Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woonboerderij waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 2021 voor het jaar 2022 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €503.000. Na bezwaar werd deze waarde verlaagd tot €469.000. Belanghebbende stelde beroep in tegen deze waarde, maar de Rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, omdat de waarde in bezwaar verder was verlaagd dan door belanghebbende was voorgesteld.
In hoger beroep heeft het Hof geoordeeld dat de niet-ontvankelijkverklaring onjuist was, omdat belanghebbende wel degelijk belang had bij het beroep. Het geschil werd beperkt tot de invloed van het energiecontract afgesloten in augustus 2023 op de waarde per peildatum. De heffingsambtenaar heeft met een taxatierapport aannemelijk gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is, en het Hof volgt dit oordeel.
Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure is overschreden. Omdat het belang van belanghebbende hoger was dan de bagatelgrens, wordt een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend. Ook wordt de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van in totaal €544,20. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank vernietigd.