Uitspraak
1.[appellante1] ,
3. [appellant3] ,
de moeder, appellanten 2, 3 en 4 ook wel:
de kinderenen appelanten tezamen:
de moeder en de kinderen,
Isala,
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.Waar gaat deze zaak over?
3.Het oordeel van het hof
Sophia ZHS Zwolle’.
‘Van kinderwens naar kind van de rekening’uitgebracht. In het rapport van de commissie Braat staat onder meer:
2.De juridische, maatschappelijke en medische context
(…)
3.Het onderzoek naar fertiliteitsbehandelingen in het Sophia ziekenhuis
(…)
4.De werkwijze bij fertiliteitsbehandelingen in het Sophia ziekenhuis en Isala
(…)
7.Conclusies
(…) De handelwijze van [de gynaecoloog] is moreel verwerpelijk en was ook in de periode waarin hij werkzaam was in het Sophia ziekenhuis in strijd met geldende professionele richtlijnen en gedragsregels. Het was primair de verantwoordelijkheid van [de gynaecoloog], hoewel het ziekenhuis destijds ook niet geheel vrij van blaam is. Het bestuur van Sophia ziekenhuis heeft zich op geen enkele wijze bemoeid met het opzetten van de fertiliteitsafdeling waaraan [de gynaecoloog] leiding gaf. Punt is wel dat er destijds niet echt wettelijke regels zijn overtreden c.q. niet zijn nageleefd door het ziekenhuis; simpelweg omdat deze er nog niet waren.’
Algemeen
De gezichtspunten
De afweging
aangaande de moeder
‘Op 11 mei zag ik mevrouw (…) voor de eerste zwangerschapscontrole. (…) Het is mogelijk dat er een tweelingzwangerschap bestaat, maar ik kan dat nog niet met zekerheid zeggen. Na hormonale ovulatie-inductie is er altijd een verhoogde kans op een meerlingzwangerschap, hetgeen ik ook tevoren met het echtpaar heb besproken.’In een daarop volgende brief van 1 juni 1988 heeft hij aan de huisarts geschreven:
‘Op 30 mei zag ik patiënte voor herhaling van de echoscopie. De zwangerschapsduur was ruim 10 weken. Er bleek nu een drieling-zwangerschap te bestaan. (…) Persoonlijk had ik liever een één- of tweeling zwangerschap gezien: het echtpaar zelf heeft geen enkel probleem met het accepteren van deze drieling.’Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is dit punt uitdrukkelijk aan de orde gekomen en de moeder heeft toen onder meer verklaard dat het zaad van haar echtgenoot slecht was en het risico op een zwangerschap klein. Om die reden hebben zij het risico van een drielingzwangerschap aanvaard. Nadat zij bericht had gekregen dat zij zwanger was van een meerling heeft zij ook niet aangegeven dat niet te wensen; ze was (begrijpelijk) blij dat ze zwanger was maar wist ook niet wat haar te wachten stond met een drieling, zo verklaarde zij.
aangaande de kinderen
de meesters en degenen, die anderen aanstellen tot de waarneming hunner zaken’ aansprakelijk voor de schade door ‘
hunne dienstboden en ondergeschikten veroorzaakt’. De bepaling betrof in de eerste plaats de aansprakelijkheid van de werkgever voor fouten van de werknemer. Voor het intreden van aansprakelijkheid was vereist dat de werkzaamheden in ondergeschiktheid werden verricht. Dat is hier niet het geval. Tussen de gynaecoloog en het ziekenhuis was geen sprake van een arbeidsrelatie. Het enkele feit dat het ziekenhuis met de gynaecoloog een toelatingsovereenkomst had gesloten leidt er niet toe dat geconcludeerd kan worden dat het ziekenhuis verder enige zeggenschap had over de werkzaamheden van de gynaecoloog als een ondergeschikte. Het ziekenhuis had weliswaar de bestuurlijk-juridische bevoegdheid voor het beleid en de dagelijkse gang van zaken voor alle afdelingen binnen haar ziekenhuis en dus ook voor de fertiliteitskliniek die de gynaecoloog leidde, maar dat maakt nog niet dat daarmee de gynaecoloog als ondergeschikte van het ziekenhuis is te beschouwen. [8]
aangaande de moeder en de kinderen