Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 25 april 2023
de erven [X] te [Z] , belanghebbenden,
de Inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
17 januari 1998 tot 31 december 2011 enig aandeelhouder van [B N.V.] was. [B N.V.] is een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap die ten doel heeft de exploitatie van registergoederen.
“Notariële akte van levering
“CONTRACTSOVERNAME MET BETREKKING GROND [straat]
Hof] in privé gesloten koopovereenkomst, aan welke overdracht de verschenen persoon sub 1 [
Hof: erflaatser, tevens handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van [A N.V.] ] verklaart haar medewerking bij deze te verlenen”.
Hof] heeft onderhavig registergoed in eigendom verkregen door levering ingevolge de inschrijving in de daartoe bestemde openbare registers voor registergoederen te Apeldoorn op 30 december tweeduizend elf (…), van een afschrift van een akte van levering op negenentwintig december tweeduizend elf (…), waarin is vastgelegd dat er alsdan kwijting is verleend voor de betaling van de koopsom;
Hof] een onherroepelijke en niet-opzegbare optie tot koop heeft op optieverkrijger van het opgemelde registergoed tegen een altoen vastgestelde en overeengekomen koopprijs van vijfhonderdduizend Euro (€ 500.000,00);
€ 3.040.000. In de akte van levering is een meerwaardeclausule opgenomen, inhoudende dat koper aan verkoper de meerwaarde zal vergoeden indien het perceel een woonbestemming krijgt.
€ 14.074. In de aangifte is vermeld dat erflaatster van 16 oktober 2015 tot en met
31 december 2015 in [buitenland] woonachtig was.
€ 608.000 ziet op zes in Nederland gelegen, deels verhuurde, panden.
plus€ 636.000 drie leegstaande panden
minus€ 318.000 (50% leegstandcorrectie)) vermeerderd met de drempel schulden van € 3.000 en verminderd met een hypotheekschuld van € 323.600 en het heffingvrije vermogen van € 21.330.
Oordeel van de Rechtbank
Beoordeling van het geschil
Vergoeding van schade
Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
- of de vereiste aangifte is gedaan;
- of de omkering en verzwaring van de bewijslast gerechtvaardigd is;
- of de schadeloosstelling van € 1.900.000 terecht is aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden dan wel subsidiair of € 1.900.000
- of sprake is van een redelijke schatting; en
- of de Rechtbank de redelijke termijn in het kader van de immateriëleschadevergoeding terecht met vier maanden heeft verlengd.
Beoordeling van het hoger beroep
e-mailcorrespondentie van november 2012 tussen erflaatster en [architecten] blijkt dat erflaatster nauw betrokken was bij de ontwikkeling van het perceel.
3 september 2015 verkocht en geleverd aan [C B.V.] voor € 2.940.000. [C B.V.] heeft het perceel op dezelfde dag verkocht en geleverd aan de Provincie voor
€ 3.040.000. Na verkoop van het perceel door [B N.V.] op 3 september 2015 heeft erflaatster de bedongen schadeloosstelling van € 1.900.000 ontvangen.