Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Rotterdam. Tegen deze aanslag werd bezwaar gemaakt, dat door de heffingsambtenaar ongegrond werd verklaard met een uitspraak op bezwaar van 6 oktober 2022. Belanghebbende stelde dat hij deze uitspraak niet had ontvangen en startte een procedure wegens niet-tijdig beslissen, nadat hij een ingebrekestelling en een dwangsomverzoek had ingediend.
De Rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de uitspraak op bezwaar tijdig was verzonden naar het privéadres van de gemachtigde van belanghebbende. Belanghebbende ging in hoger beroep en voerde aan dat de verzending naar het privéadres niet rechtsgeldig was en dat hij de uitspraak niet had ontvangen.
Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat het vermoeden van ontvangst van de uitspraak op bezwaar op het privéadres van de gemachtigde gerechtvaardigd is, mede omdat de gemachtigde geen feiten had aangevoerd die dit vermoeden konden ontzenuwen. Hoewel de verzending niet strikt volgens de regels was, was de strekking van de bekendmaking wel bereikt. Daarom bevestigde het Hof de niet-ontvankelijkheid van het beroep.
De procedurekosten en het griffierecht werden niet toegewezen aan belanghebbende. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 26 juni 2025 en kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Hoge Raad.