ECLI:NL:GHDHA:2025:2655
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid naheffingsaanslag en weigering proceskostenvergoeding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting en de daarbij in rekening gebrachte dwangbevelkosten. De Invorderingsambtenaar liet de dwangbevelkosten uit coulance vervallen, maar weigerde een proceskostenvergoeding toe te kennen. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof bevestigt deze uitspraak.
Het geschil betrof de vraag of de dwangbevelkosten terecht waren opgelegd en of het vervallen van deze kosten het gevolg was van een aan de Invorderingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid, wat recht zou geven op een proceskostenvergoeding. Het Hof oordeelt dat het uitstel van betaling eindigt bij de uitspraak op bezwaar, waarna de betalingsverplichting herleeft. De naheffingsaanslag was terecht opgelegd en het dwangbevel en de kosten waren wettelijk gefundeerd.
Belanghebbendes beroep op schending van het vertrouwensbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod op détournement de pouvoir en diverse artikelen van het EVRM faalt. Het Hof stelt dat de informatie op de website geen rechtvaardiging biedt voor uitstel van betaling na een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Ook is geen sprake van een disproportionele last of onrechtmatige inbreuk op eigendomsrechten.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak van de Rechtbank blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag en wijst het hoger beroep af over de proceskostenvergoeding.