5.1.Belanghebbende stelt ook in hoger beroep dat haar bezwaar tegen de brief van 14 augustus 2023 ten onrechte niet in behandeling is genomen door de Inspecteur. Volgens belanghebbende bevat de brief van 14 augustus 2023 zes besluiten, te weten “het besluit het standpunt [dat [eenmanszaak] geen bron van inkomen is;
Hof] te handhaven, het besluit dat mijn onderneming [ [eenmanszaak] ;
Hof] staakt per 31-12-2019, het besluit dat de activa tegen boekwaarde over gaan, het besluit dat vanaf 2020 mijn activiteiten fiscaal staken, het besluit niet af te wijken van de Aangifte 2019 en het besluit wel af te wijken van de Aangifte 2020.”. Door het bezwaar tegen de brief niet-ontvankelijk te verklaren is het recht op een hoorgesprek ten aanzien van dit deelbezwaar aan belanghebbende ontzegd zodat de hoorplicht is geschonden. Belanghebbende is van mening dat het bezwaar tegen de brief ontvankelijk moet worden verklaard. Dit heeft tot gevolg dat de door de Inspecteur gegeven ‘verdagingsbeschikkingen’ onrechtmatig zijn en dat een dwangsom is verschuldigd.
5.2.1.In artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen eerst bezwaar dient te maken. In artikel 26, lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is bepaald dat tegen een ingevolge de belastingdienst genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld indien het betreft een aanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 26, lid 1, Awr, in verbinding met artikel 7:1 Awb heeft tot gevolg dat het recht van bezwaar slechts openstaat tegen aanslagen en voor bezwaar vatbare beschikking. Er is hierdoor sprake van een zogenoemd ‘gesloten stelsel van rechtsbescherming’. Daarbij geldt dat een beschikking alleen ‘een voor bezwaar vatbare beschikking’ is als die beschikking in een belastingwet ook als zodanig is aangemerkt (vgl. HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:505, BNB 2018/116, r.o. 2.3.5). Als de brief van 14 augustus 2023, dan wel de daarin opgenomen beslissingen, al zou moeten worden aangemerkt als beschikking in de zin van artikel 1:3, lid 2, in verbinding met artikel 1:3, lid 1, Awb dan geldt dat die beschikking niet in de wet is aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking zodat daartegen geen bezwaar of beroep openstaat. Bij brief van 20 februari 2024 heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld dat hij het bezwaar van belanghebbende tegen de brief van 14 augustus 2023 niet in behandeling zal nemen (zie 2.14). Het Hof begrijpt dit aldus dat de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Deze niet-ontvankelijkverklaring is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen terecht. 5.2.2.Het voorgaande brengt mee dat de Rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de brief van 14 augustus 2023 ongegrond had behoren te verklaren, hetgeen de Rechtbank niet heeft gedaan. Tot gegrondverklaring van het hoger beroep kan dit niet leiden, omdat ook een ongegrondverklaring van het beroep in de weg staat aan een inhoudelijk oordeel over het bezwaar tegen brief van 14 augustus 2023, zodat met een vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank op deze grond geen redelijk belang zou zijn gediend (vgl. HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1033, BNB 2022/120). 5.3.1.Dat de brief van 14 augustus 2023 vermeldt “Als u het niet eens bent met de afwijking op de aangifte, dan kunt u een bezwaarschrift indienen” (zie 2.9), maakt niet dat de brief moet worden aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking, zoals belanghebbende stelt. Deze zin kan namelijk, gelezen in de context van de onmiddellijk daaraan voorafgaande en de onmiddellijk daaropvolgende zinnen, redelijkerwijs niet anders begrepen worden dan dat bezwaar gemaakt kan worden tegen de over enige tijd vanuit het Computercentrum in Apeldoorn te verzenden aanslag.
5.3.2.Anders dan belanghebbende stelt, leidt het Hof uit de zin “Als u het niet eens bent met de afwijking op de aangifte, dan kunt u een bezwaarschrift indienen” – gelezen in de context beschreven in 5.3.1 – niet af dat daarmee vertrouwen is gewekt dat tegen de brief zelf bezwaar kan worden gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat uit andere gedragingen of uitlatingen van de Inspecteur kan worden afgeleid dat dit vertrouwen is gewekt, nog daargelaten het antwoord op de vraag of zodanig vertrouwen wel betrekking zou hebben op de uitoefening van diens bevoegdheden.
5.4.1.Voor zover belanghebbende stelt dat haar bezwaar tegen de brief van 14 augustus 2023 op grond van artikel 6:10 Awb moet worden aangemerkt als prematuur bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2021 kan zij niet worden gevolgd.
5.4.2.Artikel 6:10 Awb ziet op de ontvankelijkheid van een te vroeg (“prematuur”) ingediend bezwaar of beroep. Dit artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien het besluit ten tijde van de indiening reeds tot stand was gekomen, of nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.
5.4.3.Nu het Hof van oordeel is dat de brief van 14 augustus 2023 geen voor bezwaar vatbare beschikking is, staat daartegen geen bezwaar open, en kan er dus ook geen prematuur bezwaar worden gemaakt waarop artikel 6:10 Awb ziet. Voor een geslaagd beroep op deze bepaling ten aanzien van het jaar 2021 is nodig dat de aanslag IB/PVV 2021 op het moment waarop belanghebbende bezwaar maakte tegen de brief van 14 augustus 2023 reeds tot stand was gekomen, dan wel, als dat niet het geval is, dat belanghebbende redelijkerwijs kon menen dat dat het geval was. Tot de gedingstukken behoort een brief van 4 maart 2025 waarin de Inspecteur aan belanghebbende aankondigt dat hij bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2021 zal afwijken van de door haar ingediende aangifte, die volgens belanghebbende is ingediend op 23 augustus 2023. Die aanslag was op 4 maart 2025, en dus ook ten tijde van het bezwaar tegen de brief van 14 augustus 2023, derhalve nog niet tot stand gekomen. Feiten en omstandigheden op grond waarvan belanghebbende redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was zijn gesteld nog gebleken. Het beroep op artikel 6:10 Awb faalt derhalve.
5.5.1.Nu het Hof van oordeel is dat de brief van 14 augustus 2023 geen voor bezwaar vatbare beschikking is staat daartegen geen bezwaar open, en kan in zoverre dus ook geen sprake zijn van schending van de hoorplicht. Het bezwaar was daardoor immers kennelijk niet-ontvankelijk, zodat op grond van artikel 7:3, aanhef en letter a, Awb van het horen kon worden afgezien.
5.5.2.Voor zover belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag geldt dat op 22 januari 2024 een hoorgesprek heeft plaats gehad tussen belanghebbende, haar bijstandverlener en de Inspecteur. In zoverre is dus evenmin sprake van schending van de hoorplicht.
5.6.1.Belanghebbende stelt dat haar inzagerecht, zoals bedoeld in artikel 7:4, lid 2, Awb, is geschonden omdat zij voorafgaand aan het horen geen inzage heeft gekregen in het dossier. De Inspecteur heeft volstaan met het toesturen van een lijst met de bij hem in het dossier aanwezige stukken (zie 2.12). Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat zij het dossier nog heeft aangevuld door een aantal e-mails toe te sturen aan de Inspecteur.
5.6.2.Op grond van artikel 7:4, lid 2, Awb moet de Inspecteur de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het hoorgesprek ter inzage leggen. Dit geldt ook voor stukken die bij de belanghebbende bekend zijn. De omstandigheid dat de belanghebbende zelf beschikt over stukken kan wel van belang zijn bij de beantwoording van de vraag welke gevolgtrekking de rechter maakt indien de inspecteur die stukken niet overlegt (vgl. HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1319, BNB 2018/170). De Inspecteur is niet ontslagen van de verplichting om stukken ter inzage te leggen als het hoorgesprek per videoverbinding plaatsvindt. 5.6.3.Uit het dossier volgt dat de zaakstukken, met uitzondering van de twee artikelen van internet die de Inspecteur aan belanghebbende heeft toegestuurd, niet voorafgaand aan het geplande hoorgesprek ter inzage zijn gelegd. Het Hof stelt dan ook vast dat het inzagerecht is geschonden. Het Hof stelt tevens vast dat belanghebbende ook in de procedure bij de Rechtbank had geklaagd over schending van het inzagerecht, maar dat de Rechtbank blijkens haar uitspraak die klacht niet heeft beoordeeld. De klacht over het inzagerecht treft in zoverre doel.
5.6.4.Belanghebbende heeft niet weersproken dat de genoemde stukken op de door de Inspecteur toegestuurde lijst bekend waren bij haar. Voor zover moet worden aangenomen dat belanghebbende nog e-mails heeft toegestuurd aan de Inspecteur geldt dat deze ook bekend waren bij belanghebbende. Verder geldt dat belanghebbende niet heeft onderbouwd op welke wijze zij in haar verdedigingsbelang is geschaad. Gesteld noch gebleken is dat een andere uitkomst van de besluitvorming in de bezwaarfase mogelijk was geweest als het inzagerecht niet zou zijn geschonden, in die zin dat de Inspecteur zonder schending tot een andere uitspraak op bezwaar zou zijn gekomen (vgl. HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106). Het Hof is daarom van oordeel dat belanghebbende door het achterwege laten van de inzage niet in haar belangen is geschaad. Het Hof gaat dan ook met toepassing van artikel 6:22 Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb aan deze schending van artikel 7:4 Awb voorbij.