Belanghebbende, een BV, had BPM betaald bij registratie van een auto uit Duitsland, waarna de Inspecteur een naheffingsaanslag oplegde. De rechtbank verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond en kende onder meer een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep stond de vraag centraal of belanghebbende recht had op hogere vergoedingen voor rente, immateriële schade en proceskosten dan toegekend door de rechtbank. Het hof bevestigde dat de rechtbank terecht onbevoegd was om over de Irimie-rente te oordelen en dat de rentevergoeding via de Belastingdienst moet worden aangevraagd.
Het hof verwierp het standpunt dat immateriële schadevergoeding door een andere rechter moet worden behandeld en bevestigde dat slechts één immateriële schadevergoeding toekomt omdat het om één zaak gaat. Daarnaast werd de aanspraak op rentevergoeding over immateriële schade, griffierecht en proceskosten toegewezen. De proceskostenvergoeding werd beperkt vanwege de vele soortgelijke zaken die door dezelfde gemachtigde werden behandeld.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het geen beslissing bevatte over rentevergoeding en veroordeelde de Inspecteur tot betaling van wettelijke rente over de toegekende vergoedingen en griffierechten. Tevens werd een proceskostenvergoeding voor het hoger beroep toegekend.