Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de geheven belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) over november 2019. Na een uitspraak van de rechtbank stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het geschil betrof onder meer de kwalificatie van auto's als nieuw of gebruikt, de toepassing van de CO2-uitstoottestmethoden NEDC en WLTP, waardebepaling van ex-rental auto’s, interne compensatie, en de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof oordeelde dat de auto's 1, 2 en 4 terecht als gebruikt waren aangemerkt en dat auto 3, met een kilometerstand van 60 km bij registratie, als nieuw moest worden beschouwd. De overgang van NEDC naar WLTP-testmethode leidde niet tot indirecte discriminatie in de BPM-heffing. Het beroep op waardebepaling op basis van ex-rental auto’s faalde wegens gebrek aan bewijs. Het beroep op interne compensatie werd bevestigd, waarbij 72% van herstelkosten als uitgangspunt geldt. Het hof verwierp het betoog dat het vereiste van een afzonderlijk verzoek voor rentevergoeding strijdig is met het Unierecht.
Verder stelde het hof dat nationale rechters het Unierecht mogen uitleggen en dat het heffen van griffierecht vooraf geen onoverkomelijk obstakel vormt voor rechtsbescherming. De rechtbank had de redelijke termijn ten onrechte verlengd vanwege de coronapandemie. De overschrijding van minder dan zes maanden rechtvaardigt een immateriële schadevergoeding van €500. Het hoger beroep werd gegrond verklaard voor dit punt, waarbij de Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht.