Uitspraak
Uitspraak d.d. 16 december 2015
[X] N.V. te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de Inspecteur,
Afdracht, bezwaar en geding in eerste aanleg
Loop van het geding in hoger beroep
Vaststaande feiten
Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen
Conclusies van partijen
Oordeel van de Rechtbank
Wetstechnische gronden
De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren."
Beoordeling van het hoger beroep
principle of lawfulness’);
principle of legitimate aim’); en
principle of fair balance’oftewel proportionaliteitstoets).
fair balance’, dan ontbreekt desalniettemin een ‘
fair balance’ als een bepaalde individuele belastingplichtige wordt geconfronteerd met een buitensporige last (‘
individual and excessive burden’).
lawfulness’ moet de regeling een wettelijke basis hebben en voorts voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitvoering zijn (zie EHRM 5 januari 2000, nr. 33202/96, Beyeler, NJ 2000/571).
lawfulness’.
wide margin of appreciation’) toe met betrekking tot de toets of met de desbetreffende maatregel een legitiem doel in het algemeen belang wordt nagestreefd (zie EHRM 14 mei 2013, nr. 66529/11, N.K.M., FED 2013/79).
fair balance’ te bestaan.
is devoid of reasonable foundation”; zie EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, M.A.,V-N 2003/52.2). Dat het gestelde doel ook met een lichter middel kan worden bereikt, is op zichzelf beschouwd niet toereikend voor het oordeel dat de inbreuk op het eigendomsrecht ongerechtvaardigd is (zie EHRM 19 december 1989, nr. 11/07084, Mellacher, Publ. Series A, nr. 169, punt 53).
fair balance’aanwezig is, moet de crisisheffing worden beschouwd in haar context als onderdeel van een veelomvattend pakket aan saldoverbeterende maatregelen. Maatregelen waarvan het Begrotingsakkoord 2013 meldt dat ze ingrijpend zijn en iedereen in Nederland zullen treffen, maar evenwichtig over de huishoudens zijn verdeeld, met oog voor de lage inkomens. De uit het Begrotingsakkoord 2013 voortvloeiende maatregelen treffen dan ook niet alleen de inhoudingsplichtigen die met de crisisheffing worden geconfronteerd.
fair balance’ op wetgevend niveau desondanks niet doorstaat vanwege haar (materiële) terugwerkende kracht. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de crisisheffing vóór 25 mei 2012 niet (voldoende) voorzienbaar was, en dat zij de gerechtvaardigde verwachting had dat haar loonkosten over een reeds afgesloten periode niet met terugwerkende kracht zouden worden vermeerderd. Belanghebbende wijst er hierbij nog op dat het EHRM in de zaak Joubert (EHRM 23 juli 2009, nr. 30345/05) heeft geoordeeld dat louter budgettaire belangen geen rechtvaardiging vormen voor terugwerkende kracht van belastingwetgeving. Voorts stelt belanghebbende dat de regeling van artikel 32bb van de Wet (bovenmatige vertrekvergoeding) in eerdere jaren uitbetaald salaris in de berekening van de heffingsgrondslag betrekt, terwijl de crisisheffing reeds uitbetaald salaris achteraf alsnog belast, wat het materieel terugwerkende karakter van de crisisheffing veel storender maakt dan dat van de eerstgenoemde regeling.
fair balance’ (meer) bestaat tussen de betrokken belangen (zie EHRM 10 juni 2003, 27793/95 M.A., V-N 2003/52.2, en EHRM 13 januari 2015, nr. 50131/12, Huitson, FED 2015/63, punt 28). Weliswaar komt ‘
retroactive taxation’ in de visie van het EHRM met name in beeld in gevallen waarin sprake is van situaties waarin belastingplichtigen gebruik maken van technische tekortkomingen in de wet (antimisbruikwetgeving/reparatiewetgeving), maar uit de jurisprudentie van het EHRM volgt niet dat alleen in dergelijke situaties de door ‘
retroactive taxation’ bewerkstelligde inbreuk op het eigendomsrecht gerechtvaardigd is.
fair balance’ tussen de gebruikte middelen (de crisisheffing) en het doel dat wordt nagestreefd (de beperking van het begrotingstekort).
fair balance’ als zij wordt afgezet tegenover de substantiële impact van de onvoorzienbaar terugwerkende heffing op de financiële en contractuele posities van de betrokken inhoudingsplichtigen.
fair balance’, niet los kan worden gezien van het totaal pakket aan saldoverbeterende maatregelen. Maatregelen waarvan de crisisheffing met een verwachte opbrengst van 0,5 miljard euro er één was. In dat licht bezien doen naar ’s Hofs oordeel de omstandigheden dat de crisisheffing goed was voor slechts 4 percent van de opbrengst van het Begrotingsakkoord 2013 en dat het met terugwerkende kracht voorbij het voorzienbaarheidstijdstip (25 mei 2012) geheven deel daarvan een nog geringer deel van de opbrengst beslaat, niet af aan de rechtvaardiging van de crisisheffing. Het Begrotingsakkoord 2013 moest op zeer korte termijn tot stand komen om te voldoen aan de door de Europese Commissie geëiste terugdringing van het nationale begrotingstekort en om zodoende te voorkomen dat Nederland zou worden geconfronteerd met zeer nadelige financiële consequenties. De keuze met welke maatregelen het begrotingstekort moest en kon worden teruggedrongen, komt naar ’s Hofs oordeel uitsluitend aan de wetgever toe. Dat het gestelde doel wellicht ook met een minder ingrijpende maatregel dan de crisisheffing had kunnen worden bereikt, betekent nog niet dat daarom de inbreuk op het eigendomsrecht ongerechtvaardigd was. Het Hof acht het overigens geenszins uit te sluiten dat een individuele inhoudingsplichtige dusdanig wordt getroffen door de gedeeltelijk onvoorzienbaar terugwerkende heffing dat sprake is van een disproportionaliteit tussen het algemeen belang en het belang van die inhoudingsplichtige, maar die toets moet niet op het hier aan de orde zijnde niveau van de wetgeving worden aangelegd maar bij de beoordeling of sprake is van een individuele buitensporige last (‘
individual and excessive burden’; zie hierna onder 7.30 en volgende).
fair balance’.
‘fair balance’tussen enerzijds het belang van de Staat om het begrotingstekort terug te dringen en anderzijds de belangen van inhoudingsplichtigen zoals belanghebbende heeft verstoord. Het voor inhoudingsplichtigen optredende nadeel dat zij loonbetalingen gedaan vóór 25 mei 2012, die ingevolge artikel 32bd in aanmerking worden genomen als op 31 maart 2013 genoten loon, niet meer konden beïnvloeden, doet zich immers voor ongeacht of deze loonbetalingen een incidenteel of een structureel/regulier karakter hebben. De omstandigheid dat zij daardoor worden geconfronteerd met aanzienlijke niet voorzienbare financiële lasten, doet zich bij beide vormen van loon evenzeer voor. Aangezien het Hof belanghebbendes standpunt reeds op deze grond verwerpt, wordt niet toegekomen aan de door de Inspecteur in dit verband aangevoerde stelling dat de door belanghebbende betaalde bonussen en premies geen incidentele loonbestanddelen zijn maar als structureel of regulier loon moeten worden gekwalificeerd.
fair balance’ op wetgevend niveau.