Conclusie
1.Feiten en procesverloop
“Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en) en/of vermogensbestanddelen”), de gestelde vragen te beantwoorden op een ander bij de brief gevoegd formulier (
“Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)”) en deze formulieren, door [eiser] getekend en vergezeld van de gevraagde bescheiden, afschriften van de desbetreffende bankrekeningen en overzichten van de effectenportefeuille over de periode 1 januari 1998 tot en met 31 december 2011, in te zenden. De Belastingdienst heeft daarbij medegedeeld voornemens te zijn (de advocaat en) [eiser] zo nodig voor een mondelinge toelichting uit te nodigen. Een afschrift van deze brief is aan [eiser] gestuurd. Ook nu heeft [eiser] alleen opgave van een tweetal bankrekeningen in België gedaan.
LK)). Op 23 januari 2014 volgde de hierboven (onder 1.10 (zie hiervóór onder 1.11; LK)) vermelde oproepingsbrief. Naar het voorlopig oordeel van het hof moest [eiser] in ieder geval op dat moment (zo niet al eerder, in 2012) in redelijkheid begrijpen wat de Belastingdienst van hem verwachtte, namelijk dat hij contact zou opnemen om een datum voor een onderhoud te plannen en dat hij (samen met zijn advocaat) op dat onderhoud zou verschijnen teneinde mondeling informatie te verstrekken zoals bevolen door de rechter.
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
“desgevorderd”is gehouden zijn vertegenwoordiger te vergezellen. Het middel stelt (onder 1.3) dat deze vordering door de inspecteur als een besluit moet worden aangemerkt en verwijst daartoe (onder 1.4) naar hetgeen [eiser] in hoger beroep op dit punt heeft aangevoerd [10] . [eiser] heeft voornoemde stelling in hoger beroep onder meer doen steunen op de opvatting van A-G Wattel dat een schriftelijk vordering ex art. 41 Awr Pro een besluit in de zin van art. 1:3 lid 1 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb) is [11] .
“daarmee”blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zo besluit het middel (onder 1.7).
bekendmaken (toezenden)van de oproep ex art. 41 Awr Pro, daar stelt de schriftelijke toelichting op dit punt (onder 44-53) dat de
vorderingex art. 41 Awr Pro aan [eiser] had moeten zijn gericht. Van
[eiser]had moeten worden gevorderd dat hij zijn advocaat zou vergezellen naar het onderhoud. De brief van 23 januari 2014 bevatte evenwel slechts een vordering aan de advocaat van [eiser] om zich te doen vergezellen door zijn cliënt, aldus de toelichting.
van u vorderdat uw cliënt [eiser] u vergezelt naar dit onderhoud.” (onderstreping toegevoegd; LK).
[eiser]was die werd opgeroepen om zijn advocaat naar het onderhoud met de inspecteur te vergezellen. Het was dus (redelijkerwijs [38] ) duidelijk dat de oproep tot persoonlijke verschijning bestemd was voor [eiser], niettegenstaande het feit dat de vordering daartoe naar de letter genomen aan diens advocaat was gericht [39] . Daarbij mag ervan worden uitgegaan dat [eiser] van deze oproep op de hoogte is geraakt, al dan niet via zijn advocaat-gemachtigde. Dit volgt uit rov. 10 van het bestreden arrest, waarin het hof (in cassatie onbestreden) heeft vastgesteld dat de brief van 23 januari 2014 in afschrift aan [eiser] is gestuurd en voorts dat niet is gesteld dat de advocaat van [eiser] de aan hem gerichte brieven niet zou hebben doorgestuurd naar [eiser] dan wel hem niet van de inhoud daarvan in kennis zou hebben gesteld [40] .
hijop voet van art. 41 Awr Pro door de inspecteur was opgeroepen om zijn gemachtigde te vergezellen bij het onderhoud in het kader van zijn veroordeling tot informatieverstrekking. Daarbij kan tevens worden gewezen op de volgende overweging van het hof, welke in cassatie slechts wordt bestreden met de klacht (middel 2) dat het hof aldus ten onrechte zou hebben overwogen dat [eiser] het initiatief had moeten nemen tot het maken van een afspraak voor een onderhoud:
hij (samen met zijn advocaat)op dat onderhoud zou verschijnen teneinde mondelinge informatie te verstrekken zoals bevolen door de rechter.” (onderstreping toegevoegd; LK)
“oordelende als het hof heeft gedaan”, van een onjuiste lezing van voornoemd vonnis van de voorzieningenrechter blijk gegeven. Daarbij merkt het middel op dat de Belastingdienst naar aanleiding van de verhindering van [eiser] wegens zijn verblijf in Turkije geen nieuwe data heeft opgegeven waarop het onderhoud zou kunnen plaatsvinden.
“initiatief”niet in de mond heeft genomen, ligt in de bestreden overwegingen allerminst besloten dat in de perceptie van het hof [eiser] het initiatief tot het maken van een afspraak voor een door hem te geven mondelinge toelichting diende te nemen.
“De volgende dagen zijn hiertoe beschikbaar: (…)”) en aangegeven zo spoedig mogelijk van de advocaat van [eiser] een dag te willen vernemen waarop het onderhoud kan plaatsvinden (
“Graag verneem ik zo spoedig mogelijk van u een dag waarop het onderhoud kan plaatsvinden.”) [42] . Het hof heeft in rov. 11 jo rov. 9 van het bestreden arrest geoordeeld dat [eiser] niet aan het bevel tot informatieverstrekking heeft voldaan omdat hij heeft nagelaten te doen
“wat de Belastingdienst van hem verwachtte”blijkens (in ieder geval) de oproepingsbrief van 23 januari 2014, namelijk dat hij - om te beginnen -
“contact zou opnemen om een datum voor onderhoud te plannen” [43] . In dit oordeel ligt mijns inziens niet alleen besloten dat de wijze van informatieverstrekking
door de Belastingdienstis bepaald [44] , maar ook - mede gelet op de inhoud van de oproepingsbrief waarop het oordeel is gebaseerd - dat het
de Belastingdienstis die (in termen van het middel:) het
“initiatief”tot het maken van een afspraak voor een onderhoud heeft genomen. Dit laatste volgt ook (meer) expliciet uit de overweging in rov. 11 dat [eiser] c.q. zijn advocaat geen blijk heeft gegeven van een coöperatieve houding
“ten aanzien vande pogingen van de Belastingdienstom een datum voor een onderhoud te plannen”(onderstreping toegevoegd; LK).
“eendag waarop het onderhoud kan plaatsvinden”(onderstreping toegevoegd; LK), zonder hem bij voorbaat tot de in de brief vermelde data te beperken. Zoals het hof in rov. 11 heeft overwogen, heeft [eiser] niet gesteld dat zijn advocaat in het telefoongesprek waarin hij meldde dat [eiser] op de in de brief vermelde data was verhinderd, één of meer andere data heeft voorgesteld waarop [eiser] wél beschikbaar zou zijn. Evenmin heeft [eiser] gesteld dat de Belastingdienst zijn advocaat in het bedoelde telefoongesprek een nieuwe opgave van de Belastingdienst conveniërende data in het vooruitzicht zou hebben gesteld en daarbij zou hebben aangegeven dat [eiser] die opgave zou kunnen afwachten.
medewerkingsplichtvoor de belastingplichtige doet ontstaan [45] . Op de belastingplichtige aan wie een informatieverplichting is opgelegd, rust - binnen door de redelijkheid bepaalde grenzen, welke afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval - een zekere inspanningsverplichting om de gevraagde informatie te verkrijgen [46] . Mijns inziens mag (zeker) ook in het kader van de (meer) praktische kant van de nakoming van de informatieverplichting van art. 47 Awr Pro, zoals het maken van een afspraak over de plaats en het tijdstip van een mondeling onderhoud, een zekere mate van inspanning van de zijde van de belastingplichtige worden verwacht [47] . Daarbij komt, zoals Hertoghs opmerkt, dat het niet voor de hand ligt dat de inspecteur - die bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op grond van art. 47 Awr Pro aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is gebonden [48] - afspraken over de plaats, de datum en het tijdstip van het onderhoud eenzijdig vaststelt [49] :
enals dwangsomrechter kan oordelen. Het middel (onder 3.6-3.7) wijst in dit verband erop dat de dwangsom is opgelegd door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag [51] en dat het onderhavige executiegeschil in eerste aanleg diende voor dezelfde voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag is in eerste aanleg dus zowel executierechter als dwangsomrechter geweest, aldus het middel. Gesteld wordt (onder 3.8) dat de voorzieningenrechter daardoor ook in dit geschil bevoegd was om de dwangsom op te heffen of deze te verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen (art. 611d Rv). Het hof Den Haag was derhalve - zo lees ik het middel op dit punt (onder 3.8) - in de onderhavige procedure als dwangsomrechter in hoger beroep bevoegd te oordelen over het door de voorzieningenrechter in eerste aanleg gewezen vonnis. Het voorgaande impliceert, aldus nog steeds het middel (onder 3.9), dat de aan de dwangsomveroordeling verbonden matigingsclausule had moeten worden toegepast. Het hof heeft grief 2 dan ook ten onrechte verworpen, zo wordt gesteld (onder 3.10).
“de rechter die de dwangsom heeft opgelegd”, kort gezegd: de dwangsomrechter. Deze wijzigingsbevoegdheid heeft een exclusief karakter: uitsluitend de dwangsomrechter kan - op grond van een daartoe strekkende vordering van de veroordeelde [53] - overgaan tot wijziging van de dwangsom [54] . De executierechter komt deze bevoegdheid (net als overigens de gewone rechter) dus nadrukkelijk niet toe [55] , zij het dat deze rechter in voorkomend geval ook de rechter kan zijn die de dwangsommen heeft opgelegd [56] .
Wewer/Nijevolgt dat in een dergelijk geval - waarin de rechter in hoger beroep het vonnis in eerste aanleg eenvoudigweg bekrachtigt -
de rechter in eerste aanlegheeft te gelden als dwangsomrechter [58] :
eveneenstot een of meer hoofdveroordelingen en een daaraan verbonden veroordeling tot betaling van een dwangsom komt,
heeft als regel de rechter in eerste aanleg te gelden als de ‘rechter die de dwangsom heeft opgelegd’ in de zin van de art. 4 en Pro 6 van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom;(…)” (onderstrepingen toegevoegd; LK)
in geval van (een simpele) bekrachtiging in appel van het vonnis in eerste aanlegaldus (exclusief) toekomt aan de rechter in eerste aanleg, betekent evenwel niet dat de appelrechter in een dergelijk geval steeds volledig uit beeld is. Uit het arrest
Wewer/Nijevolgt namelijk ook dat van een 611d Rv-beslissing van de rechter in eerste aanleg in hoger beroep kan worden gekomen, indien volgens de algemene regels van nationaal procesrecht hoger beroep openstaat [60] . Onder het Nederlandse procesrecht staat hoger beroep open tegen een dergelijke 611d Rv-beslissing, volgens de gewone regels [61] .
Wewer/Nijegenoemde uitzonderingen zich in casu niet voor: het hof heeft de hoofd- en dwangsomveroordeling van [eiser] slechts bekrachtigd. Ingevolge voornoemd arrest moet derhalve de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag worden beschouwd als dwangsomrechter in de zin van art. 611d Rv. Nu het onderhavige executiegeschil in eerste aanleg diende bij dezelfde voorzieningenrechter was de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag aldus in dit geschil zowel executierechter (art. 348 Rv Pro) als dwangsomrechter (art. 611d Rv), zoals het middel terecht opmerkt.
Wewer/Nijevolgt duidelijk dat in deze zaak slechts de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag als dwangsomrechter heeft te gelden [62] . Ingevolge het exclusieve karakter van de wijzigingsbevoegdheid van art. 611d Rv staat de vraag of wijziging van de opgelegde dwangsom is aangewezen, derhalve uitsluitend ter beantwoording aan deze rechter. Dit betekent dat het hof Den Haag (als appelrechter) eerst dan als dwangsomrechter in beeld komt indien hoger beroep wordt ingesteld tegen een art. 611d Rv-beslissing van de voorzieningenrechter. [eiser] heeft in eerste aanleg echter geen vordering tot wijziging van de dwangsom op voet van art. 611d Rv ingesteld [63] , hetgeen wel is vereist om de wijzigingsbevoegdheid van de dwangsomrechter “aan te spreken” (zie hiervoor, onder 2.17). De voorzieningenrechter heeft in de onderhavige zaak derhalve slechts als executierechter geoordeeld; een 611d Rv-beslissing heeft de voorzieningenrechter niet gegeven (en ook niet kunnen geven). Het hof kon in het onderhavige geschil dan ook niet in beeld komen als dwangsomrechter en heeft, bijgevolg, evenals de voorzieningenrechter slechts als executierechter kunnen optreden [64] . Het enkele feit dat het hof (op grond van de gewone regels voor het hoger beroep) in de onderhavige zaak zou hebben te gelden als appelrechter
in geval vaneen 611d Rv-beslissing van de voorzieningenrechter maakt dit niet anders, omdat een dergelijke beslissing ontbreekt. Aan het voorgaande zou ten slotte evenmin afdoen dat het hof blijkens rov. 13, eerste volzin, in de tweede grief van [eiser] mogelijk een vordering tot matiging van de opgelegde dwangsom heeft gelezen; een dergelijke vordering had, wat daarvan overigens zij, bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag moeten worden ingesteld.
“vernietigt het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 24 april 2012 voor zover (…) het vonnis van de voorzieningenrechter is bekrachtigd wat betreft de daarin in reconventie onder het eerste gedachtestreepje uitgesproken veroordeling van (…) [eiser]; vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 april 2012 wat betreft de daarin in reconventie onder het eerste gedachtestreepje uitgesproken veroordeling van (…) [eiser]”) en dat de Hoge Raad, in zoverre opnieuw rechtdoende, heeft bepaald dat
“voor zover de door het gerechtshof te ’s-Gravenhage onder het eerste gedachtestreepje van het dictum en de door de voorzieningenrechter onder het eerste gedachtestreepje in reconventie gegeven veroordelingen betrekking hebben op materiaal waarvan het bestaan van de wil (…)(voor zover hier van belang: van [eiser])
afhankelijk is, dit materiaal zal worden verstrekt met de restrictie dat het slechts zal worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing.
”Alhoewel van een volledige vernietiging van de door de voorzieningenrechter uitgesproken hoofdveroordeling van [eiser] sprake lijkt, is een dergelijke vernietiging blijkens de passage in het dictum over de toevoeging van een restrictie aan die veroordeling én blijkens rov. 3.8 (
“De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door aan de veroordelingen een restrictie te verbinden als hiervoor in 3.7.1 bedoeld.”) evident niet bedoeld. De vernietiging betreft onmiskenbaar slechts de door de voorzieningenrechter uitgesproken hoofdveroordeling van [eiser]
voor zover die veroordeling ongeclausuleerd was gegeven [65] en het arrest van de Hoge Raad strekte slechts ertoe aan die hoofdveroordeling alsnog de restrictie te verbinden dat het te verstrekken wilsafhankelijke materiaal slechts ten behoeve van de belastingheffing zou worden gebruikt.
“(d)e rechter die een dwangsom heeft opgelegd”in de zin van art. 4 lid 1 Eenvormige Pro wet betreffende de dwangsom kan gelden, maakt het voorgaande naar mijn mening geen verschil. Ook als (anders dan ik meen; zie hierna) niet de voorzieningenrechter maar de Hoge Raad (vanwege het verbinden van een restrictie aan de hoofdveroordeling van [eiser]) als dwangsomrechter zou hebben te gelden, zou dat niet eraan afdoen dat het hof in het onderhavige geval slechts als executierechter zou zijn aan te merken. Overigens lijkt in de besproken rechtspraak van het Benelux Gerechtshof besloten te liggen dat met betrekking tot een in feitelijke aanleg uitgesproken dwangsomveroordeling slechts de
feitenrechter, hetzij die in eerste aanleg, hetzij die in appel, als dwangsomrechter kan gelden. Het ligt inderdaad niet voor de hand dat een uitspraak in cassatie die gevolgen zou hebben voor een in feitelijke aanleg uitgesproken dwangsomveroordeling, met zich zou brengen dat de Hoge Raad vervolgens zou hebben te gelden als de dwangsomrechter, aan wie in voorkomend geval wijziging van die dwangsomveroordeling dient te worden gevraagd [66] . Daarbij komt dat de door de Hoge Raad in het arrest van 25 oktober 2013 aangebrachte restrictie niet van dien aard is dat daardoor de door de voorzieningenrechter uitgesproken en door het hof bekrachtigde hoofdveroordeling van [eiser] materieel zou zijn gewijzigd. [eiser] was door die restrictie niet tot het verstrekken van meer of minder informatie dan op grond van de door de voorzieningenrechter uitgesproken en door het hof bekrachtigde hoofdveroordeling verplicht; zij bood hem slechts een waarborg dat de door hem (op straffe van een dwangsom) te verstrekken gegevens niet voor andere doeleinden dan voor de belastingheffing zouden worden aangewend.