Conclusie
1.[verweerster 1] (hierna: ‘ [verweerster 1] ’)
[verweerster 2](hierna: ‘ [verweerster 2] ’)
( [verweerster 1] en [verweerster 2] gezamenlijk hierna: ‘ [verweersters] ’)
De man vordert in deze procedure van de erfgenamen van de vrouw onder meer een substantieel deel van de overwaarde van de woning waarin hij jarenlang met de vrouw heeft samengewoond. De woning behoorde in eigendom toe aan de vrouw. De man heeft het gepretendeerde vergoedingsrecht onder meer gegrond op een stilzwijgende afspraak hierover tussen hem en de vrouw, op de redelijkheid en billijkheid en op ongerechtvaardigde verrijking.
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
primair: veroordeling van [verweersters] tot betaling van € 150.000, zijnde de helft van de overwaarde van de woning, of een ander bedrag dat de rechtbank juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente;
A-G] verdergaande conclusies dan gerechtvaardigd. Aan het handgeschreven briefje van erflaatster, gedateerd 17 januari 2019, dat zij de woning aan [eiser] nalaat, komt geen rechtsgevolg toe. De wet biedt geen plaats voor een “informele wilsverklaring”, waarmee erflaatster over haar nalatenschap zou hebben willen beschikken. Het is in strijd met de beschermingsgedachte van erflaatster en de rechtszekerheid om hieraan gevolgen te verbinden. Uit de overige notities blijkt niet dat erflaatster er van uitging dat de woning gemeenschappelijk was, of dat zij een consequente wens had dat [eiser] aanspraak kon maken op de helft van de overwaarde.
3.Inleidende opmerkingen
Waar gaat deze zaak niet over?
ab intestaatvan elkaar en een testament van erflaatster is er als gezegd niet (zie ook randnummer 1.4 hiervoor). [12] Wanneer [eiser] en erflaatster op het moment van overlijden van erflaatster nog wel informeel hadden samengeleefd, [13] had [eiser] alleen nog enige tijd, gedurende een termijn van zes maanden vanaf het overlijden van erflaatster, de woning en inboedel die tot de nalatenschap van erflaatster behoorden, mogen gebruiken op gelijke voorwaarden als voordien. [14]
[…] / […]-arrest van Uw Raad uit 1987, waar het echter in beginsel om een nominaal vergoedingsrecht ging:
nominaalvergoedingsrecht betreft, dus zonder verrekening van waardevermeerdering of waardevermindering. Uw Raad heeft in
[…] / […]op deze nominaliteitsleer voor echtgenoten slechts een uitzondering aanvaard op grond van de eisen van de redelijkheid en billijkheid, bijvoorbeeld als sprake zou zijn van een uitzonderlijke waardevermeerdering van de woning waarin is geïnvesteerd.
stilzwijgendgemaakt zijn. Stilzwijgende afspraken kunnen worden aangenomen op basis van de feitelijke gedragingen van partijen. [24] Het oordeel of sprake is van dergelijke stilzwijgende afspraken mede op basis van het feitelijke gedrag van partijen is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. [25]
bijzonderefeiten en omstandigheden te stellen die naar de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat hij of zij een vergoedingsrecht jegens de ander heeft. Uw Raad overwoog in het arrest uit 2019 dat dergelijke bijzondere feiten en omstandigheden in die zaak niet waren gesteld. [28] Aan welke bijzondere omstandigheden van het geval zoal gedacht kan worden, wordt in het arrest overigens niet uiteengezet. Dit zouden bijvoorbeeld omstandigheden als bedoeld in rov. 3.4 van het arrest
[…] / […](zie randnummer 3.4 hiervoor) kunnen zijn. [29]
“een merkwaardige uitkomst” [30] of “
toch wel erg zuur” [31] vinden. Inherent aan deze grondslagen is echter het contextuele en feitelijke karakter. De eisende partij zal voldoende feiten moeten stellen opdat de vordering in rechte op een van de vier genoemde grondslagen kan worden toegewezen.
A-G] acht ik gerechtvaardigd, omdat het voor de toepassing van art. 1:87 BW Pro in de praktijk meestal gaat om investering in de echtelijke woning en er dus vaak grote geldbedragen mee gemoeid zijn. Ik zie dan geen reden om ongehuwd en ongeregistreerd samenwonenden uit te sluiten van toepassing van de leer van de economische deelgerechtigdheid. Gaat het om een woning, dan acht ik beperking van deze toepassing tot de door de ongehuwd en ongeregistreerd samenwonenden tezamen bewoonde woning op haar plaats. Opmerking verdient nog dat deze opvatting zowel positief als negatief kan uitpakken: men participeert niet alleen in een waardestijging ter zake van het betrokken goed, maar onder omstandigheden ook in een waardedaling ter zake hiervan.” [37]
stilzwijgendeafspraak tussen informeel samenlevenden (ruim) voor 2012 lijkt echter niet direct voor de hand te liggen. Voor echtgenoten gold vóór 2012 immers ook de nominaliteitsleer (met eventuele correctievergoeding) op grond van het arrest
[…] / […]uit 1987 en art. 1:87 BW Pro heeft voor echtgenoten bovendien geen terugwerkende kracht (zie ook randnummer 3.4 hiervoor). Recent heeft Uw Raad in een Arubaanse zaak nog eens duidelijk gemaakt dat informeel samenlevenden zich niet rechtstreeks op het arrest
/ […]kunnen beroepen, omdat dat arrest betrekking had op echtgenoten. [40] Een nominale vergoeding (en eventuele correctievergoeding als bedoeld in
/ […]) dient bij informeel samenlevenden dus te worden gebaseerd op een van de grondslagen uit het arrest van 2019 (zie ook randnummer 3.12 hiervoor).
dieregels niet overeenkomstig kunnen worden toegepast op informeel samenlevenden (zie randnummer 3.3 hiervoor). De verlengingsregel met betrekking tot verjaring voor echtgenoten en geregistreerde partners uit Boek 3 BW (art. 3:321 BW Pro) valt hier dus niet onder. [41]
rechtstreeksvan toepassing op hun vorderingsrechten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de verjaringstermijn een aanvang kan nemen gedurende het informele samenleven. [45] Uitzonderingen op dat uitgangspunt zijn echter denkbaar, zoals blijkt uit de volgende passage uit de parlementaire geschiedenis van art. 3:307 BW Pro van belang (met onderstreping door mij):
A-G] is evenwel niet voor alle gevallen redelijk. Er zijn immers gevallen waarin in de overeenkomst zelf al opgesloten ligt dat de opeising niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden. Men denke aan (…).
Ook kan gedacht worden aan overeenkomsten tussen samenlevenden die zich bij voorbeeld verplichten bij te dragen in de kosten van de aankoop van de gemeenschappelijke woning, terwijl, zolang de samenleving duurt, geen reden wordt gezien om deze bijdrage daadwerkelijk te betalen of in te vorderen. (…) Met het oog op dit een en ander is in artikel 3.11.11 [3:307 BW,
A-G] lid 2 een bijzondere regel opgenomen voor het geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd. (…) In al deze gevallen begint de in lid 1 bedoelde termijn van vijf jaren pas met de aanvang van de dag waartegen de schuldeiser aan de schuldenaar heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Zolang dit niet is geschied, begint derhalve de voormelde termijn niet te lopen.” [46]
de minister[vreesde]
dat het treffen van rechtsmaatregelen tijdens huwelijk het huwelijksleven in gevaar zou brengen.” [48] Dat deze ratio ook kan gelden voor informeel samenlevenden is uiteraard waar, maar acht ik op zichzelf nog niet voldoende om een beroep op verjaring bij informeel samenlevenden in zijn algemeenheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten. Voor de vraag of sprake is van onaanvaardbaarheid in deze zin zijn alle omstandigheden van het geval van belang en daarvan kan alleen sprake zijn in uitzonderlijke gevallen. [49]
categorischebenadering vereist mijns inziens, mede gelet op de met de rechtszekerheid gediende limitatieve opsomming (zie randnummer 3.23 hiervoor) en ook de grenzen aan de rechtsvormende taak van de rechter, [54] een wettelijke grondslag.
binnen het bestaande wettelijke kader van art. 3:321 BW Proonder omstandigheden aan een beroep op verjaring voorbijgegaan zou kunnen worden. Ik maak daartoe een uitstapje naar het ondernemingsrecht of meer specifiek het enquêterecht. De bevoegdheid tot het indienen van een verzoek tot het instellen van een enquête komt uitsluitend toe aan degenen aan wie deze bevoegdheid in de wet is verleend. De daartoe strekkende opsomming in art. 2:346 BW Pro, waarin deze bevoegdheid onder meer wordt toegekend aan bepaalde aandeelhouders en certificaathouders, is limitatief. In de rechtspraak van Uw Raad is echter aanvaard dat de strekking van het enquêterecht meebrengt dat een verschaffer van risicodragend kapitaal die een eigen economisch belang heeft in de vennootschap waarop het verzoek betrekking heeft, welk belang in zoverre op één lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder, voor de toepassing van art. 2:346 BW Pro dient te worden gelijkgesteld met een aandeelhouder of een certificaathouder. [55] Een dergelijke
gelijkstellingis niet in strijd met de limitatieve wettelijke opsomming. Een dergelijke gelijkstelling geldt
niet zonder meer, maar is slechts mogelijk indien en voor zover op grond van de feiten en omstandigheden van het geval kan worden geoordeeld dat het eigen economische belang van de verschaffer van risicodragend kapitaal in de vennootschap waarop het verzoek betrekking heeft, van dien aard is dat het op één lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of een certificaathouder van die vennootschap. Hierbij moet rekening worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden. [56]
in de situatie van partijen”). [64] In termen van de gelijkstellingstechniek waarop ik in randnummer 3.26 hiervoor wees, was de situatie van partijen naar het oordeel van de rechtbank dus zozeer op één lijn te stellen met die van echtgenoten dat de rechtbank in dit concrete geval aanleiding heeft gezien voor toepassing van de verlengingsgrond voor echtgenoten van zes maanden. Dat nam overigens in deze zaak niet weg dat de vordering van de vrouw was verjaard.
in de situatie van partijen”). [67] In deze zaak leidde de overeenkomstige toepassing van de verlengingsgrond van zes maanden voor echtgenoten er overigens wel toe dat het beroep van de man op verjaring van de vordering van de vrouw niet slaagde.
A-G] is toepasselijk op een vordering uit hoofde van een vergoedingsrecht. De verjaringstermijn bedraagt minimaal vijf jaar en de verjaringstermijn begint in ieder geval niet te lopen voordat de vordering opeisbaar is geworden. Het verweer van de man is kennelijk gebaseerd op de aanname dat de vordering al opeisbaar is geworden op het moment dat de vrouw de aflossingen deed. De rechtbank onderschrijft deze stelling niet. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige vordering in beginsel niet opeisbaar wordt voordat de relatie ten einde komt, dan wel de woning (met winst) wordt verkocht aan een derde. De rechtbank betrekt in dit oordeel de redelijkheid en billijkheid die gelden tussen deelgenoten, bezien in het licht dat deze deelgenoten uit hoofde van een affectieve relatie in een gemeenschappelijke woning (min of meer) samenwoonden. De woning is pas verkocht in 2018 en uit de stellingen van de man kan de rechtbank niet afleiden dat de relatie van partijen al veel eerder dan op dat moment ten einde was gekomen. Dan is de vordering niet verjaard.
min of meer” samenwonen doelde de rechtbank in de hiervoor geciteerde rechtsoverweging op het feit dat de man en de vrouw elk verschillende etages van hun gezamenlijke woning bewoonden. [71] Het stond wel vast dat sprake was van een affectieve relatie waaruit een kind is geboren. De man en de vrouw hadden geen schriftelijke samenlevingsovereenkomst gesloten. [72] Een bijzonderheid in deze zaak was verder dat de man in reconventie een bedrag van ruim € 200.000 van de vrouw vorderde omdat hij substantiële bedragen had ingezet ter verbouwing van de woning en de woning daardoor een waardestijging had ondergaan die minstens even hoog was als het bedrag dat de vrouw had afgelost op de hypothecaire geldlening. [73] De rechtbank heeft deze vorderingsrechten over en weer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tegen elkaar weggestreept. [74] In deze zaak was dus niet de verlengingsgrond van art. 3:321 BW Pro aan de orde, maar werd het door de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geacht dat de desbetreffende vordering uit hoofde van art. 3:310 BW Pro terstond opeisbaar was (vergelijk randnummers 3.21-3.22 hiervoor).
de situatie van partijen”) achtte het hof in deze zaak, overigens in een overweging ten overvloede (rov. 26.), overeenkomstige toepassing van de verlengingsgrond voor echtgenoten op zijn plaats.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
Het hof is met de rechtbank van oordeel(…)”). Om het oordeel van het hof goed te kunnen plaatsen, citeer ik eerst het oordeel van de rechtbank over de vraag of sprake is van een stilzwijgende afspraak zoals gesteld door [eiser] :
4.1Indien het hof oordeelt dat op de man rechtens enige bewijslast rust, biedt hij aan dit bewijs te leveren door alle rechtens daarvoor toegestane middelen, onder andere door het doen horen van getuigen en/of door het in geding brengen van nadere producties. Verwezen wordt voor een specifiek bewijsaanbod naar randnummers 2.9. én 13) onder randnummer 3.7. De man is tevens bereid om zelf als getuige op te treden om te verklaren over zijn stellingen dat partijen over, onder andere, doch niet uitsluitend, de duur van de affectieve relatie, de samenleving, de wijze waarop partijen de hypotheeklasten, waaronder de premie spaarpolis verdeelden (en de overige kosten van de huishouding) en dat partijen de bedoeling hebben gehad dat ieder van de helft van de overwaarde van [de woning] zou toekomen.”
2.9(…) De man biedt uitdrukkelijk bewijs aan van zijn stelling dat partijen hebben samengewoond op voornoemde adressen, onder andere door middel van het horen van zijn vijf broers en zijn zus en hun partners, alsmede de toenmalige buren op de genoemde adressen en tot [eiser] de (jeugd)vrienden van partijen, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (…).”
3.7(…)
13) Dat de woning als gemeenschappelijk werd beschouwd blijkt ook uit het feit dat de vrouw op 14 januari 2020 [bedoeld zal zijn: 2019,
A-G] tegen een vriendin van haar, [betrokkene 1] heeft gezegd dat de man recht heeft op de helft van de waarde van de woning (
productie 24). [betrokkene 1] is bereid om dit onder ede te verklaren en de man biedt daar getuigenbewijs van aan.”
Om dezelfde redenen als aangevoerd in onderdeel 2”).
Het is veelal juist de lotsverbondenheid die bewerkstelligt dat een levensgezel gelden aan zijn of haar partner ter beschikking stelt zonder een overeenkomst van geldlening te sluiten en zonder een vergoedingsrecht te bedingen dan wel verrekening bij onverhoopte beëindiging van de relatie te bedingen.” [87]