ECLI:NL:GHDHA:2025:2227
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste WOZ-waarde woning en geen schending toezendplicht Wet WOZ
Belanghebbende, eigenaar van een portiekwoning, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van €214.000 voor 2022, stellende dat niet alle onderliggende gegevens waren verstrekt zoals vereist volgens artikel 40 Wet Pro WOZ. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de heffingsambtenaar geen gebruik maakt van bepaalde factoren zoals grondstaffels en KOUDV-factoren, waardoor deze niet verstrekt konden worden.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de toezendplicht was geschonden en dat de waarde te hoog was vastgesteld. Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aan zijn toezendplicht had voldaan door het taxatieverslag te verstrekken en dat de ontbrekende gegevens niet bestonden. Tevens was de waarde vastgesteld op basis van een taxatiematrix met vergelijkingsobjecten, waarbij voldoende rekening was gehouden met verschillen.
Het Hof verwierp het beroep van belanghebbende en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. Het cessieverbod werd als niet relevant beschouwd in deze procedure. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde wordt bevestigd.