Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de memorie van antwoord van de Gemeente van 14 april 2026;
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 20 april 2026 achter gesloten deuren is gehouden.
2.De kern van de zaak
3.De toelichting op de beslissing van het hof
De overeengekomen verkoopprijs en lening waren destijds vastgesteld op basis van de waardering door de accountant, uitgaande van de situatie waarin alle contracten met de gemeente onverminderd zouden doorlopen. Inmiddels blijkt dat dit uitgangspunt onjuist is: het huidige voornemen van de gemeente zet de gehele onderneming op het spel en verandert de waarde van de aandelen fundamenteel. In werkelijkheid resteert er bij verlies van deze contracten nauwelijks of geen waarde.(…)
Om een faillissement te voorkomen en de continuïteit van de zorg te waarborgen, rest ons in feite nog maar één oplossing: jij ziet af van je resterende vordering en een verlies te nemen. Wij erkennen dat er inmiddels circa € 15.000 aan aflossingen is betaald en dat jij deze maand nog een totale aflossingsbetaling van ongeveer € 5.000 ontvangt van ons beiden(…)
. Daarnaast zijn wij bereid om, als tegemoetkoming en ter afronding, een extra bedrag van € 16.667 ineens te voldoen. Daarmee ontvang jij in totaal € 36.667. Dit bedrag vertegenwoordigt 10% van de totale koopsom van de door jou overgedragen aandelen. Dit bedrag kan, na jouw akkoord en de vastlegging van finale kwijting, aan jou worden uitgekeerd via onze holdings, zoals wij ook de aflossingen plegen te doen.”
Daarom ben ik bereid een verlies te nemen en mee te bewegen in jullie voorstel, ook al valt mij dat zwaar. Graag ontvang ik de stukken die ik de komende dagen zou moeten ondertekenen. Tegelijk neem ik mijn eigen positie serieus. Ik zal mijn advocaat informeren en met hem bespreken welke stappen richting de betrokken overheidsinstanties gezet kunnen worden, omdat ik de grondslag waarop kennelijk het Bibob-advies en het voornemen rusten niet rechtvaardig kan vinden.”
- Ingevolge art. 3 Wet Pro Bibob kunnen bestuursorganen een aangevraagde beschikking weigeren of intrekken als een ernstig gevaar bestaat dat de beschikking zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen (lid 1, aanhef en onder a en b). Een betrokkene staat onder meer in relatie tot strafbare feiten als een ander deze heeft gepleegd en deze persoon leidinggevende van betrokkene is, dan wel zeggenschaphebbende over betrokkene, vermogensverschaffer van betrokkene of een persoon die in een zakelijk samenwerkingsverband tot betrokkene staat of heeft gestaan (lid 4 aanhef en onder c). De weigering of intrekking als hiervoor bedoeld, vindt slechts plaats als deze evenredig is met (a) de mate van het gevaar en (b) voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in lid 1 onder b, betreft, de ernst van de strafbare feiten (lid 5). Voor zover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden die zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar (lid 7).
- Het Landelijk Bureau Bibob (LBB) heeft op grond van art. 9 Wet Pro Bibob tot taak op verzoek advies uit te brengen over de mate van gevaar als bedoeld in art. 3 Wet Pro Bibob (lid 1), maar ook om, als het gaat om een overheidsopdracht, desgevraagd aan rechtspersonen met een overheidstaak advies uit te brengen over de mogelijkheid dat een betrokkene wordt gefinancierd met uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen of de mate van gevaar dat een betrokkene, als de overheidsopdracht aan hem zou worden gegund, bij de uitvoering van die opdracht strafbare feiten zal plegen (lid 2 aanhef en onder c en d). Artikel 3 tweede Pro tot en met vijfde lid, zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing (lid 4).
- Op grond van art. 5 lid 2 aanhef Pro en onder b Wet Bibob kan een rechtspersoon met een overheidstaak het LBB om een advies vragen als die rechtspersoon (zoals hier de Gemeente) bij overeenkomst heeft bedongen dat de overeenkomst ontbonden wordt, indien zich een van de situaties, bedoeld in art. 9 lid 2 Wet Pro Bibob voordoet, alvorens zich op die ontbindende voorwaarde te beroepen.
- Uit art. 33 Wet Pro Bibob volgt dat een rechtspersoon met een overheidstaak die een beslissing neemt ter zake van de ontbinding van de overeenkomst met een partij aan wie een overheidsopdracht is gegund, de betrokkene in de gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen alvorens daartoe over te gaan (lid 2 aanhef en onder c jo. lid 1) Voor de toepassing zijn de artikelen 4:9 tot en met 4:12 van de Awb van overeenkomstige toepassing (lid 3).
Advocaat gemeente: De waardering is nu gebaseerd op de veronderstelling dat de contracten eindigen. Maar wat nu als die beëindiging niet doorgaat, voelt [broer 3] zich dan niet bekocht als het bedrijf alsnog gecontinueerd wordt op de oude voet en de waarde zoals die oorspronkelijk is gewaardeerd hetzelfde blijft?
Bestuursadviseur: Dat is aan hem. Het belangrijkste voor alle partijen is dat het bedrijf gezond door kan leven. [...] Voor [de zorginstelling] staat buiten kijf dat zolang op hem een verdenking rust, hij niet kan terugkomen in het bedrijf. Hij heeft ook afstand gedaan van alle mogelijke rechten, ook al zouden de overeenkomsten niet beëindigd worden en zou [broer 3] terugkomen op zijn afspraak.
Advocaat gemeente: Maar als de waarde toch de waarde is zoals die oorspronkelijk was, dan lijdt hij 90% verlies?
Bestuursadviseur: Ja dat zegt hij [ [broer 3] ] ook: “het doet mij [ [broer 3] ] pijn in het hart, maar ik [ [broer 3] ] neem het verlies.” Het is niet zo dat hij daarna zegt: “ik [ [broer 3] ] voel me belazerd.” Dat idee heeft [de zorginstelling] niet, want daar is ook over gesproken. Het belangrijkste vindt [broer 3] dat de broers niet in onmin geraken wegens een zakelijk conflict. [...]"
, blz. 63). Met het oog daarop is het gewenst dat ook zakelijke samenwerkingsverbanden uit het verleden in de beoordeling kunnen worden betrokken. Gedacht moet worden aan zakelijke samenwerkingsverbanden die weliswaar niet meer actueel zijn, maar de aanvrager bijvoorbeeld wel financieel voordeel hebben opgeleverd of het risico in zich hebben dat het zakelijk samenwerkingsverband herleeft nadat de vergunning is verstrekt. Uiteraard dient het bestuursorgaan te motiveren dat een zakelijk samenwerkingsverband uit het verleden voor de toekomst een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van Pro de Wet Bibob kan opleveren. De duur van het samenwerkingsverband en de kennis die betrokkene had van het strafrechtelijke verleden van de samenwerkingspartner kunnen hierbij onder meer een rol spelen.”
.
Over [broer 3] zijn (vermoedelijk) door hem gepleegde strafbare feiten gebleken die meewegen bij de beoordeling van de mate van gevaar. Bij de weging van de (vermoedelijk) door [broer 3] gepleegde strafbare feiten, houdt het Bureau rekening met het feit dat [broer 3] en [de zorginstelling] tot elkaar in een zakelijk samenwerkingsverband stonden. Het Bureau ziet dit recent verbroken zakelijk samenwerkingsverband echter wel als een relevante Bibob-relatie, zoals hierboven reeds uiteengezet, nu dit zakelijk samenwerkingsverband is verbroken gedurende de Bibob-procedure. Dit leidt ertoe dat (vermoedelijk) door [broer 3] gepleegde strafbare feiten in mindere mate meewegen bij de beoordeling van de mate van gevaar.”
[...]”
. Deze kwetsbare positie van cliënten uit zich niet alleen in de vorm van bijkomende problematiek zoals verslavingsproblematiek, maar bieden zorgorganisaties ook mogelijkheden“
[...]voor de werving van mensen om in te zetten bij criminele activiteiten.
[...]”
(IKZ, 2020). Hierbij valt te denken aan criminele uitbuiting, bijvoorbeeld het fungeren als loopjongen in de drugshandel (IKZ, 2020).
wat hij ook niet doet. De Gemeente is met dit voorval bekend geworden doordat zij een bestuurlijke rapportage heeft ontvangen en de Gemeente (niet [de zorginstelling] ) heeft dat voorafgaand aan de regiezitting aan het hof meegedeeld. Het is naar het oordeel van het hof goed te begrijpen dat de Gemeente niet erop vertrouwt dat [de zorginstelling] afspraken zal naleven en relevante ontwikkelingen tijdig en volledig zal melden en het standpunt inneemt dat minder verstrekkende maatregelen geen reële waarborg bieden omdat het vertrouwen onherstelbaar is beschadigd.