In deze civiele zaak staat het hoger beroep centraal tegen een vonnis van de kantonrechter over de vernietiging van vier effectenleaseovereenkomsten gesloten tussen Dexia en geïntimeerde. De echtgenote van geïntimeerde had geen toestemming gegeven voor het aangaan van deze overeenkomsten en had zich op vernietigbaarheid beroepen. De kantonrechter had de overeenkomsten I t/m IV vernietigd en Dexia veroordeeld tot terugbetaling.
Dexia voert in hoger beroep aan dat de vordering tot vernietiging verjaard is, omdat de echtgenote vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend zou zijn geweest met de overeenkomsten. Het hof overweegt dat voor de latere overeenkomsten IV en de verlenging van III de verjaring door een brief in 2003 is gestuit, maar voor de eerdere overeenkomsten I, II en oorspronkelijke III de vraag van bekendheid nog openstaat.
Het hof oordeelt dat Dexia voldoende feiten heeft gesteld om te mogen bewijzen dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomsten, ondanks betwisting door geïntimeerde. Het hof staat Dexia toe getuigenbewijs te leveren en bepaalt een datum voor getuigenverhoren. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat dit bewijs is geleverd en beoordeeld.