Alert heeft recht op informatie van, overleg met en het geven van advies aan Eigen Haard ten aanzien van de (wijziging van de) huurvoorwaarden van Eigen Haard. De onderhavige algemene voorwaarden, waaronder het opslagbeding, zijn ook aan Alert voorgelegd en met haar besproken, en zijn door Alert onvoorwaardelijk aanvaard. Bovendien wordt jaarlijks overleg gevoerd over de dat jaar toe te passen huurprijsaanpassing. Als Eigen Haard wil afwijken van het advies van Alert, zal zij dat schriftelijk en gemotiveerd moeten doen. Gelet hierop legt Eigen Haard niet eenzijdig voorwaarden op en heeft de huurder in zekere zin invloed op de voorwaarden en de uitwerking daarvan, aldus Eigen Haard.
6.33
Het gaat in deze zaak om toetsing van het beding uit de huurovereenkomst tussen Eigen Haard en [geïntimeerde] . Bij de toetsing van het beding moet worden uitgegaan van het moment van contractsluiting. [geïntimeerde] zelf heeft niet over het beding onderhandeld. Dat Alert dat destijds namens hem heeft gedaan, blijkt niet uit het beding. Hierin staat immers enkel dat de verhuurder zelf bepaalt dat en hoe de jaarlijkse huurprijsaanpassing plaatsvindt. Bovendien bestaat er voor Eigen Haard geen verplichting om een huurdersvereniging in stand te houden. Dat Eigen Haard jaarlijks met Alert overlegt over de toe te passen huurprijsaanpassing ziet op de vraag hoe in de praktijk uitvoering wordt gegeven aan het beding. Dat is, zoals hiervoor al is overwogen, niet relevant voor de vraag of het beding oneerlijk is.
6.34
Het betoog van Eigen Haard over de [naam 1] kan er dus niet aan afdoen dat het beding oneerlijk is.
6.35
Dat Eigen Haard als woningcorporatie gebonden is aan de ‘huursombenadering’ (artikel 54 Woningwet Pro), zoals zij ook heeft betoogd, kan Eigen Haard evenmin baten. In dat artikel is, kort gezegd, bepaald dat de gemiddelde huurprijs van woningen van een toegelaten instelling op 1 januari van een gegeven jaar (slechts) met een bij ministeriële regeling bepaald percentage mag stijgen ten opzichte van de huurprijs op 1 januari van het jaar ervoor. Het gaat hierbij dus om de
gemiddeldehuurprijs. Hieruit kan niet worden afgeleid wat het huurverhogingspercentage voor een specifieke woning is of zal zijn, waardoor ook niet duidelijk is in hoeverre de individuele huurder hierdoor wordt beschermd. Bovendien wordt gelet op artikel 54 lid 2 van Pro de Woningwet bij de berekening van de hiervoor bedoelde gemiddelde huurprijs geen rekening gehouden met huurovereenkomsten met een geliberaliseerde huurprijs.
Aanvangshuurprijs onder marktniveau
6.36
Eigen Haard heeft gesteld dat het beding niet oneerlijk is, omdat de aanvangshuurprijs destijds ruim (namelijk ongeveer 20%) onder de geldende markthuurwaarde lag. Dat is bij vrijesectorwoningen haar vaste beleid.
6.37
Gesteld noch gebleken is echter dat de aanvangshuurprijs onderwerp van onderhandeling tussen partijen is geweest. Niet valt dus in te zien waarom deze stelling van Eigen Haard tot het oordeel zou moeten leiden dat het beding niet oneerlijk is. Het beding biedt Eigen Haard immers de mogelijkheid om de huur al binnen afzienbare tijd zodanig te verhogen dat de huurprijs boven de markthuurwaarde komt te liggen. Iedere koppeling met de markthuurwaarde ontbreekt.
[geïntimeerde] heeft een eenzijdig recht op huurverlaging
6.38
Eigen Haard heeft er verder op gewezen dat [geïntimeerde] op grond van artikel 6.8 van de huurovereenkomst eenzijdig de huurprijs kon doen verlagen, indien en voor zover deze hoger zou zijn dan de markthuurwaarde. Hiermee had hij het in zijn macht ervoor te zorgen dat hij nooit teveel zou betalen, aldus Eigen Haard.
6.39
De artikelen 6.8 en 6.9 van de huurovereenkomst luiden als volgt:
Zowel de huurder als de verhuurder is bevoegd om telkens wanneer vijf jaren zijn verstreken sinds de dag waarop de laatste door partijen overeengekomen of de door de kantonrechter vastgestelde aanpassing van de huurprijs aan de markthuurprijs is ingegaan, bij de eerstvolgende huurprijsaanpassingsdatum (1 juli) herziening van de huurprijs voor te stellen door middel van aanpassing van de huurprijs aan de ontwikkelingen van markthuurprijs (…).
Een partij die op grond van 6.8 van dit artikellid de bevoegdheid heeft aanpassing van de huurprijs voor te stellen in verband met de ontwikkelingen in de markt en van deze bevoegdheid gebruik wil maken, stelt de andere partij daarvan schriftelijk in kennis uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de herziene huurprijs moet ingaan. Wanneer beide partijen binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving als bovenbedoeld niet tot overeenstemming zijn gekomen, heeft ieder der partijen het recht om de huurovereenkomst op te zeggen met inachtneming van het daaromtrent bepaalde in de wet en de huurovereenkomst.
6.4
Eigen Haard gaat met haar betoog voorbij aan het uitgangspunt dat het op haar weg ligt, als verhuurder, geen oneerlijke huurprijswijzigingsbedingen te hanteren in overeenkomsten met een consumenthuurder, en dus de huurprijs niet op een onredelijke manier te verhogen. Het is niet aan de huurder om zich inspanningen te moeten getroosten om de huurprijs op een aanvaardbaar niveau te krijgen. Op grond van het desbetreffende beding kon [geïntimeerde] bovendien slechts na (steeds) vijf jaren een aanpassings
voorsteldoen. Daarmee is nog niet gezegd dat dit ook daadwerkelijk tot een verlaging van de huurprijs zou leiden. Een en ander nog daargelaten dat het kennelijk op de weg van [geïntimeerde] zou liggen om aan te tonen dat de huur in een gegeven jaar hoger ligt dan de markthuurwaarde. Dit beding doet dus aan de oneerlijkheid van het opslagbeding niet af.
Bijzondere positie woningcorporatie als toegelaten instelling
6.41
Eigen Haard heeft ook gewezen op haar bijzondere positie als woningcorporatie, die, anders dan commerciële verhuurders, ook publieke taken heeft. Deze taken zijn bovendien wettelijk verankerd in de Woningwet. Veel van die taken leiden tot extra exploitatielasten, waardoor er behoefte is aan een redelijke bandbreedte bij de vaststelling van de jaarlijkse huurverhoging. De woningen van Eigen Haard hebben bovendien een substantieel hogere waarde dan woningen elders in Nederland. Ook deze waardestijging rechtvaardigt de bandbreedte die een opslagbeding als het onderhavige biedt, aldus Eigen Haard.
6.42
Aedes en verschillende woningcorporaties hebben dit ook aangevoerd in de prejudiciële procedure bij de Hoge Raad. Plaatsvervangend procureur-generaal [naam 2] zag hierin onvoldoende basis om bij de beoordeling van het opslagbeding a priori een onderscheid te maken tussen corporaties, institutionele verhuurders en overige verhuurders. [12] De Hoge Raad heeft zich hierover niet uitgelaten in de prejudiciële beslissing. Ook het hof ziet geen aanleiding om bij de beoordeling van de (on)eerlijkheid van het opslagbeding een dergelijk onderscheid te maken. Een en ander gelet op het volgende.
6.43
Ook Eigen Haard, als woningcorporatie, heeft te gelden als handelaar in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. Daarbij komt dat Eigen Haard weliswaar een woningcorporatie is, maar dat zij de onderhavige woning niet verhuurt in de uitoefening van de hiermee gepaard gaande publieke taken. Het gaat hier immers om een vrijesectorwoning, niet om een sociale huurwoning.
6.44
Een opslagbeding kan volgens de Hoge Raad noodzakelijk zijn voor het compenseren van de ten laste van de verhuurder komende kostenstijgingen die uitgaan boven de inflatie en het in de pas laten lopen van de huurprijs met de waardeontwikkeling van de woning. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft Eigen Haard in het geheel niet onderbouwd waarom het voor het bereiken van deze doelen noodzakelijk is om een opslagbeding van 5% te hanteren. Met de hiervoor aangehaalde (blote) stellingen heeft Eigen Haard dat nog altijd niet toegelicht.
Ontwrichtende rechtspraak en onevenredige sanctie
6.45
Eigen Haard heeft verder betoogd dat de ambtshalve toetsing van huurprijswijzigingsbedingen zoals die sinds 2023 plaatsvindt, maatschappij-ontwrichtende gevolgen heeft. Huurders kunnen, in geval van een oneerlijk geacht beding, een flink onverwacht financieel voordeel en een lagere huurprijs in de wacht slepen en zullen niet snel meer geneigd zijn te vertrekken uit hun huurwoning. Dit heeft onvoorstelbaar grote gevolgen voor de financiële positie van verhuurders en uiteindelijk ook voor het woningbouwbeleid en de pensioenen van veel mensen. De kantonrechter heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden, aldus Eigen Haard.
6.46
Indien en voor zover Eigen Haard hiermee wil betogen dat het beding niet oneerlijk is omdat de vernietiging ervan onevenredig grote gevolgen heeft, kan dat betoog niet slagen. Zoals hiervoor is overwogen, kunnen de gevolgen van vernietiging immers geen rol spelen bij de beantwoording van de vraag of het beding al dan niet oneerlijk is. Bij de toetsing van het beding moet worden uitgegaan van het moment van contractsluiting.
6.47
Het hof realiseert zich overigens dat de vernietiging van een oneerlijk bevonden beding potentieel verstrekkende gevolgen heeft. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel over de oneerlijkheid en betekent evenmin dat vernietiging van het beding of zelfs de ambtshalve toetsing in zijn geheel achterwege moet blijven. Zoals hiervoor ook is overwogen (zie 6.2 tot en met 6.4), is de rechter tot dit laatste nu eenmaal verplicht. Als een beding oneerlijk is bevonden, moet de rechter dit volgens vaste rechtspraak van het HvJEU buiten toepassing laten opdat het geen dwingende gevolgen heeft voor de consument. Het doel van de Richtlijn oneerlijke bedingen is dat gebruikers van algemene voorwaarden daarin geen oneerlijke bedingen opnemen. Naar het oordeel van het HvJEU kan dat doel alleen worden bereikt met deze sanctie, omdat die maakt dat verhuurders worden gestimuleerd dergelijke bedingen niet (langer) te hanteren.
Strijd met het (grond)recht op eigendom
6.48
Het buiten toepassing verklaren van het opslagbeding leidt volgens Eigen Haard tot strijd met het grondrecht op een ongestoord genot van het eigendom als bedoeld in artikel 1 Eerste Pro Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Hoge Raad heeft in het verleden weliswaar geoordeeld dat wettelijke huurprijsregulering in Nederland in algemene zin niet in strijd is met artikel 1 EP Pro EVRM, maar heeft zich niet uitgelaten over de situatie dat als gevolg van niet voorziene, gewijzigde regelgeving of rechtspraak een verhuurder zijn (rendements)doelen niet meer kan behalen en zijn belangen daardoor disproportioneel worden geschaad. De volledige vernietiging van de huurprijswijzigingsbedingen zou ertoe leiden dat Eigen Haard in het geheel geen huurverhogingen meer kan toepassen. Daarmee wordt een niet-gerechtvaardigde inbreuk gemaakt op haar eigendomsrecht, aldus Eigen Haard.
6.49
Het hof volgt Eigen Haard hierin niet. Vooropgesteld wordt dat, zoals Eigen Haard zelf ook aangeeft, de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de Nederlandse huurprijsregulering niet in strijd is met artikel 1 EP Pro EVRM. [13] Dat systeem staat huurverhogingen immers toe, ook in de geliberaliseerde sector.
De Richtlijn oneerlijke bedingen ziet niet op eigendomsrechten, maar op oneerlijke bedingen in algemene voorwaarden. Deze richtlijn maakt dus geen (directe) inbreuk op het eigendomsrecht van Eigen Haard. Overigens is in dit verband niet artikel 1 EP Pro EVRM van toepassing, maar artikel 17 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), dat volgens de toelichting bij het Handvest overeenstemt met artikel 1 EP Pro EVRM. Op grond van artikel 51 van Pro het Handvest zijn de bepalingen van het Handvest gericht tot de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Aldus dient de nationale rechter bij de toepassing van de Richtlijn oneerlijke bedingen rekening te houden met artikel 17 van Pro het Handvest, evenals met artikel 7 van Pro het Handvest, dat de eerbiediging van de woning waarborgt. Wat betreft het eigendomsrecht wijst het hof er verder op dat deze toepassing van de Richtlijn oneerlijke bedingen het jaarlijks verhogen van de huur niet onmogelijk maakt, indien de bedingen op grond waarvan die huurverhoging plaatsvindt, niet oneerlijk zijn. Dat laatste is wat de rechter moet toetsen en sinds 2023 ook toetst. Als een verhuurder door de vernietiging van een oneerlijk bevonden beding geen huurverhogingen meer kan doorvoeren, is dat niet het gevolg van ‘gewijzigde spelregels tijdens het spel’, zoals Eigen Haard heeft aangevoerd, maar is dat de sanctie die volgt uit de Richtlijn oneerlijke bedingen.
6.5
Als de toepassing van de Richtlijn oneerlijke bedingen al tot een inbreuk op het eigendomsrecht van Eigen Haard zou leiden - wat niet het geval is -, dan is deze inbreuk gerechtvaardigd. De vernietiging van het opslagbeding vindt haar basis in de Richtlijn oneerlijke bedingen. Deze sanctie wordt opgelegd ter bescherming van de consumenthuurder en is in het algemeen belang, omdat deze huurder, als de zwakkere partij in haar relatie met de verhuurder, niet geconfronteerd moet worden met oneerlijke bedingen. Dat doel kan naar het oordeel van het HvJEU alleen worden bereikt met deze sanctie, omdat die maakt dat verhuurders worden gestimuleerd dergelijke bedingen niet (langer) te hanteren. En zoals hiervoor is overwogen, is het nog steeds mogelijk voor Eigen Haard om de huur jaarlijks te verhogen; hiervoor kan zij in ieder geval gebruik maken van het CPI-indexatiebeding. Verder is niet uitgesloten dat ook een opslagbeding kan worden opgenomen in huurovereenkomsten. Daarbij zal Eigen Haard wel duidelijk moeten kunnen uitleggen waarom een dergelijk beding überhaupt nodig is en hoe het in de praktijk zal worden toegepast. Het beding mag dan bovendien ook anderszins niet oneerlijk zijn, bijvoorbeeld omdat de betaalbaarheid van de huur in het geding is. Dat Eigen Haard met alleen het CPI-indexatiebeding geen redelijk rendement kan behalen en zelfs verlieslatend wordt, is wel gesteld, maar niet onderbouwd. Bovendien volgt uit het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad uit 2018 dat artikel 1 EP Pro EVRM (dat overeenstemt met artikel 17 van Pro het Handvest) een verhuurder van woonruimte niet steeds of in beginsel een
decent profitof zelfs
minimal profitgarandeert. [14]
De redelijkheid en billijkheid
6.51
Voor het geval de Richtlijn oneerlijke bedingen onverkort wordt toegepast, betoogt Eigen Haard dat vernietiging of het buiten toepassing laten van de huurprijswijzigingsbedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De gevolgen hiervan zijn disproportioneel en catastrofaal voor Eigen Haard, en bovendien extreem schadelijk voor het algemeen belang. Sanctionering moet daarom achterwege blijven, aldus Eigen Haard.
6.52
Een krachtens de wet geldende regel is alleen dan niet van toepassing als dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:2 lid 2 BW Pro). Dat laatste betekent dat de rechter terughoudendheid moet betrachten bij het buiten toepassing laten van een wettelijke regeling (in dit geval: artikel 6:231 e.v. BW en de Richtlijn oneerlijke bedingen). Uitgangspunt is dat oneerlijke bedingen worden vernietigd opdat de gebruikers ervan worden aangespoord om deze uit hun voorwaarden te halen. Het ligt voor de hand dat vernietiging van het opslagbeding negatief uitpakt voor Eigen Haard. Dat de gevolgen (in dit ene geval) catastrofaal en schadelijk zullen zijn voor het algemeen belang, heeft Eigen Haard echter niet geconcretiseerd. Zoals Eigen Haard zelf heeft gesteld heeft zij zeer spaarzaam gebruik gemaakt van de opslagruimte. Zij kan bovendien gebruik maken van het CPI-indexatiebeding.
6.53
Ook het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid gaat dus niet op.
Verjaring
6.54
Voor het geval het opslagbeding oneerlijk wordt bevonden, heeft Eigen Haard subsidiair verzocht om vast te stellen dat een eventuele vordering van [geïntimeerde] ter zake van teveel betaalde huur is verjaard.
6.55
[geïntimeerde] heeft in deze procedure geen vordering ingesteld tot terugbetaling van teveel betaalde huur. Eigen Haard heeft dus geen belang bij haar verzoek, als gevolg waarvan dit niet toewijsbaar is.
Geen ambtshalve verrekening
6.56
Eigen Haard heeft tot slot nog verzocht om toepassing te geven aan het oordeel van de Hoge Raad in de prejudiciële beslissing dat de rechter de vordering van de verhuurder tot betaling van de huurachterstand niet mag verrekenen met een eventuele tegenvordering van de huurder die het gevolg is van het buiten toepassing laten van een oneerlijk huurprijswijzigingsbeding. Het hof zal met inachtneming hiervan beslissen op de vordering.
De overige huurprijswijzigingsbedingen
6.57
In artikel 6.2 van de huurovereenkomst is het volgende huurprijswijzigings-beding opgenomen:
De huurprijs wordt jaarlijks gewijzigd met een percentage dat gelijk is aan het op de ingangsdatum van die wijziging wettelijk toegestane percentage zoals dat jaarlijks door de minister van VROM wordt vastgesteld voor woonruimte met een niet-geliberaliseerde huurprijs.
6.58
De vierde volzin van artikel 6 lid 2 van Pro de algemene voorwaarden luidt:
Daarbij geldt dat de huurprijsverhoging minimaal gelijk is aan de (gemiddelde) huurverhoging voor niet geliberaliseerde zelfstandige woonruimte.
6.59
In de algemene voorwaarden is verder nog het volgende beding opgenomen:
Artikel 6
(…)
3. In afwijking van lid 2 kan, eenmaal per periode van telkens vijf jaar na het ingaan van de huurovereenkomst, de huurprijs door verhuurder in overeenstemming gebracht worden met het voor vergelijkbare objecten gangbare prijsniveau.
6.6
Het hof moet ook deze bedingen ambtshalve toetsen, omdat nagegaan moet worden wat de cumulatieve werking is van alle huurprijswijzigingsbedingen in de huurovereenkomst, ongeacht of Eigen Haard daadwerkelijk de volledige nakoming van al die bedingen nastreeft. [15] De bedingen houden bovendien verband met het voorwerp van het geding zoals dat door Eigen Haard is afgebakend (een huurachterstand, waarin huurprijswijzigingen zijn verdisconteerd). [16] In de hiervoor besproken artikelen 6.3 (CPI-indexatiebeding) en 6.4 (opslagbeding) van de huurovereenkomst wordt overigens met zoveel woorden verwezen naar artikel 6.2 van de huurovereenkomst (zie 6.8 en 6.13 hierboven). De bedingen in artikel 6.2 van de huurovereenkomst en in de vierde volzin van artikel 6 lid 2 van Pro de algemene voorwaarden komen naar het oordeel van het hof op hetzelfde neer.
6.61
Eigen Haard heeft zich in haar memorie van grieven alleen uitgelaten over de noodzaak en eerlijkheid van de hiervoor besproken CPI-indexatie- en opslagbedingen (artikelen 6.3 en 6.4 van de huurovereenkomst). Zij heeft echter niet toegelicht dat de huurprijswijzigingsbedingen zoals opgenomen in artikel 6.2 van de huurovereenkomst en artikel 6 leden Pro 2 en 3 van de algemene voorwaarden in redelijkheid nodig waren om haar in staat te stellen de doelen van deze bedingen te bereiken. Evenmin heeft Eigen Haard geconcretiseerd dat de financiële gevolgen van deze huurprijswijzigingsbedingen ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst voor [geïntimeerde] voorzienbaar waren en dat de maximale jaarlijkse huurstijging op grond van deze bedingen binnen aanvaardbare grenzen zou blijven. Een en ander zoals hiervoor besproken. In verband met artikel 6.2 van de huurovereenkomst en de vierde volzin van artikel 6 lid 2 van Pro de algemene voorwaarden rijst in het bijzonder de vraag of het gerechtvaardigd is dat huurverhogingen die gelden voor niet geliberaliseerde woonruimte (en dus voor lagere huren) ook worden toegepast op geliberaliseerde woonruimte (met hogere huren).
6.62
Het cumulatieve effect van de huurprijswijzigingsbedingen in acht nemend, is het hof voorshands van oordeel dat artikelen 6.2 van de huurovereenkomst en 6 leden 2 en 3 van de algemene voorwaarden oneerlijk zijn. Immers, het opslagbeding is al oneerlijk bevonden en genoemde bepalingen bieden Eigen Haard enkel meer mogelijkheden de huurprijs (verder) te verhogen. Het hof is daarom voornemens om ook deze bedingen te vernietigen. Het hof zal Eigen Haard in de gelegenheid stellen zich bij akte alsnog op de hiervoor gespecificeerde wijze uit te laten over de (on)eerlijkheid van deze andere huurprijswijzigingsbedingen en op het voornemen van het hof deze te vernietigen. Het hof zal de zaak hiertoe verwijzen naar de rol van 12 mei 2026.
Tussenconclusie
6.63
Het opslagbeding (artikel 6.4 van de huurovereenkomst) is oneerlijk en terecht door de kantonrechter vernietigd op grond van artikel 6:233 onder Pro a BW.
6.64
De vernietiging van het opslagbeding heeft tot gevolg dat alle huurverhogingen die zijn gebaseerd op dit beding, zijn komen te vervallen. Het hof oordeelt vooralsnog dat Eigen Haard de huurprijs alleen mocht verhogen op grond van artikel 6.3 van de huurovereenkomst. Over de (on)eerlijkheid van de andere huurprijswijzigingsbedingen zal Eigen Haard zich nog kunnen uitlaten. Het hof verzoekt Eigen Haard zich ook, concreet en gespecificeerd, uit te laten over de gevolgen die een eventuele beoordeling van de bedingen als oneerlijk zou moeten hebben voor de toewijsbaarheid van haar vordering. Eigen Haard zal, in ieder geval, moeten becijferen welk bedrag [geïntimeerde] aan haar verschuldigd is rekening houdend met vernietiging van het opslagbeding, instandlating van het CPI-indexatiebeding en servicekosten en (desgewenst) zonder verrekening van in het verleden door [geïntimeerde] te veel betaalde bedragen. De zaak zal hiertoe naar de rol worden verwezen. Iedere verdere beoordeling van grieven I tot en met III wordt aangehouden.
De wettelijke rente
6.65
Vooruitlopend op de verdere beslissing over de vordering tot betaling overweegt het hof nu al het volgende. De kantonrechter heeft de gevorderde wettelijke rente afgewezen omdat hij artikel 24.2 van de algemene voorwaarden (een rentebeding) oneerlijk heeft bevonden. Dat deel van het eindvonnis is niet aan het hof voorgelegd. Het hof begrijpt uit de eiswijziging bij de memorie van grieven dat Eigen Haard in hoger beroep niet langer aanspraak maakt op de wettelijke rente (over het meerdere). Ambtshalve toetsing van genoemd rentebeding kan in hoger beroep daarom achterwege blijven.
Het proceskostenbeding
6.66
Hoewel nog niet bekend is welk bedrag aan huurachterstand in hoger beroep in aanvulling op de veroordeling in het bestreden vonnis nog toewijsbaar zal zijn, is al wel duidelijk dat [geïntimeerde] de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal zijn en dus de kosten van het geding in beide instanties moet dragen (met uitzondering van de kosten van de akte, die Eigen Haard nodeloos heeft veroorzaakt door niet direct een op alle onderhavige huurprijswijzigingsbedingen toegespitste toelichting te geven en de berekening van haar vordering niet al in haar memorie van grieven op te nemen). Grief IV is hiermee (in beginsel) terecht voorgesteld. Dit betekent dat het hof ambtshalve de eerlijkheid moet beoordelen van het in de algemene voorwaarden opgenomen proceskostenbeding.
6.67
Artikel 24 lid 3 van Pro de algemene voorwaarden luidt:
Als huurder of verhuurder toerekenbaar tekortschiet in het nakomen van enige verplichting die wettelijk of door de huurovereenkomst op hem rust en de andere partij moet daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen nemen, dan zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de tekortschietende partij.
6.68
In zijn prejudiciële beslissing van 23 mei 2025 (ECLI:NL:HR:2025:820) heeft de Hoge Raad - in antwoord op door de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam gestelde prejudiciële vragen - geoordeeld dat een beding in een overeenkomst tussen een verkoper (zoals een verhuurder) en een consument (in die zaak de huurder) dat ertoe strekt dat de consument die tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen alle gerechtelijke kosten van zijn wederpartij moet betalen, in het algemeen moet worden aangemerkt als een oneerlijk beding (rov. 3.1.6). Verder heeft de Hoge Raad het voornemen geuit om het HvJEU de volgende prejudiciële vraag te stellen:
Moeten de art. 6 lid Pro 1, 7 lid 1 en 8ter van Richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat, in het geval de verkoper een oneerlijk proceskostenbeding in een overeenkomst hanteert en de overeenkomst na schrapping van het proceskostenbeding kan voortbestaan, de consument die in een gerechtelijke procedure in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld in de proceskosten van de verkoper, overeenkomstig het nationale procesrecht, waarvan het oneerlijke proceskostenbeding ten nadele van de consument afweek?(rov. 3.2.6). Bij prejudiciële beslissing van 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) heeft de Hoge Raad deze vraag daadwerkelijk aan het HvJEU gesteld.
6.69
In lijn hiermee is het hof voornemens het onderhavige proceskostenbeding,
dat vergelijkbaar is met het aan de Hoge Raad voorgelegde beding, te vernietigen omdat dit oneerlijk is in de zin van artikel 3 lid 1 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen. Het proceskostenbeding tast immers de positie aan waarin [geïntimeerde] zonder dat beding zou verkeren, doordat het de begrenzing wegneemt die besloten ligt in de proceskostenveroordeling van artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), terwijl niet gezegd kan worden dat Eigen Haard redelijkerwijs ervan uit kon gaan dat [geïntimeerde] een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover op eerlijke en billijke wijze was onderhandeld. De ambtshalve matigingsbevoegdheid van artikel 242 lid 1 Rv Pro doet hieraan niet af, omdat het in aanmerking nemen daarvan strijdig is met het uitgangspunt dat de nationale rechter zonder meer verplicht is oneerlijke bedingen buiten toepassing te laten en dit beding niet kan herzien en dat het beding bovendien ook effect kan sorteren buiten het kader van een gerechtelijke procedure (rov. 3.1.4 en 3.1.5 van beide voormelde beslissingen van de Hoge Raad).
6.7
Wat het gevolg is van een eventuele vernietiging van het proceskostenbeding, is gelet op de door de Hoge Raad geformuleerde prejudiciële vraag nog niet duidelijk. Het hof zal de beslissing over de proceskosten daarom aanhouden en zal, nadat bij partieel eindarrest zal zijn beslist over de toewijsbare huurachterstand, Eigen Haard in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over het voornemen om het proceskostenbeding te vernietigen en over de gevolgen van die vernietiging, nadat het HvJEU de hiervoor bedoelde prejudiciële vraag heeft beantwoord. De zaak zal daartoe worden verwezen naar een roldatum die is gelegen een jaar na het nog te wijzen partiële eindarrest. Als het antwoord op de prejudiciële vraag later of eerder komt, kan Eigen Haard om uitstel vragen respectievelijk de roldatum vervroegen.
De subsidiaire vordering tot wijziging van de huurovereenkomst
6.71
Eigen Haard heeft subsidiair gevorderd de huurovereenkomst te wijzigen op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Deze vordering is al niet toewijsbaar omdat deze pas bij memorie van grieven is ingesteld en (tot op heden) niet aan [geïntimeerde] is betekend. Op grond van het bepaalde in artikel 130 lid 3 in Pro samenhang met artikel 353 lid 1 Rv Pro had dit wel gemoeten.
6.72
Ook als Eigen Haard deze eiswijziging wel aan [geïntimeerde] zou hebben betekend, is deze niet toewijsbaar. Immers, op grond van vaste rechtspraak van het HvJEU kan geen aanspraak worden gemaakt op een wettelijke bepaling van aanvullend recht die van toepassing zou zijn geweest als een vernietigd beding niet in de overeenkomst stond. [17]
Slotsom
6.73
Het hoger beroep heeft in ieder geval gedeeltelijk succes, namelijk wat betreft de geïndexeerde huur. Over de nog niet besproken huurprijswijzigingsbedingen en de hoogte van het in aanvulling op de veroordeling in het bestreden vonnis nog toewijsbare bedrag mag Eigen Haard zich nog bij akte uitlaten. Iedere verdere beslissing, waaronder die over de proceskosten in hoger beroep, wordt aangehouden.

7.Beslissing

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 12 mei 2026 voor een akte aan de zijde van Eigen Haard als omschreven onder 6.62 en 6.64 van dit arrest;
houdt iedere verdere beslissing aan, waaronder die over de proceskosten in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. van der Werff, J.C.W. Rang en I. de Greef en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.

Voetnoten

1.HvJEU 4 juni 2009, zaak C-243/08, ECLI:EU:C:2009:350 (
2.HvJEU 25 november 2020, zaak C-269/19, ECLI:EU:C:2020:954 (
3.HvJEU 28 juli 2016, zaak C-168/15, ECLI:EU:C:2016:602 (
4.HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1780.
5.Onder meer HvJEU 21 maart 2013, zaak C-92/11, ECLI:EU:C:2013:180 (
6.HvJEU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14
7.HvJEU 27 januari 2021, zaken C-229/19 en C-289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (
8.C. Leone, ‘It’s the rendement, stupid’, MvV 2025, nr. 2.
9.HvJEU 21 maart 2013, zaak C-92/11, ECLI:EU:C:2013:180 (
10.Zie ook hof Den Haag 11 oktober 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1983, rov. 4.26.
11.Onder meer HvJEU 14 maart 2013, zaak C-415/11, ECLI:EU:C:2013:164 (
12.ECLI:NL:PHR:2024:771, onder 7.71.1 tot en met 7.71.3.
13.HR 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:109.
14.HR 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:109, rov. 3.6.3.
15.HvJEU 21 april 2016, zaak C-377/14, ECLI:EU:C:2016:283 (
16.HvJEU 11 maart 2020, zaak C-511/17, ECLI:EU:C:2020:188 (
17.HvJEU 27 januari 2021, zaken C-229/19 en C-289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (