Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 26 januari 2016
[appellant]
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
in de periode van 1 januari 1998 tot heden in het buitenland aangehouden bankrekeningen en/of andere in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen, waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, inlichtingen en gegevens over bankrekeningen aangehouden bij de Rabobank Luxembourg, onder de voorwaarde dat de gegevens en inlichtingen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud mondeling en/of schriftelijk op een door de Belastingdienst nader aan te geven wijze worden verstrekt, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2000,-- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat zij daarmee in gebreke blijven, met een maximum van € 300.000,-- ten aanzien van ieder van hen”
grief 1betoogt [appellant] in dit verband dat de brieven van 11 oktober 2012, 19 november 2012, 23 januari 2014 en 13 februari 2014 niet strekten ter uitvoering van de veroordeling door het Hof, zoals die is bekrachtigd door de Hoge Raad. Het arrest van het hof van 24 april 2012 is de grondslag van de aan [appellant] opgelegde informatieplicht en deze grondslag ontbreekt in genoemde brieven, aldus [appellant]. Het gevolg daarvan is dat het geen gehoor geven aan de oproepen in die brieven, niet betekent dat [appellant] niet heeft voldaan aan bedoelde informatieplicht zodat geen dwangsommen zijn verbeurd, zo betoogt [appellant]. [appellant] heeft ter zitting hieraan toegevoegd dat in de oproepen steeds verwezen wordt naar artikel 41 AWR Pro, terwijl de grondslag van de veroordeling door het hof is gelegen in de artikelen 47 jo. 49 AWR.
grieven 2 en 6voert [appellant] voorts aan dat de Belastingdienst de oproepen aan [appellant] in persoon had moeten toesturen en hem in persoon voor een onderhoud had moeten oproepen. Dit vloeit volgens [appellant] voort uit het feit dat het erom ging dat hij aan de rechterlijke uitspraken moest voldoen (grief 2) en uit het feit dat een oproep ex artikel 41 AWR Pro moet worden aangemerkt als besluit in de zin van de Awb (grief 6). De plicht om de oproepen aan [appellant] in persoon toe te sturen, vloeit naar de mening van [appellant] bovendien voort uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waar de Belastingdienst hoe dan ook aan gebonden is, ook als geen sprake zou zijn van besluiten. [appellant] betwist afschriften van de brieven te hebben ontvangen.
voor zoverdit onderhoud in het kader van het bezwaarschrift plaatsvindt….” cursivering hof) maakt duidelijk dat de oproep niet alleen ziet op het bezwaarschrift. In de brief van 19 november 2012 wordt vervolgens verwezen naar de brief van 11 oktober 2012, zodat voor die brief hetzelfde geldt.
Beoordeling van de grieven 3 en 7
grief 3eveneens faalt, voor zover deze grief inhoudt dat [appellant] nooit is opgeroepen voor een onderhoud. Voor zover deze grief voorts de stelling inhoudt dat [appellant] door middel van het invullen en retourneren van de formulieren aan zijn informatieplicht heeft voldaan, behoeft de grief gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen bespreking. Hetzelfde geldt voor
grief 7waarmee [appellant] betoogt dat het aan de Staat is om te bewijzen dat [appellant] daadwerkelijk in staat is om de in de formulieren bedoelde bescheiden te verstrekken. Hieraan zij toegevoegd dat voor zover [appellant] met grief 7 bedoelt te stellen dat de Belastingdienst eerst moet aantonen dat [appellant] enig vermogen in het buitenland heeft, de grief faalt op grond van hetgeen hierboven onder 4 is overwogen.
Beoordeling van grief 5
Grief 5([appellant] is niet voor een onderhoud opgeroepen en [appellant] heeft door het invullen van de formulieren dus geheel voldaan aan zijn informatieplicht) bouwt op de overige grieven voort en deelt dus het lot daarvan.