ECLI:NL:GHDHA:2025:2231
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongegrond verklaring beroep wegens schending informatieplicht Wet WOZ
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak vast en weigerde aanvankelijk volledige inzage te geven in de onderliggende gegevens, wat leidde tot bezwaar en beroep door belanghebbende. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en paste artikel 6:22 Awb Pro toe om de schending van artikel 40 lid 2 Wet Pro WOZ te passeren, omdat belanghebbende niet was benadeeld.
In hoger beroep staat centraal of deze toepassing van artikel 6:22 Awb Pro terecht was en of proceskostenvergoeding moet worden toegekend. Het Hof bevestigt dat de schending is erkend maar dat belanghebbende niet concreet heeft aangetoond dat zij hierdoor benadeeld is, mede omdat zij alsnog alle gegevens heeft kunnen inzien en betwisten.
Het Hof oordeelt dat de bezwaarprocedure waarschijnlijk geen andere uitkomst had gehad en dat het verzoek om proceskostenvergoeding onvoldoende is onderbouwd. Ook is vastgesteld dat niet alle gevraagde gegevens specifiek waren opgevraagd en dat sommige gegevens niet relevant waren voor de waardebepaling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd zonder toekenning van proceskostenvergoeding.