Uitspraak
1.Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V. (Zilveren Kruis)
2. Interpolis Zorgverzekeringen N.V. (Interpolis)
3. FBTO Zorgverzekeringen N.V. (FBTO)
4. De Friesland Zorgverzekeraar N.V. (De Friesland)
1.Het verloop van de procedure bij het hof
15 mei 2024 en 20 november 2024 tussen partijen zijn uitgesproken door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden [1] . Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• een akte van Medinello (met een productie)
€ 14.851.692,- aan schadevergoeding voor de jaren 2019 tot en met 2024 van Zilveren Kruis c.s. vordert, welk bedrag zij heeft onverdeeld tussen Zilveren Kruis c.s. naar rato van ieders marktaandeel.
2.De kern van de zaak
verbiedtbij de beoordeling van machtigingsgegevens een integrale herbeoordeling van de indicatiestelling van de revalidatiearts uit te voeren,
gebiedtom machtigingsaanvragen van Medinello alleen marginaal te toetsen en om in elk individueel geval alleen die gegevens over de gezondheid van patiënten op te vragen en te verwerken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van die specifieke machtigingsaanvraag en, ten slotte, Zilveren Kruis c.s.
verbiedtom standaard en ongericht stukken over de medische historie van een patiënt (zoals het huisartsenjournaal en behandelverslagen uit de eerste lijn) op te vragen.
1 december 2020. Ook heeft de rechtbank Zilveren Kruis c.s. onder het opleggen van een dwangsom verboden om - kort gezegd - bij de beoordeling van de machtigingsaanvragen van Medinello inbreuk te maken op het primaat van de revalidatiearts. De rechtbank heeft Zilveren Kruis c.s. veroordeeld tot betaling van € 6.775,- aan buitengerechtelijke kosten en tot betaling van de proceskosten van Medinello.
2.4 De bedoeling van het hoger beroep van Medinello is dat het hof alsnog haar schadevergoedingsvordering toewijst over de periode vanaf 1 januari 2019 (en niet vanaf
1 december 2021) en dat het hof de schade over de periode tot en met 2024 begroot op € 14.851.692,-, vermeerderd met rente en kosten.
De bedoeling van het hoger beroep van Zilveren Kruis c.s. is dat het hof de vorderingen van Medinello alsnog geheel afwijst.
3.De relevante feitenMedinello
In dit rapport duidt het Zorginstituut wat medisch-specialistische revalidatie is zoals medisch-specialisten (in dit geval revalidatieartsen) die plegen te bieden. Zorgverzekeraars, patiënten(organisaties) en zorgaanbieders hadden vragen over de reikwijdte van de medisch-specialistische revalidatie na wijzigingen in de zorgvraag, het aanbod en de regelgeving.
3.7 In het genoemde rapport is onder meer het volgende vermeld (steeds, ook bij de hierna nog op te nemen citaten, onder weglating van verwijzingen naar voetnoten):
3 DE TE BEOORDELEN INTERVENTIE EN INDICATIE
1.3 Behoefte aan zorg en indicatiestelling
Hierbij wil het Zorginstituut u informeren over de recente ontwikkelingen met
In ons e-mailbericht van 29 november 2024 hebben wij aangegeven dat IMSR bij
31 maart 2025 twee commissies van de Wetenschappelijke Adviesraad (WAR) van heeft het Zorginstituut vergaderd. In het verslag van deze vergadering is als samenvatting het volgende vermeld:
“
• De commissie blijft bij haar standpunt dat er momenteel geen wetenschappelijk bewijs is voor de effectiviteit van IMSR bij zowel voor de matched care als de last resort groep.
1.3 Stand van wetenschap en praktijkHet standpunt dat het Zorginstituut in 2022 heeft uitgebracht heeft betrekking op patiënten
2.9 Conclusie stand wetenschap en praktijk
3.5 ConclusieOp basis van de aangeleverde onderbouwing is de effectiviteit van IMSR in vergelijking met
2 april 2025 [2] afgewezen.
Het memo vervolgt:
6 Een verzekerde heeft op grond van deze drietrapsraket uitsluitend aanspraak op
Zilveren Kruis toetst dus niet of de medische indicatie juist is gesteld, maar wel of de verzekerde aanspraak heeft op de voorgestelde MSR. Zilveren Kruis [het hof begrijpt: toetst
] of aan het indicatievereiste (trede drie van de zorgregulatoire drietrapsraket) is voldaan. Van de medische indicatie vindt Zilveren Kruis niets, van het indicatievereiste (de vraag of de verzekerde redelijkerwijze is aangewezen op MSR en dus de vraag of er een verzekeringsrechtelijke aanspraak op) MSR bestaat) juist wél.”
12 Indien de MSR-aanbieder een machtiging voor een lange DOT aanvraagt, moet de
4.De toelichting op de beslissing van het hof
de stand van de wetenschap en praktijken, bij ontbreken van een zodanige maatstaf, door wat in het betrokken vakgebied geldt als verantwoorde en adequate zorg en diensten. Met dit criterium is beoogd om die zorg tot onderdeel van het verzekerd pakket te maken, die de betrokken beroepsgroep rekent tot het aanvaarde arsenaal van medische onderzoeks- en behandelingsmogelijkheden. Daarbij zijn zowel de stand van de medische wetenschap als de mate van acceptatie in de medische praktijk belangrijke graadmeters. [5] Het gaat om
evidence based medicine. Van belang is dat wat behoort tot de stand van de wetenschap en praktijk kan veranderen: (nieuwe) vormen van zorg kunnen tot de stand van de wetenschap gaan behoren en vormen van zorg die eerst wél tot de stand van de wetenschap en praktijk werden gerekend, kunnen in sommige gevallen daar niet langer toe behoren. [6]
die plegen te bieden. Met de woorden ‘plegen te bieden’ met daaraan gekoppeld de aanduiding van een beroepsbeoefenaar, worden de inhoud en omvang van de zorg worden bepaald. De term ‘plegen te bieden’ wordt ingevuld met toepassing van art. 2.1 lid 2 Bzv. De artikelen 2.1 lid 2 en 2.4 Bzv vullen dus samen in wat de verzekerde geneeskundige zorg inhoudt.
indicatievereiste: de verzekerde moet redelijkerwijs op de behandeling zijn aangewezen (art. 2.1 lid 3 Bzv).
a. het zorg betreft zoals medici die plegen te bieden;
b. deze zorg aan de stand van de wetenschap en praktijk voldoet
c. voldaan is aan het indicatievereiste.
Daarbij geldt dat de eerste twee criteria in beginsel zien op een algemene beoordeling of een specifieke vorm van zorg als te verzekeren prestatie is aan te merken. Dat wordt niet op het niveau van een individuele verzekerde bepaald, maar is in beginsel een algemene beoordeling aan de hand van wetenschappelijke literatuur en richtlijnen en standpunten van de beroepsgroep. Criterium c ziet wel op de vraag of een verzekerde redelijkerwijs op deze vorm van zorg is aangewezen. Het antwoord op die vraag vergt dus wel een individuele beoordeling; de zorg moet in het individuele geval ook (medisch) geïndiceerd zijn. Of dat zo is, is ter beoordeling van de beroepsbeoefenaar, die in dat kader dient te kijken naar de objectieve behoefte van de individuele patiënt en daarbij alle omstandigheden van het individuele geval in aanmerking neemt. [9]
zorgregulatoire drietrapsraket’ - een begrip dat het hof ook zal gebruiken -, maar zij lijken niet altijd helder te hebben dat de toetsing van de eerste twee trappen van die ‘raket’ op algemeen niveau plaatsvindt en dat alleen bij het derde onderdeel sprake is van een individuele toetsing. Het hof komt daar nog op terug.
Wat de gevolgen zijn van een standpunt van het Zorginstituut is volgens het rapport afhankelijk van de vraag of het standpunt in overeenstemming is met de uitvoeringspraktijk op dat moment. Als het standpunt luidt dat de medische behandeling voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk en de staande uitvoeringspraktijk is dat de zorgverzekeraars de behandeling al ten laste van de basisverzekering vergoeden verandert er niets. Het bepalen van een “omslagpunt” - het moment van de conclusie waarop de medische behandeling is gaan behoren tot de stand van de wetenschap en praktijk - is dan niet relevant (par. 6.2.1). Dat is anders wanneer het standpunt niet in overeenstemming is met de uitvoeringspraktijk. Wanneer in die situatie de uitvoeringspraktijk was dat een bepaalde medische behandeling voor vergoeding in aanmerking kwam, maar volgens het Zorginstituut niet vast komt te staan dat deze behandeling voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk, kan een probleem ontstaan. Het Zorginstuut merkt daarover op (par. 6.2.2):
“
In de regel zullen wij in zo’n geval aan ons standpunt geen terugwerkende kracht verbinden. Wij gaan ervan uit dat de zorgverzekeraars in dat geval de kosten van reeds vergoede behandelingen niet van de verzekerden zullen terugvorderen.
Nieuwe behandelingen (d.w.z. behandelingen die starten na de ingangsdatum van het standpunt) zullen conform het nieuwe standpunt afgewikkeld moeten worden. Voor lopende behandelingen is het advies aan zorgverzekeraars om een redelijke afbouwtermijn in acht te nemen”.
4.19 Maar ook uit diverse door de beroepsgroep van de revalidatieartsen opgestelde documenten volgt dat MSR behoort tot de zorg die revalidatieartsen plegen te bieden. In april 2016 hebben de VRA en RN de nota Indicatiestelling Medisch Specialistische Revalidatie vastgesteld, waarin MSR wordt beschreven en waarin wordt aangegeven wanneer een indicatie voor MSR bestaat. In de Zorgstandaard Chronische Pijn uit 2017 is aangegeven dat bij de behandeling van chronische pijn - als stap 4 in een ‘stepped care benadering’- multidisciplinaire diagnostiek, pijneducatie en behandeling in de tweede of derde lijn (een omschrijving van wat bij MSR gebeurt) kan plaatsvinden.
Anders dan - naar het hof begrijpt - Zilveren Kruis c.s. menen, volgt uit het laatstgenoemde rapport van het Zorginstituut ook niet dat MSR bij chronische pijn slechts zorg is die revalidatieartsen plegen te bieden indien sprake is van stepped care. Uit diverse door het hof aangehaalde passages volgt onmiskenbaar dat het Zorginstituut het begrip stepped care gebruikt in het kader van de indicatiestelling (onderdeel c van de zorgregulatoire drietrapsraket). De hoofdstukken 2 tot en met 5 van het rapport gaan volgens de inleiding van het rapport over het ‘plegen te bieden criterium’. Stepped care komt in die hoofdstukken alleen terug in par. 2.7 in de derde fase van het handelen van de revalidatiearts, die van de indicatie. Ook daar gaat het dus om het indicatievereiste. In hoofdstuk 6, waarin ‘in de vorm van een handleiding’ een aantal criteria worden gegeven die de revalidatiearts bij de indicatiestelling kan gebruiken, speelt stepped care wel een belangrijke rol. Overigens niet als ‘hard and fast rule’ maar als uitgangspunt, terwijl het Zorginstituut bovendien benadrukt dat dit deel van het rapport (hoofdstuk 6 en de bijbehorende bijlage C) geen standpunt is in de zin van artikel 64 Zvw Pro.
31 december 2024 zorg is die revalidatieartsen plegen te bieden, dus zorg die voldoet aan criterium a van de zorgregulatoire drietrapsraket. Het hof zal nu ingaan op de vraag of dat ook geldt voor criterium b, de stand van de wetenschap en praktijk.
tussenconclusieis allereerst dat MSR vanaf 1 december 2020 aan de eis van de stand van de wetenschap en praktijk voldeed en om die reden tot de verzekerde zorg behoorde. Voor de periode tot 1 december 2020 geldt dat MSR
indien sprake was van stepped caretot de verzekerde zorg behoorde vanwege de bestaande vergoedingspraktijk. Dat het Zorginstituut in het rapport van september 2022 als “omslagpunt” december 2020 heeft vermeld, doet daaraan niet af, omdat het oordeel over de stand van de wetenschap en praktijk voor wat betreft de vergoeding van MSR
bij stepped careovereenkomt met de vergoedingspraktijk.
- zie 3.10 t/m 3.14) niet meer vanuit worden gegaan dat MSR (en zeker MSR voor niet ‘last resort’ patiënten - dat zijn, naar het hof begrijpt, patiënten waarbij geen sprake is van stepped care -) voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. MSR behoort om die reden niet tot de verzekerde zorg. Het hof volgt Zilveren Kruis c.s. daarin niet. Allereerst heeft het Zorginstituut nog geen definitief standpunt ingenomen over de stand van de wetenschap en praktijk. Uit de overgelegde stukken betreffende de marginale toets en de concept-standpunten van het Zorginstituut volgt dat de patiëntenorganisaties en behandelaars zich hevig verzetten tegen de door het Zorginstituut in die stukken ingeslagen richting en onder verwijzing naar wetenschappelijke literatuur, betogen dat MSR bij chronische pijn wel aan de stand van de wetenschap en praktijk voldoet. Maar ook wanneer ervan moet worden uitgegaan dat het Zorginstituut op enig moment een nieuw standpunt inneemt dat MSR bij chronische pijn (al dan niet voor een deel van de patiënten) niet tot de stand van de wetenschap en praktijk behoort, zal dit standpunt geen terugwerkende kracht krijgen. Dat volgt uit de in het rapport van het Zorginstituut van 2015 vastgelegde systematiek (zie 4.10), welke systematiek ook wordt toegepast in par. 5.5 van het concept-standpunt van juli 2025 (zie 3.14). In die paragraaf is expliciet vermeld dat aan het standpunt geen terugwerkende kracht wordt verbonden. In lijn daarmee zijn de zorgverzekeraars, waaronder Zilveren Kruis c.s., ook na november 2024 MSR blijven vergoeden. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat Zilveren Kruis c.s. dat nog steeds doen. Dat betekent dat in de voor de vorderingen van Medinello relevante periode MSR bij chronische pijn feitelijk - en ongeacht het voorlopige standpunt van het Zorginstituut uit 2025 en een eventueel nieuw definitief standpunt over de stand van de wetenschap en praktijk - tot de verzekerde zorg heeft behoord. Op de vraag wat dat betekent voor de vordering van Medinello tot schadevergoeding komt het hof nog terug.
- waarvan het volgens Medinello maar de vraag is of dat wel een passende onderzoeksmethode is naar de effectiviteit van MSR -, maar wel hoogstaande wetenschappelijke studies, waaraan veel gewicht toekomt, aldus Medinello. Om die reden dient ervan te worden uitgegaan dat MSR bij chronische pijn ook jaren vóór 1 december 2020 al aan de stand van de wetenschap en praktijk voldeed.
slotsomis dat MSR bij chronische pijn vanaf (in elk geval) 1 januari 2019 tot
1 december 2020 behoorde tot de verzekerde zorg, en dus onder de dekking van de zorgverzekering viel, voor zover sprake was van stepped care en vanaf 1 december 2020 tot (in elk geval) 1 januari 2025 ook zonder dat sprake was van stepped care. Dat betekent niet dat een individuele verzekerde bij chronische pijn ook daadwerkelijk aanspraak had op vergoeding van MSR. Daarvoor was nodig dat een verzekerde ook was aangewezen op MSR (het indicatie-vereiste).
in beginseleen algemene beoordeling, die aan het laatste criterium een individuele beoordeling, waarbij geldt dat de indicatiestelling van de arts als uitgangspunt moet worden genomen en de verzekeraar niet op de stoel van de arts mag gaan zitten.
4.32 Dat geldt vanaf 1 december 2020 ook voor de toetsing aan de stand van de wetenschap en praktijk, omdat ervan moet worden uitgegaan dat MSR bij chronische pijn aan dit criterium voldoet (zie 4.24). Voor de periode van 1 januari 2019 tot 1 december 2020 ligt dat anders. In die periode is alleen aan de stand van wetenschap en praktijk voldaan indien sprake is van stepped care. Dat betekent dat - in afwijking van het uitgangspunt dat de toetsing aan de stand van de wetenschap en praktijk een algemene beoordeling vergt - per patiënt dient te worden beoordeeld of sprake is van stepped care. De reden daarvan is dat alleen bij stepped care is voldaan aan de voorwaarde dat de behandeling voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. En het antwoord op de vraag of sprake is van stepped care kan alleen op het niveau van de individuele patiënt/verzekerde worden gegeven en vergt daarom een individuele beoordeling. Voor die beoordeling geldt, anders dan bij de hierna te bespreken toetsing aan het indicatievereiste, niet dat de verzekeraar terughoudendheid dient te betrachten en moet uitgaan van het oordeel van de revalidatiearts. De verzekeraar mag
- nogmaals: in het kader van de stand van de wetenschap en praktijk - ‘vol’ toetsen of bij de verzekerde die de machtiging vraagt sprake is geweest van stepped care. Het aspect van stepped care kan ook aan de orde zijn bij de toetsing aan het indicatievereiste maar daar geldt wel dat de verzekeraar terughoudend dient te toetsen en uit moet gaan van de indicatiestelling.
Gesteld noch gebleken is dat Zilveren Kruis c.s. het memo naar aanleiding van het rapport van het Zorginstituut van 13 september 2022 over de stand van wetenschap en praktijk (zie 3.7) heeft aangepast. Dat volgt ook niet uit de voorbeelden van individuele toetsingen die zijn terug te vinden in het procesdossier.
Het hof gaat er dan ook vanuit dat Zilveren Kruis c.s. gedurende de gehele voor de vordering van Medinello relevante periode de machtigingsaanvragen van Medinello (in grote lijnen) heeft getoetst op de in het memo beschreven wijze en in dat kader ook de in het memo vermelde stukken heeft opgevraagd.
de uitgangspunten van stepped care in acht zijn genomen”. De toetsing onder (b) betreft het indicatievereiste en in dat verband moet worden vastgesteld of sprake is van een verzekerde “
bij wie alle mogelijke eerstelijnsbehandelingen voldoende zijn geprobeerd”. Als dat is vastgesteld moet worden vastgesteld of “
navolgbaar (…) is dat en waarom de betreffende verzekerde volgens de revalidatiearts redelijkerwijze is aangewezen op MSR.”
4.39 Vanaf 1 december 2020 is, zoals gezegd, een andere situatie ontstaan, doordat Zilveren Kruis c.s. toen alleen in het kader van het indicatievereiste kon toetsen aan stepped care. Dat betrof niet alleen een terughoudende toetsing, om te voorkomen dat Zilveren Kruis c.s. de stoel van de revalidatiearts zouden innemen, maar ook een toetsing waarbij Zilveren Kruis c.s. hadden te respecteren dat de revalidatiearts onder omstandigheden van (volledige) stepped care kon afwijken. Zilveren Kruis c.s. dienden een dergelijk oordeel van de revalidatiearts te volgen indien het deugdelijk onderbouwd, en daarmee navolgbaar, was. Het onderscheid dat Zilveren Kruis c.s. in dat verband maken tussen een medische indicatie van de revalidatiearts en een verzekeringsrechtelijke indicatie is gekunsteld en ongegrond. Indien de door de revalidatiearts gestelde (medische) indicatie navolgbaar is, dienen Zilveren Kruis c.s. van de juistheid daarvan uit te gaan. De medische indicatie is dan ook een genoegzame verzekeringsrechtelijke indicatie.
alle mogelijke eerstelijnsbehandelingen voldoende zijn geprobeerd” en pas daarna wordt getoetst of de indicatie “navolgbaar” is, waardoor ook in het kader van het indicatievereiste nog vol wordt getoetst aan stepped care. Bovendien hebben Zilveren Kruis c.s. stelselmatig, in strijd met de AVG, te veel medische informatie opgevraagd.
Verder hebben Zilveren Kruis c.s. vanaf 1 januari 2019 ten onrechte stelselmatig de verzoeken om een machtiging voor een lange DOT afgewezen en in plaats daarvan een korte DOT toegekend.
Dat uitvoeringsorganisaties zich in theorie zouden kunnen indekken tegen het verlies van opdrachten van Medinello doet niet af aan het feit dat wanneer hun opdrachten van Medinello verminderen doordat Zilveren Kruis c.s. minder opdrachten krijgt vanwege het beleid van Zilveren Kruis c.s. de uitvoeringsorganisaties per saldo minder opdrachten ontvangen dan zij zouden hebben ontvangen zonder het gewraakte beleid van Zilveren Kruis c.s. In zoverre verschilt hun positie ook niet van die van Medinello.
4.49 Uit het voorgaande volgt dat de positie van de uitvoeringsorganisaties van Medinello gelijk is aan die van Medinello. Dat betekent dat Medinello zowel kan opkomen voor haar eigen schade als voor die van de uitvoeringsorganisaties, waarvan zij door de fusie rechtsopvolgster onder algemene titel is geworden dan wel door wie zij gemachtigd is deze procedure te voeren.
1 januari 2019 onrechtmatig heeft gehandeld. Dat is slechts zeer beperkt het geval. Alleen ten aanzien van de toekenning van DOT4 geldt dat sprake is van onrechtmatig handelen vanaf 1 januari 2019, voor de volle toetsing aan stepped care en het opvragen van te veel medische informatie geldt dat pas vanaf 1 december 2020. De rapporten van Lengkeek zijn op het uitgangspunt gebaseerd dat Zilveren Kruis c.s. op al deze aspecten vanaf 1 januari 2019 onrechtmatig heeft gehandeld.
- De schadeberekeningen van Lengkeek zijn vooral het resultaat van een financieel onderzoek. De cijfers over de jaren 2019 tot en met 2024 zijn vergeleken met die van 2018 en met branchegegevens. Daardoor heeft de berekening een wat abstract karakter. De omzet van een onderneming is het resultaat van tal van factoren, die lang niet altijd met elkaar samenhangen. In de berekeningen van Lengkeek worden de door Lengkeek vastgestelde negatieve omzetontwikkelingen toegeschreven aan een van die factoren die van belang zijn voor de omzet zonder dat wordt vastgesteld dat alle andere factoren (zoals het personeelsbestand, de arbeidsproductiviteit, marketing, etc.) gelijk zijn gebleven.
- Daarmee samenhangend: Medinello heeft haar stelling dat doorverwijzers niet meer naar haar doorverwezen vanwege de problemen met Zilveren Kruis c.s. of dat verzekerden daardoor afhaakten slechts summier onderbouwd. Dat dit inderdaad de belangrijkste reden is geweest voor de negatieve omzetontwikkeling staat dan ook nog te bezien. In dit kader is van belang dat Zilveren Kruis c.s. erop hebben gewezen dat al meteen begin 2019 sprake was van een forse omzetdaling. Die kan niet het gevolg zijn geweest van onrechtmatig handelen van Zilveren Kruis c.s. daarin bestaande dat zij ten onrechte stepped care vol toetste en/of te veel medische informatie opvroeg. Dat de omzetdaling enkel het gevolg is van de ‘DOT-kwestie’ is ook niet op voorhand aannemelijk en al helemaal niet dat die kwestie vrijwel onmiddellijk een fors negatief effect had.
- Gupta heeft fundamentele kritiek op de berekening door Lengkeek van de indirecte schade (de schade vanwege vermeend omzetverlies). Het komt het hof op voorhand voor dat die schade nader onderbouwd moet worden, mogelijk door een onderzoek door een deskundige, onder meer naar de vraag of en in hoeverre CIR een betrouwbare ‘maatman’ is voor de omzetontwikkeling in de relevante markt.
4.64 Zilveren Kruis c.s. hebben zich allereerst op voordeelsverrekening beroepen. Zij stellen daartoe dat Medinello voordeel heeft gehad doordat zij, achteraf ten onrechte, in de jaren 2017 tot december 2020 MSR behandelingen aan Medinello hebben vergoed. Dat verweer gaat niet op. Voor het verrekenen van voordeel is noodzakelijk dat het onrechtmatig handelen of de toerekenbare tekortkoming bij de benadeelde niet alleen tot nadeel maar ook tot voordeel heeft geleid. Zilveren Kruis c.s. hebben niet onderbouwd dat hun onrechtmatig handelen, zoals hiervoor omschreven, er toe heeft geleid dat Medinello (ook nog gedurende een periode die grotendeels dateert van voor dat handelen) extra omzet heeft genoten.
De omzet die Medinello tot december 2020 heeft gegenereerd met de behandeling van verzekerden van Zilveren Kruis c.s. is het gevolg van het feit dat de door haar behandelde verzekerden van Zilveren Kruis c.s. op grond van hun zorgverzekering aanspraak konden maken op vergoeding van (een deel van) de kosten van de behandeling. De vergoeding is dan ook gebaseerd op de verzekeringsovereenkomst tussen de desbetreffende verzekerden en Zilveren kruis c.s. en de medische behandelingsovereenkomst tussen die verzekerden en Medinello. Bovendien staat tegenover de door Medinello ontvangen vergoeding een prestatie (de medische behandeling). Alleen om die reden is al geen sprake van
ongerechtvaardigdeverrijking. Het hof laat dan nog daar dat, zoals eerder uiteen gezet, de verzekerden in die periode ook aanspraak hadden op vergoeding van deze zorg omdat die deel uitmaakte van de verzekerde zorg.
Gelet op het voorgaande is er ook geen reden om vanwege de vóór 1 december 2020 door Medinello ontvangen vergoedingen een ‘billijkheidscorrectie’ - zoals door Zilveren Kruis c.s. bepleit, zonder dat duidelijk is wat de juridische grondslag daarvan zou zijn - toe te passen op de schadevergoedingsverplichting van Zilveren Kruis c.s.