Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
[Z](hierna: belanghebbende)
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Den Haag(hierna: de Inspecteur) en
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende, werkzaam op een in Nederland geregistreerd binnenvaartschip, betwistte de premieplicht voor de volksverzekeringen over 2010. Hij stelde zich op het standpunt dat hij op grond van een door Luxemburg afgegeven E106-verklaring niet premieplichtig zou zijn in Nederland en beroept zich op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.
Het Hof oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn werkgever als exploitant van het schip kan worden aangemerkt, waardoor Nederland als verzekeringsland geldt. De E106-verklaring van Luxemburg bindt de Nederlandse autoriteiten niet, ook niet na de inwerkingtreding van de Rijnvarendenovereenkomst per 1 mei 2010.
De Inspecteur is bevoegd om aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen vast te stellen en te heffen, ook als de premies in Luxemburg zijn betaald. De stelling dat de premies niet mogen worden geheven omdat de Luxemburgse premies niet kunnen worden teruggevorderd, wordt verworpen.
Verder is de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep overschreden, waardoor het Hof belanghebbende een vergoeding van € 2.000 toekent, waarvan de Inspecteur en de Staat een deel moeten betalen. Ook worden proceskosten en griffierecht deels vergoed.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de premieplicht volksverzekeringen bevestigd met een vergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.