Belanghebbende, werkzaam als rijksambtenaar en eigenaar van een adviesbureau, maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting 2019 waarbij de Inspecteur negatieve resultaten uit het adviesbureau niet als bron van inkomen erkende.
De Rechtbank oordeelde dat geen objectieve voordeelsverwachting bestond vanwege aanhoudende verliezen sinds 2008, en dat eerdere jaren met positieve resultaten onvoldoende waren om een bron van inkomen aan te nemen. Ook het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel werden niet geschonden.
In hoger beroep werd dit standpunt bevestigd. Het Hof stelde dat belanghebbende onvoldoende feiten aannemelijk had gemaakt voor een positieve toekomstverwachting in 2019. De negatieve resultaten in 2019 en latere jaren onderbouwden dit oordeel. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aanslag bevestigd.