Belanghebbende heeft BPM betaald over een gebruikte BMW 750d X drive en bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de belasting. De Inspecteur heeft het bezwaar deels gegrond verklaard, waarna belanghebbende in beroep ging bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep instelde bij het Hof.
Het Hof heeft in een tussenuitspraak de voormalige gemachtigde Verhoeven geweigerd vanwege stelselmatig grievend en onbetamelijk taalgebruik dat de behandeling van de zaak ernstig bemoeilijkt en het gezag van de rechtspraak aantast. Deze weigering is bevestigd in de einduitspraak. Tevens is vastgesteld dat de materiële hoogte van de BPM niet meer in geschil is en dat het beroep op schending van de hoorplicht is verlaten.
Belanghebbende stelde dat het Nederlandse systeem van griffierechten in strijd is met het Unierecht, maar dit is verworpen. Het Hof oordeelde dat het niet in strijd is met Unierecht om BPM voorafgaand aan registratie te heffen en dat aanspraak op rentevergoeding over onverschuldigd betaalde BPM niet zonder verzoek kan worden gedaan.
Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn in hoger beroep met meer dan zes maanden is overschreden, waarvoor de Minister een immateriële schadevergoeding van € 1.000 moet betalen. Ook is de Minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep en het betaalde griffierecht. Het Hof ziet geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het HvJ EU en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.