Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd van €9.475 na registratie van een gebruikte Audi Q5. Hij maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, maar een immateriële schadevergoeding toekende.
In hoger beroep betwistte belanghebbende diverse aspecten zoals de juiste BPM-heffing, het Unierecht, de hoogte van de schadevergoeding en griffierechten. Het Hof oordeelde dat de nationale rechters bevoegd zijn het Unierecht uit te leggen en dat naheffing na het belastbare feit is toegestaan mits het Unierecht wordt gerespecteerd.
Het Hof verwierp de stellingen over onjuiste CO2-uitstoot, onrechtmatige opdracht aan DRZ, en het niet toepassen van een hogere aftrek van schade. Wel werd de naheffingsaanslag verminderd op basis van een hogere historische nieuwprijs en aangepast afschrijvingspercentage. Tevens werd de proceskostenvergoeding verhoogd en griffierechten vergoed.
De uitspraak bevestigt dat het vooraf heffen van griffierecht niet in strijd is met het Unierecht en dat de belastingheffing proportioneel en niet discriminerend is. De immateriële schadevergoeding blijft ongewijzigd. Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en uitspraak op bezwaar en vermindert de naheffingsaanslag.