AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Tussenarrest over verjaring en bewijsvermoeden bij vernietiging effectenleaseovereenkomsten
Dexia Nederland B.V. is in hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter Gelderland waarin is geoordeeld dat effectenleaseovereenkomsten tijdig zijn vernietigd door de echtgenote van de contractant. De kern van het geschil betreft de vraag of het vernietigingsrecht op grond van artikel 1:88 enPro 1:89 BW is verjaard.
Het hof bevestigt dat effectenleaseovereenkomsten worden aangemerkt als huurkoop en dat schriftelijke toestemming van de echtgenoot vereist is. De verjaringstermijn voor vernietiging bedraagt drie jaar en vangt aan zodra de echtgenoot daadwerkelijk bekend is met de overeenkomst. Betalingen vanaf een en/of-rekening leiden tot een bewijsvermoeden dat de echtgenoot bekend was met de overeenkomst op de datum van het oudste bankafschrift.
In deze zaak is de collectieve actie van 13 maart 2003 relevant voor de stuiting van de verjaring. De overeenkomsten zijn echter gesloten vóór die datum, waardoor de stuiting niet zonder meer geldt. Dexia stelt dat de echtgenote al vóór 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomsten vanwege betalingen van een en/of-rekening. De echtgenote betwist dit en voert aan pas in 2001 geïnformeerd te zijn.
Het hof laat de echtgenote toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden van bekendheid vóór 13 maart 2000 en wijst op de te houden getuigenverhoren. Verdere beslissing wordt aangehouden totdat het bewijs is geleverd en beoordeeld.
Uitkomst: Het hof houdt de verdere beslissing aan en stelt een bewijsopdracht vast voor het leveren van tegenbewijs over de bekendheid van de echtgenote met de overeenkomsten.
in haar hoedanigheid van erfgename van [naam1] (hierna: [naam1] )
waarbij [naam1] bij de kantonrechter optrad als gedaagde
advocaat: mr. J.B. Maliepaard
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Dexia heeft hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van 2 juni 2022 en het eindvonnis van 21 september 2023 (hierna gezamenlijk: het bestreden vonnis) die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna: de kantonrechter) heeft uitgesproken tussen Dexia en [naam1] . [naam1] was de echtgenoot van [geintimeerde] . Hij is na de procedure bij de kantonrechter overleden. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de memorie van antwoord
de akte uitlaten producties van Dexia
de antwoordakte van [geintimeerde] .
2.De kern van de zaak
2.1.
Tussen Dexia en [naam1] zijn effectenleaseovereenkomsten tot stand gekomen met contractnummers [nummer1] , [nummer2] , [nummer3] en [nummer4] (hierna gezamenlijk: de overeenkomsten). [geintimeerde] heeft ten aanzien van de overeenkomsten aangevoerd dat deze door haar zijn vernietigd op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW en dat zij gelet daarop nog een vordering heeft op Dexia. Tussen partijen is in geschil of het vernietigingsrecht is verjaard.
2.2.
Dexia heeft bij de kantonrechter gevorderd een verklaring voor recht dat Dexia na betaling van een in goede justitie te bepalen bedrag met betrekking tot de overeenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [naam1] is verschuldigd, alsmede een veroordeling van [naam1] in de proceskosten.
2.3.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de overeenkomsten tijdig zijn vernietigd en dat Dexia aan [naam1] dient te vergoeden al hetgeen hij ter zake van de overeenkomsten aan Dexia heeft betaald, verminderd met al hetgeen hij ter zake van de overeenkomsten van Dexia heeft ontvangen, en vermeerderd met wettelijke rente. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten niets meer aan [naam1] verschuldigd is, nadat zij is overgegaan tot uitbetaling van hetgeen in het vonnis is weergegeven. De kantonrechter heeft de vorderingen van Dexia voor het overige afgewezen. Verder heeft de kantonrechter Dexia veroordeeld in de proceskosten. In dit hoger beroep behandelt het hof de vorderingen van Dexia opnieuw.
2.4.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
2.5.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de weergave van de vorderingen van Dexia en de grondslagen daarvan. Deze weergave is in hoger beroep niet bestreden.
2.6.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, het alsnog volledig toewijzen van haar vorderingen en [geintimeerde] te veroordelen tot terugbetaling aan Dexia van al hetgeen door Dexia op grond van het bestreden vonnis is of zal zijn betaald, vermeerderd met wettelijke rente, en met veroordeling van [geintimeerde] in de proceskosten.
2.7.
[geintimeerde] heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, althans afwijzing van Dexia’s vorderingen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten.
3.Het oordeel van het hof
Toetsingskader vernietiging op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d enPro 1:89 BW
3.1.
Effectenleaseovereenkomsten worden aangemerkt als huurkoop. Dat maakt dat voor het aangaan van effectenleaseovereenkomsten de schriftelijke toestemming van de echtgenoot van de afnemer van de effectenleaseovereenkomsten was vereist (zie artikel 1:88 lid 1 sub d BWPro). De echtgenoot van de afnemer heeft de mogelijkheid de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen als hij/zij aan de afnemer geen toestemming voor het sluiten van de effectenleaseovereenkomsten had verleend (zie artikel 1:89 lid 1 BWPro). De verjaringstermijn voor de rechtsvordering tot vernietiging is drie jaar (artikel 3:52 lid 1 sub d BWPro). Na de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging kan niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd (artikel 3:52 lid 2 BWPro).
3.2.
De verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging vangt aan op het moment dat de betrokken echtgenoot daadwerkelijk, subjectief, bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenoot bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenoot met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenoot wist van de overeenkomst en niet om de vraag op welk moment de echtgenoot wist of begreep dat hij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. [2] Daarnaast geldt dat op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, de stelplicht rust en, bij voldoende betwisting, de bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot met de overeenkomst kan worden afgeleid. Wanneer de feiten en omstandigheden omtrent die daadwerkelijke bekendheid zich geheel in de sfeer van de wederpartij, zoals in dit geval [naam1] en [geintimeerde] , hebben afgespeeld, brengen de eisen van de goede procesorde mee dat aan de feitelijke onderbouwing van die stellingen van Dexia niet te zware eisen mogen worden gesteld. [3] Uit de rechtspraak volgt bovendien dat aan het verrichten van betalingen in het kader van de effectenleaseovereenkomst vanaf een en/of-rekening, een bewijsvermoeden kan worden ontleend met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn, in die zin dat wordt vermoed dat de echtgenoot van de wederpartij van Dexia, behoudens tegenbewijs, bekend is geraakt met de overeenkomst op de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop de desbetreffende betalingen staan vermeld. [4]
3.3.
Het hof neemt voorts in aanmerking dat uit het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 volgt dat als gevolg van de op 13 maart 2003 ingestelde collectieve actie van onder meer de Stichting Eegalease, de bevoegdheid van de echtgenoten tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is gestuit. [5] Aangezien voor de onderhavige rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in situaties waarin de overeenkomst weliswaar eerder is gesloten, maar de echtgenoot pas ná 13 maart 2000 bekend raakte met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenoot bekend wordt met de overeenkomst.
3.4.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 blijkt verder dat de eenmaal aangevangen stuiting doorloopt tot zes maanden na het einde van de collectieve procedure. [6] Die procedure is op 25 januari 2007, met de beslissing op het verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst, geëindigd op een andere wijze dan door toewijzing van de vordering (als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BWPro). Daarom diende, tot behoud van de stuitende werking van die procedure, uiterlijk op 25 juli 2007 de vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten te worden ingesteld, respectievelijk uitgebracht.
Toepassing in onderhavige zaak
3.5.
In dit geval heeft [geintimeerde] bij brief van 15 februari 2003 aan Dexia bericht dat zij de door [naam1] gesloten overeenkomsten vernietigt op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d joPro 1:89 BW, omdat zij daarvoor geen toestemming heeft gegeven. Tussen partijen staat vast dat dat [geintimeerde] de vereiste schriftelijke toestemming voor het aangaan van de overeenkomsten niet heeft gegeven, zodat de overeenkomsten op grond hiervan vernietigbaar waren. Verder is in dit geval de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de overeenkomsten niet zonder meer tijdig gestuit door de collectieve actie. De overeenkomsten zijn namelijk afgesloten vóór 13 maart 2000.
3.6.
Dexia heeft gesteld dat de betalingen ten aanzien van de overeenkomsten plaats hebben gevonden van een en/of-rekening die op naam was gesteld van [naam1] en zijn echtgenote, zodat de echtgenote al vóór 13 maart 2000 bekend was met het bestaan van de overeenkomsten. Tussen partijen is niet in geschil dat de betalingen ten aanzien van de overeenkomsten plaats hebben gevonden van een en/of-rekening die op naam was gesteld van [naam1] en [geintimeerde] . Naar het oordeel van het hof dient gelet op die omstandigheid voorshands te worden aangenomen, behoudens door [geintimeerde] te leveren tegenbewijs, dat [geintimeerde] al voór 13 maart 2000 bekend was met het bestaan van de overeenkomsten. [geintimeerde] heeft betwist dat zij van meet af aan bekend was met het bestaan van de overeenkomsten. In de conclusie van dupliek heeft [naam1] genoemd dat hij [geintimeerde] in maart 2001 voor het eerst heeft ingelicht over het bestaan van de overeenkomsten naar aanleiding van een tegenvallende eindafrekening. Verder heeft [geintimeerde] in de bij de kantonrechter overgelegde schriftelijke verklaring onder meer het volgende verklaard. [geintimeerde] is in het voorjaar van 2001 bekend geworden met het bestaan van de overeenkomsten. [naam1] heeft [geintimeerde] destijds verteld dat dat hij veel geld was verloren met een contract dat hij had afgesloten. [naam1] vertelde dat de contracten die hij had afgesloten een soort spaarregelingen waren, aldus [geintimeerde] . In het gezin van [naam1] en [geintimeerde] deed [naam1] alle financiën. [geintimeerde] deed het huishouden en bemoeide zich niet met de financiën. Prinsen opende alle post die binnenkwam, waaronder de bankafschriften. Post van Dexia is [geintimeerde] niet opgevallen. Verder deed [naam1] de (gezamenlijke) belastingaangifte. [geintimeerde] bekeek die aangifte niet. Grotere uitgaven, zoals de aankoop van nieuwe meubels of een koelkast, bespraken [naam1] en [geintimeerde] . [naam1] heeft bij de kantonrechter geen schriftelijke verklaring overgelegd, aangezien hij daartoe vanwege zijn medische toestand niet in staat was.
3.7.
[geintimeerde] heeft in dit verband bovendien bewijs aangeboden door onder meer het horen van getuigen, waaronder zijzelf. Het hof zal [geintimeerde] , conform haar bewijsaanbod, in de gelegenheid stellen dit tegenbewijs te leveren. Indien Dexia – op wie de bewijslast rust – dat wenst, kan zij in een contra-enquête aanvullend bewijs aandragen. De getuigenverhoren zullen zoveel mogelijk plaatsvinden in de maanden december 2025 en januari 2026. Verder zal een eventuele contra-enquête indien mogelijk, in overleg met partijen, op voorhand gepland worden aansluitend aan het getuigenverhoor.
3.8.
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.
4.De beslissing
Het hof:
4.1.
laat [geintimeerde] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat zij vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de overeenkomsten bekend raakte;
4.2.
als getuigen worden gehoord, zal raadsheer-commissaris mr. M. Schoemaker de getuigen verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem; partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn;
4.3.
[geintimeerde] moet op dinsdag 4 november 2025laten weten hoeveel getuigen hij wil laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten over de maanden december 2025 en januari 2026;daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast; dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is;
4.4.
[geintimeerde] moet de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof opgeven;
4.5.
een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, moet het hof en de wederpartij daarvan uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een kopie sturen;
4.6.
het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, M. Schoemaker en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025.
Voetnoten
1.Voor zover Dexia en/of [geintimeerde] in hoger beroep bij de memorie als productie een memorandum of een reactie daarop hebben overgelegd (al dan niet door deponering bij de griffie), stelt het hof vast dat deze producties geen bewijsstuk of productie zijn in de zin van artikel 1.2 aanhef en onder c van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR), maar uitgebreide processtukken, met een uitvoerige toelichting op de standpunten, al dan niet onder verwijzing naar verdere bijlagen die bij deze producties zijn gevoegd. Voor het indienen van dergelijke processtukken, naast de memorie die de argumenten van Dexia en/of [geintimeerde] bevat, bestaat geen ruimte. Bovendien is de maximumomvang van een memorie volgens het LPR 25 pagina’s. Overschrijding van die omvang – zoals door dit memorandum en de reactie daarop het geval is – vereist voorafgaande toestemming van het hof, die niet is gevraagd en dus ook niet is verleend. Een procespartij dient zijn bezwaren tegen de uitspraak in beginsel in zijn memorie gepreciseerd en gemotiveerd uiteen te zetten, niet door verwijzing naar een ander stuk. Op zo’n memorandum en de reactie daarop wordt daarom geen acht geslagen. Een en ander geldt niet of niet zonder meer voor de bij een memorandum overgelegde producties. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 26 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7324, rov. 2.2 en Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7752, rov. 1.2. Een eventueel bij de kantonrechter overgelegd en toegelaten memorandum en een reactie daarop behoren tot het procesdossier en zijn in de beoordeling betrokken.