ECLI:NL:GHDHA:2025:131
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake WOZ-waarde en immateriële schadevergoeding huurder afgewezen
Belanghebbende, huurder van een woning, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €230.000 voor het jaar 2021 en vorderde tevens vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de schadevergoeding af. In hoger beroep bevestigt het hof dat belanghebbende onvoldoende financieel belang heeft bij de WOZ-beschikking, aangezien hij geen belastingaanslagen heeft ontvangen en geen procedure tot huurverlaging heeft ingesteld.
Het hof oordeelt dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard en dat het beroep op deze grond geen redelijk belang dient. Daarnaast is de redelijke termijn overschreden, maar zonder financieel belang bestaat geen recht op immateriële schadevergoeding. Het hof ziet geen aanleiding voor proceskostenvergoeding en bekrachtigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door het Gerechtshof Den Haag op 16 januari 2025, waarbij de mondelinge behandeling plaatsvond op 21 november 2024. De zaak betreft een bestuursrechtelijke procedure over de toepassing van de Wet WOZ en de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.