ECLI:NL:GHARL:2026:696

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
25/1178
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 2 Wet WOZArt. 40 lid 2 Wet WOZArt. 7:4 lid 2 AwbArt. 6:228 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen WOZ-waardevaststelling woning en proceskostenvergoeding

Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 2022 voor het jaar 2023 is vastgesteld op €281.000. Tegen deze vaststelling en de aanslag onroerendezaakbelasting is bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

In hoger beroep stond centraal of de rechtbank de taxatiematrix van de heffingsambtenaar correct had beoordeeld en of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld. Belanghebbende voerde aan dat de waardering van de berging bij een vergelijkingsobject onjuist was en dat de waarde van de woning te hoog was, onder meer door onjuiste indexering en onvoldoende vergelijkbaarheid van objecten.

Het hof oordeelde dat de rechtbank niet in strijd met de goede procesorde had gehandeld door de berekening niet ter zitting voor te houden, omdat de taxatiematrix tijdig was overgelegd en partijen ter zitting hun zienswijze hadden gegeven. De heffingsambtenaar slaagde in zijn bewijslast dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede omdat alle vergelijkingsobjecten, inclusief het derde object, voldoende vergelijkbaar waren en de indexering juist was toegepast.

Belanghebbende beriep zich op dwaling bij het sluiten van een compromis over proceskostenvergoeding, maar het hof oordeelde dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken die tot vernietiging van het compromis zou leiden. Het hof vernietigde daarom het deel van de uitspraak over proceskosten en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van €250 aan proceskosten en €143 aan griffierechten.

Uitkomst: Het hof bevestigt de WOZ-waarde van €281.000 en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/1178
uitspraakdatum: 3 februari 2026
Uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank) van 15 april 2025, nummer ZWO 23/2668, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan de
regionale belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2022, voor het jaar 2023 vastgesteld op € 281.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. R. Schalke namens belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] , taxateur.

2.Vaststaande feiten

2.1
Belanghebbende is eigenaar van de woning met de volgende objectkenmerken:
Type woning
rijwoning
Bouwjaar
1997
Oppervlakte
102 m2
Kavel
128 m2
Overig
Berging/schuur vrijstaand
Dakkapel
2.2.
De heffingsambtenaar heeft als bijlage bij het verweerschrift in eerste aanleg de volgende taxatiematrix overgelegd, waarin alle KOUDV-factoren op 3 zijn gesteld, en waarin verder onder meer is opgenomen (waarde en PPE (prijs per eenheid) in €):
Object
Bouw
jaar
Opp. woning in m2
Waarde per m2
Kavel-
opp. in m²
Waarde per m²
Overige
L
Getaxeerde waarde
PPE
Woning
Waardegebied: W152
(rijwoning)
1997
102
2.317,67
128
315,00
Berging/schuur:
5
Erfdienstbaarheid:
- 945
3
281
2.262,87
Waarde per m2 (PPE TRN)
Waarde per m² (PPE TRN)
(PPE TRN)
Prijs TRN/
geïndexeerde TRN
datum TRN
[adres2]
Waardegebied W152
(hoekwoning)
1997
115
2.138,67
127
315,00
Berging/schuur:
3
Serre 10 m2:
9.6
3
281
298.552
(08-09-2021)
2121,28
[adres3]
Waardegebied:
W152
(rijwoning)
1997
97
2.113,56
113
315,00
Berging/schuur:
5
3
258.5
245.61
(01-04-2022)
2113,56
[adres4]
Waardegebied: W152
(rijwoning)
1987
109
2.553,77
175
321,75
Garage vrijstaand:
12
Balkon
1.5
Overkapping/luifel
1
4
330
349.167
(16-09-2021)
2553,77
2.3.
De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Zij heeft onder meer overwogen (waarbij voor ‘eiseres’ moet worden gelezen belanghebbende, en voor ‘de onroerende zaak’ de woning):
“13. Ten aanzien van de matrix in beroep voert eiseres aan dat de heffingsambtenaar de waarde van een berging inconsequent toepast, omdat de berging behorende bij de onroerende zaak van eiseres is gewaardeerd op € 5.000,- en bij [adres2] op € 3.000,-. Dit rechtvaardigt volgens eiseres de conclusie dat de waarde te hoog is vastgesteld.
14. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar erkend dat een onjuist bedrag (€ 3.000,-) is opgenomen voor de berging van [adres2] en dat dit € 5.000,- had moeten zijn, net als bij de onroerende zaak van eiseres, omdat de heffingsambtenaar werkt met een bijgebouwenmodel met vaste waarden voor onder andere bergingen. Bij het narekenen van de matrix heeft de rechtbank geconstateerd dat de taxateur in de matrix wel met de juiste bedragen heeft gerekend. Indien namelijk zou zijn gerekend met een waarde van € 5.000,- voor de berging, bedraagt de PPE € 2.121,28 voor [adres2] . Dit bedrag staat opgenomen rechts in de matrix en wordt betrokken bij de berekening van de PPE van de onroerende zaak van eiseres. De ‘onjuiste’ PPE van € 2.138,67 die volgt uit de berekening op basis van een berging van € 3.000,- staat evenwel opgenomen in de matrix onder de kolom ‘PPE TRN’, maar daarmee wordt niet doorgerekend. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat in de matrix een onjuist bedrag (€ 3.000,-) is vermeld voor de berging, maar dat dit zonder gevolgen blijft, omdat de matrix is doorgerekend met de juiste bedragen.”
2.4.
In het proces-verbaal ter zitting van de Rechtbank is over de waardering van de berging van vergelijkingsobject [adres2] – voor zover hier relevant – het volgende opgenomen:
“[Gemachtigde] (…) [adres2] ligt net wat verderop. Als je dan kijkt naar de WOZ-waarde die op 281 is vastgesteld en in de matrix ook. Ook ik heb serieus WOZ-waardes kunnen verlagen omdat die 1.000 euro te hoog was. De berging is identiek. De berging van belanghebbende wordt gewaardeerd op 5.000 euro en die van [adres2] op 3.000 euro. Dit zijn kleine wijzigingen zodat je op 281 komt. Dit is meten met twee maten en dat kan niet. Om die reden kan de waarde al 1.000 euro omlaag. (…) Als ik dan uitga van gemiddelde van de [adres2] en [adres3] , dan is het gemiddelde veel lager. Alles is verder hetzelfde, maar beide woningen worden veel lager gewaardeerd. (…) Kijk naar naburige woningen. En vergelijk daar de WOZ-waarde op, dan krijg je een zuivere vergelijking. En gebruik dezelfde waarde van de berging.
(…)
[Heffingsambtenaar]: oh ja, de berging. Die is gelijk zegt u. Dan kijk ik naar het verantwoordingsdocument. Dan kijken we naar de methodiek. Die gaat op stuksprijs, 5.000 euro zou dat moeten zijn. Onderhavig object heeft een berging van 3.000. Dat is dus 2.000 euro te laag. Dat is gek dat het zo is gewaardeerd, maar dat is te laag.
[Gemachtigde]: [de woning] staat op 5.000. 18 niet. Dat klopt dus niet.
[Heffingsambtenaar]: meneer heeft daar wel een punt. Die had op 5.000 euro moeten staan. Maar daarvoor is het voor ons nog steeds een goed vergelijkbaar object.
Rechter: leidt dat tot een andere uitkomst voor de WOZ?
[Heffingsambtenaar]: dat zal in de afronding zitten. Dat zou ik moeten narekenen.
Rechter: andere opmerkingen in repliek?
[Gemachtigde]: deze matrix klopt dus niet. Het kan ook met 1.000 euro verlaagd worden. In vond nog steeds dat de woning tussen de [adres2] en [adres3] ligt en dat de waarde daar ook tussen moeten liggen. Er is geen gelegenheid voor om het na te rekenen. Ik wil wel een keer uitspraak. Het duurt allemaal veel te lang. Ze hebben 2 jaar de tijd gehad om een matrix te onderbouwen.
Rechter: ik ga erover nadenken.
[Heffingsambtenaar]: ik kan het niet in 3 seconden narekenen.
Rechter: het gaat om een marginale wijziging.
[Heffingsambtenaar]: ik denk dat het uiteindelijk geen invloed heeft. Maar het hangt erom.”
2.5.
In hoger beroep heeft de heffingsambtenaar de in 2.2 opgenomen taxatiematrix, voor het vergelijkingsobject [adres2] , als volgt aangepast:
adres
onderdeel
m2
ppe/stuk
waarde p. onderdeel
[adres2]
woning
115
€ 2121,28
€ 243.947
berging
1
€ 5.000
grond
127
€ 315
€ 40.005
serre
10
€ 960
€ 9.600
waarde
€ 298.552
2.6.
De gemachtigde van belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben ter zitting van 14 oktober 2025 bij een andere enkelvoudige kamer van dit Hof in drie zaken (zaaknummers BK-ARN 25/232, 25/233 en 25/234), waarin dezelfde geschilpunten aan de orde waren, een compromis bereikt dat zich ook uitstrekt tot onder meer de onderhavige zaak. Dat compromis is neergelegd in uitspraken van het Hof van 28 oktober 2025.
2.7.
In onderhavige zaak betekent het compromis dat belanghebbende zijn grieven in hoger beroep dat:
(i) in de bezwaarfase het inzagerecht van artikel 7:4, lid 2, Algemene wet bestuursrecht is geschonden,
(ii) de heffingsambtenaar de verplichting van artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft geschonden, en (iii) de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd,
heeft ingetrokken onder de voorwaarden dat de heffingsambtenaar de proceskosten voor de beroeps- en hogerberoepsfase vergoedt tot een bedrag van € 250 en dat de heffingsambtenaar de betaalde griffierechten vergoedt tot een bedrag van in totaal € 143.
2.8.
Een andere enkelvoudige kamer van dit Hof heeft eveneens op 28 oktober 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarin dezelfde gemachtigde optrad. [1] Die enkelvoudige kamer verleende een proceskostenvergoeding uitgaande van een wegingsfactor 0,5.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de Rechtbank de door de heffingsambtenaar verstrekte taxatiematrix heeft aangepast en of het in strijd is met de goede procesorde als dat ter zitting niet is voorgehouden.
3.2.
Voorts is in hoger beroep in geschil of de waarde van de woning per de waardepeildatum te hoog is vastgesteld.
3.3.
Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend en bepleit een waarde van € 266.000. De heffingsambtenaar beantwoordt de vragen ontkennend.
3.4.
Met betrekking tot de waarde heeft belanghebbende het volgende aangevoerd:
  • de door de taxateur aangevoerde vergelijkingsobjecten [adres2] en [adres3] zijn goed vergelijkbaar met de woning, maar hebben ten onrechte een lagere prijs per meter dan de woning;
  • vergelijkgingsobject [adres4] is onvoldoende vergelijkbaar met de woning en daar is een te lage waarde aan de grond toegekend;
  • de indexering van de transactiewaarde van de vergelijkingsobjecten is te hoog.
3.5.
In hoger beroep is in geschil of belanghebbende zich kan beroepen op vernietiging van het onder 2.7 vermelde compromis wegens dwaling. Zo ja, is het antwoord op de in 2.7 vermelde grieven in geschil.
3.6.
De gemachtigde van belanghebbende stelt dat hij bij het sluiten van het compromis heeft gedwaald en meent dat het compromis daarom niet geldt in de onderhavige zaak. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat belanghebbende is gebonden aan het compromis en, voor het geval het Hof hem daarin niet volgt, dat de in 2.7 vermelde grieven niet slagen.

4.Beoordeling van het geschil

Goede procesorde
4.1.
De gemachtigde stelt dat de Rechtbank in strijd heeft gehandeld met de goede procesorde omdat zij hem de berekening – zoals opgenomen in r.o. 13 en 14 van haar uitspraak, zie 2.3 – niet ter zitting heeft voorgehouden.
4.2.
Het Hof volgt de gemachtigde niet in zijn standpunt. De taxatiematrix waarop deze grief betrekking heeft, is voor het eerst bij het verweerschrift in eerste aanleg van 22 oktober 2024 aan de gemachtigde overgelegd. Tussen de ontvangst van het verweerschrift en de zitting van de Rechtbank, op 6 februari 2025, zijn geen inhoudelijke stukken gewisseld. De gemachtigde heeft voor het eerst ter zitting bij de Rechtbank zijn grieven geuit over de in de taxatiematrix opgenomen waarde van de berging bij de [adres2] (zie 2.4). Beide partijen hebben, zo volgt uit het proces-verbaal, hun zienswijze daarover geuit. Ter zitting is tussen partijen vast komen te staan dat de berging van de [adres2] , evenals die van de woning, gewaardeerd had moeten worden op € 5.000. Ter zitting bij de Rechtbank kwam niet vast te staan welke invloed het in de taxatiematrix opgenomen lagere bedrag voor de berging (€ 3.000) had op de uiteindelijke prijs per eenheid van het vergelijkingsobject. De Rechtbank heeft die gelijke waardering van de berging in haar oordeel betrokken door na de zitting de matrix te beoordelen aan de hand van de grieven van de gemachtigde, namelijk een waarde van de berging van € 5.000. Daarbij heeft de Rechtbank geconstateerd dat in de matrix niet met het daarin vermelde bedrag van € 3.000 is doorgerekend, maar met € 5.000, zodat uit de vermelding van € 3.000 geen invloed op de prijs per eenheid van het vergelijkingsobject voortvloeit. In het licht van de pas op zitting door de gemachtigde geïntroduceerde grief, waarbij het gevolg daarvan voor de matrix op dat moment door partijen niet kon worden beantwoord, is het niet in strijd met de goede procesorde dat de Rechtbank het onderzoek niet heropend heeft om haar feitelijke constatering, die partijen overigens in hoger beroep ook niet hebben betwist, aan de gemachtigde voor te houden.
De waarde
4.3.
In hoger beroep bepleit belanghebbende voor de woning een lagere waarde. In dat geval rust op de heffingsambtenaar de last feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat de door hem verdedigde waarde niet te hoog is.
4.4.
De waarde als bedoeld in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". [2]
4.5.
Belanghebbende heeft de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van de woning gemotiveerd betwist. Daarom rust op de heffingsambtenaar de last aannemelijk te maken dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. [3] Bij beantwoording van de vraag of hij daarin slaagt zijn niet alleen de bewijsmiddelen die de heffingsambtenaar daartoe aandraagt van belang, maar ook de stukken en stellingen die belanghebbende ter betwisting daarvan aandraagt. [4]
4.6.
Indien belanghebbende beroep doet op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waardering van de woning leidt, zoals vervuiling of veroudering, is het aan hem te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt belanghebbende daarin, dan brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de heffingsambtenaar aannemelijk dient te maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden. [5]
4.7.
Slechts indien de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechter zelf tot een vaststelling in goede justitie van de in artikel 17, lid 2, Wet WOZ bedoelde waarde komen. [6] Dat betekent niet meer dan dat de rechter de waarde van de woning alleen op een door hem gekozen grondslag mag vaststellen indien de heffingsambtenaar niet het van hem te verlangen bewijs heeft geleverd en, nu belanghebbende een lagere waarde heeft bepleit, ook hij zijn daartoe aangevoerde stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt. [7]
4.8.
Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde wijst de heffingsambtenaar op een taxatieverslag en een taxatiematrix, opgesteld door [naam3] , taxateur. Hierin is de waarde van de woning op € 281.000 getaxeerd aan de hand van verkoopcijfers van drie woningen die omstreeks de waardepeildatum zijn verkocht.
4.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat [adres2] en [adres3] goede vergelijkingsobjecten zijn. Belanghebbende stelt dat het voldoende is om gebruik te maken van deze twee vergelijkingsobjecten (namelijk [adres2] en [adres3] ). Het derde vergelijkingsobject ( [adres4] ) moet volgens belanghebbende niet mee wordt genomen in de onderbouwing van de beschikte waarde. Het Hof deelt het standpunt van belanghebbende niet. Het is aan de rechter om de overtuigingskracht van de ingebrachte bewijsmiddelen te waarderen. Dat betekent dat het Hof alle vergelijkingsobjecten die de heffingsambtenaar ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde aandraagt zal beoordelen. Feitelijk betoogt belanghebbende dat het derde vergelijkingsobject niet voldoende vergelijkbaar is om daaruit conclusies te kunnen trekken over de gezochte waarde en daarom buiten beschouwing moet worden gelaten. Het Hof acht [adres4] voldoende vergelijkbaar; het object is op basis van zijn oppervlakte bijvoorbeeld zelfs beter vergelijkbaar dan de overige vergelijkingsobjecten. Het object ligt binnen een straal van 500 meter rond de woning aan de andere zijde van het centrum van [woonplaats] . Dat is weliswaar wat verder weg dan de andere vergelijkingsobjecten, maar maakt niet dat het object daarom niet als referentie zou kunnen dienen. De door beide partijen veronderstelde betere ligging van dit object doet daar niet aan af. Het Hof neemt daarom alle drie de aangevoerde vergelijkingsobjecten mee in de beoordeling van de vraag of de heffingsambtenaar in de onderbouwing van de door hem voorgestane waarde is geslaagd in het licht van hetgeen belanghebbende daartegen heeft aangevoerd.
4.10.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de taxateur bij de [adres4] is uitgegaan van een te lage grondwaarde per m2, uitgaande van niet geïndexeerde gronduitgifteprijzen, welke grondwaarde ook niet goed aansluit bij de grondprijzen van de overige vergelijkingsobjecten, welke maar een paar euro lager liggen, terwijl de ligging van de [adres4] beter is. De heffingsambtenaar heeft in reactie daarop toegelicht dat bij de taxatie van woningen voor de grondcomponent gebruik wordt gemaakt van grondstaffels en dat bij het bepalen van de grondstaffels rekening wordt gehouden met het afnemend grensnut. De grondprijzen worden niet geïndexeerd, maar de grondstaffels worden ieder jaar getoetst en eventueel bijgesteld aan de hand van de uitgevoerde marktanalyse. Het perceel grond bij de [adres4] is aanzienlijk groter dan het perceel van de woning en de overige vergelijkingsobjecten. Bij de waardering van de grond bij [adres4] is rekening gehouden afnemend grensnut en met een bovengemiddelde ligging, waardoor goed verklaarbaar is dat de grondprijs van de overige vergelijkingsobjecten per m2 een fractie ligt onder die van [adres4] , aldus nog steeds de heffingsambtenaar. Het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar hiermee, mede gelet op hetgeen belanghebbende ter betwisting heeft aangevoerd, een afdoende verklaring heeft gegeven voor de wijze van waardering en dat de grondwaarde per m2 bij [adres4] slechts een fractie ligt boven die van de overige vergelijkingsobjecten.
4.11.
Belanghebbende stelt dat vergelijkingsobject [adres2] als hoekwoning vrijer ligt en daarom relatief hoger moet worden gewaardeerd dan de woning. De heffingsambtenaar heeft daartegenover gesteld dat dit vergelijkingsobject vlak naast een appartementencomplex staat en dat tussen deze twee objecten slechts een kleine doorgang bestaat. Naar het oordeel van het Hof kan het zijn van een hoek- of eindwoning een waardeverhogende factor zijn, maar is de zeer beperkte vrije ligging in dit geval, door het zeer nabijgelegen appartementencomplex, een waardeverminderende factor. Dit betekent dat per saldo het voor- en nadeel elkaar mitigeren.
4.12.
Tot slot heeft belanghebbende ter zitting bij het Hof in algemene zin gesteld dat de indexering van de transactiewaardes van de vergelijkingsobjecten naar de waardepeildatum onjuist is, omdat in zijn beleving de waarde van woningen toentertijd niet zoveel zou zijn gestegen. De heffingsambtenaar heeft verwezen naar zijn “Verantwoordingsdocument waardebepaling woningen en niet-woningen” waarin de indexatiecijfers voor het bepalen van de waarde op waardepeildatum zijn opgenomen voor diverse woningtypen in de [woonplaats] aan de hand van permanente marktanalyse. Belanghebbende heeft de cijfers in het verantwoordingsdocument, als uitkomst van die permanente marktanalyse, niet betwist. Het Hof gaat daarom uit van de juistheid van die cijfers en daarmee van de indexering van de transactiecijfers naar de waardepeildatum.
4.13.
Belanghebbende heeft geen andere grieven aangevoerd tegen de door de heffingsambtenaar naar voren gebrachte vergelijkingsobjecten. Gelet op het voorgaande slaagt de heffingsambtenaar in de op hem rustende bewijslast dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.
Dwaling
4.14.
De gemachtigde heeft ter zitting van het Hof aangegeven dat hij heeft gedwaald bij het sluiten van het compromis voor onderhavige zaak, doordat de raadsheer partijen op de zitting van 14 oktober 2025 heeft voorgehouden dat hij, als hij de beroepen gegrond zou verklaren, voor de proceskostenvergoeding een wegingsfactor 0,25 zou hanteren. De gemachtigde heeft naar aanleiding van die voorstelling van zaken uiteindelijk ingestemd met het in 2.3 opgenomen compromis. Als hij had geweten dat een andere enkelvoudige kamer van het Hof een hogere wegingsfactor zou toekennen, dan was hij niet akkoord gegaan met het compromis, aldus de gemachtigde.
4.15.
De heffingsambtenaar heeft ter zitting bestreden dat sprake is van dwaling. Hij heeft zelf niet gedwaald over de inhoud van het compromis. Een rechter kan in een andere procedure tot een andere proceskostenvergoeding komen. De gemachtigde is bovendien een professionele no-cure-no-pay-procespartij.
4.16.
Uit artikel 6:228, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek volgt – voor zover voor deze procedure van belang – dat een overeenkomst die onder invloed van dwaling tot stand is gekomen én bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten vernietigbaar is indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden. De omstandigheid dat partijen met betrekking tot een bepaalde kwestie in onzekerheid verkeren en daarom een vaststellingsovereenkomst (compromis) sluiten, sluit een geslaagd beroep op dwaling niet uit. [8]
4.17.
Het is aan belanghebbende, die zich op vernietigbaarheid wegens dwaling beroept, om feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting aannemelijk te maken die tot de conclusie leiden dat sprake is van dwaling. Hof oordeelt dat belanghebbende niet in deze bewijslast is geslaagd en overweegt daartoe als volgt.
4.18.
In dit geval verkeerden beide partijen in onzekerheid over de vraag of het Hof de ter zitting van 14 oktober 2025 besproken formele grieven zou honoreren en zo ja, wat dan de toe te kennen proceskostenvergoeding zou zijn. Dat maakt dat de vraag voorligt of sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken en, zo ja, of de heffingsambtenaar moest begrijpen dat de gemachtigde bij een juiste voorstelling van zaken van het sluiten van het compromis zou hebben afgezien. [9]
4.19.
In de vier hiervoor, onder vaststaande feiten, genoemde uitspraken van 28 oktober 2025 lijkt, zoals belanghebbende stelt, sprake van (vrijwel) gelijkluidende, louter formeelrechtelijke vragen.
4.20.
Het Hof heeft als bijlage bij zijn uitspraak van 20 augustus 2024 het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (hierna: het richtsnoer) gevoegd. In het richtsnoer is, voor zover relevant, het volgende opgenomen [10] :
“(…) De uitkomst van de beoordeling van het gewicht van de zaak dient in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. [11] Het is niet wenselijk om de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. Dit richtsnoer kan daarom slechts als niet-bindende handreiking worden beschouwd. Een afwijking van het richtsnoer vergt geen specifieke motivering. De genoemde voorbeelden zijn indicatief, niet limitatief. (…)
1.2.
Gewicht zeer licht (wegingsfactor 0,25)
Voor een zaak met een zeer gering belang en met een zeer eenvoudig te beslechten geschil (de zaak behoeft slechts een geringe inspanning van de rechtsbijstandsverlener), zou als wegingsfactor voor het gewicht van de zaak 0,25 kunnen worden aangehouden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de volgende gevallen:
(…)
c. Bij zeer eenvoudige vragen over nevenvorderingen of van formeelrechtelijke aard (zoals een evident geschil over een dwangsom of een zaak waarin een tijdig bezwaarschrift over het hoofd is gezien).
(…)
1.3.
Gewicht licht (wegingsfactor 0,5)
Voor een zaak met een gering belang en een eenvoudig geschil, zou als wegingsfactor voor het gewicht van de zaak 0,5 kunnen worden aangehouden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de volgende gevallen:
[…]
b. Bij vragen van formeelrechtelijke aard of over een nevenvordering met enige complexiteit (zoals een niet evidente zaak over de toekenning van een dwangsom, of over rente).”
4.21.
Het Hof stelt voorop dat het streven is in gelijke zaken een gelijke wegingsfactor toe te kennen. Dat laat echter onverlet dat het aan de individuele raadsheer die een zaak behandeld is om een proceskostenvergoeding toe te kennen en de hoogte daarvan te bepalen. Het richtsnoer is bedoeld als een handreiking. Het staat een raadsheer vrij daarvan af te wijken als de individuele zaak daar om vraagt. In dit geval, waarbij in alle vier de zaken formeelrechtelijke vragen aan de orde waren, laat het richtsnoer ruimte om tot een wegingsfactor ‘zeer licht’ of ‘licht’ te komen. Dat, in combinatie met het niet bindende karakter van het richtsnoer, maakt dat niet kan worden gezegd dat het voorhouden van de wegingsfactor 0,25 tijdens de zitting van 14 oktober 2025 als een onjuiste voorstelling van zaken kan worden aangemerkt, ook niet als een andere raadsheer in een andere zaak tot een wegingsfactor 0,5 is gekomen.
4.22.
Ten overvloede merkt het Hof op dat zelfs als het voorhouden van de wegingsfactor 0,25 tijdens de zitting van 14 oktober als een onjuiste voorstelling van zaken zou moeten worden aangemerkt, belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de heffingsambtenaar niet had hoeven begrijpen dat de gemachtigde de vaststellingsovereenkomst niet zo zou hebben gesloten. Daarbij is relevant dat de gemachtigde, die namens alle belanghebbenden in de zaken op de zitting van het Hof van 14 oktober 2025 en belanghebbende in de onderhavige zaak handelde, een professionele no-cure-no-payprocespartij in WOZ-zaken is, waarvan verondersteld mag worden dat hij op de hoogte is van de toepasselijke regels en hoogte van proceskostenvergoedingen en dat hij zelf zijn goede en kwade kansen in een WOZ-procedure voldoende kan afwegen.
4.23.
Het voorgaande betekent dat belanghebbende zich voor onderhavige zaak niet met succes kan beroepen op vernietiging van de met de heffingsambtenaar gemaakte afspraken. Daarom zal het Hof oordelen conform het op zitting van 14 oktober 2025 gesloten compromis, zoals opgenomen in 2.7. Er zijn geen overige grieven die bespreking behoeven.
Slotsom
4.24.
Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is.

5.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend voor zover het betreft de beslissing omtrent de proceskosten;
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 250, en;
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende de betaalde griffierechten vergoedt tot een bedrag van € 143.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
(G.J. van de Lagemaat) (M.M. Breij)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden 28 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6776.
2.Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 3, blz. 44.
3.Vergelijk Hoge Raad 14 oktober 2005 ECLI:NL:HR:2005:AU4300 (Oostflakkee), r.o. 3.2.
4.Vergelijk Hoge Raad 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332, r.o. 3.2.
5.Vergelijk. Hoge Raad 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7597, r.o. 3.2.4, Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1776, r.o. 2.4, en Hoge Raad 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571, r.o. 4.2.3.
6.Vergelijk Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300 (Oostflakkee), r.o. 3.2.
7.Vergelijk. Hoge Raad 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571, r.o. 4.2.2.
8.Vgl. Hoge Raad 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3129.
9.Vgl. HR 6 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9250.
10.Hof Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.
11.Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293.