ECLI:NL:GHDHA:2026:74

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
200.343.032/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 3:52 lid 1 BWArt. 3:310 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep effectenleaseovereenkomsten en verjaring vernietigingsvordering

In deze civiele zaak staat het hoger beroep centraal tegen een vonnis van de kantonrechter over de vernietiging van vier effectenleaseovereenkomsten gesloten tussen Dexia en geïntimeerde. De echtgenote van geïntimeerde had geen toestemming gegeven voor het aangaan van deze overeenkomsten en had zich op vernietigbaarheid beroepen. De kantonrechter had de overeenkomsten I t/m IV vernietigd en Dexia veroordeeld tot terugbetaling.

Dexia voert in hoger beroep aan dat de vordering tot vernietiging verjaard is, omdat de echtgenote vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend zou zijn geweest met de overeenkomsten. Het hof overweegt dat voor de latere overeenkomsten IV en de verlenging van III de verjaring door een brief in 2003 is gestuit, maar voor de eerdere overeenkomsten I, II en oorspronkelijke III de vraag van bekendheid nog openstaat.

Het hof oordeelt dat Dexia voldoende feiten heeft gesteld om te mogen bewijzen dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomsten, ondanks betwisting door geïntimeerde. Het hof staat Dexia toe getuigenbewijs te leveren en bepaalt een datum voor getuigenverhoren. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat dit bewijs is geleverd en beoordeeld.

Uitkomst: Het hof staat Dexia toe bewijs te leveren over de bekendheid van de echtgenote met de overeenkomsten vóór 13 maart 2000 en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.343.032/01
Zaaknummer rechtbank: : 9502347 EL 21-23
Arrest van 20 januari 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het tussenvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 6 juli 2023 (hierna: het tussenvonnis) en naar het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 14 maart 2024 (hierna: het eindvonnis).

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven;
  • de memorie van antwoord met producties;
  • de akte uitlaten producties van Dexia.
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De kern van de zaak

3.1.
Tussen Dexia en [geïntimeerde] zijn elf effectenleaseovereenkomsten tot stand gekomen. Deze zaak gaat in hoger beroep nog over vier van deze effectenleaseovereenkomsten, te weten:
  • Overeenkomst I, met nummer [nummer] , geëindigd met een negatief resultaat van € 562,18,
  • Overeenkomst II, met nummer [nummer] , geëindigd met een negatief resultaat van € 270,73,
  • Overeenkomst III, met nummer [nummer] (die eenmaal verlengd is), geëindigd met een negatief resultaat van € 3.971,95,
  • Overeenkomst IV, met nummer [nummer] , geëindigd met een positief resultaat van € 3.857,13.
De echtgenote van [geïntimeerde] heeft geen toestemming verleend voor het aangaan van de overeenkomsten I t/m IV. Bij brief van 26 oktober 2005 heeft zij een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van deze overeenkomsten als bedoeld in artikel 1:89 BW Pro.
3.2.
[geïntimeerde] heeft, verkort weergegeven en voor zover nog relevant in deze procedure, gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de overeenkomsten I t/m IV rechtsgeldig zijn vernietigd en Dexia te veroordelen om al hetgeen door [geïntimeerde] krachtens die overeenkomsten aan Dexia is betaald aan [geïntimeerde] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van de door [geïntimeerde] gedane betalingen, althans vanaf de door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, tot aan de datum van voldoening. Ook heeft [geïntimeerde] gevorderd dat de kantonrechter Dexia veroordeelt in de proceskosten. Dexia heeft een tegenvordering ingesteld en gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten I, II en III, alsmede met betrekking tot zes van de andere effectenleaseovereenkomsten (aangeduid als de overeenkomsten V t/m IX en XI) aan al haar verplichtingen heeft voldaan en daarom niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Ook heeft Dexia gevorderd dat de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 879,12, te vermeerderen met de wettelijke rente en om [geïntimeerde] in de proceskosten te veroordelen.
3.3.
De kantonrechter heeft, zakelijk weergegeven, voor recht verklaard dat de overeenkomsten I t/m IV (ten aanzien van overeenkomst III: de oorspronkelijke overeenkomst en de verlenging daarvan) zijn vernietigd. Ook heeft de kantonrechter Dexia veroordeeld om aan [geïntimeerde] ter zake van die overeenkomsten te betalen hetgeen Dexia op grond van de in rov. 2.15 van het eindvonnis bedoelde berekening verschuldigd is. Daarnaast heeft de kantonrechter Dexia veroordeeld in de proceskosten in conventie. Wat betreft de tegenvordering van Dexia heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat Dexia met betrekking tot overeenkomsten V t/m IX en XI aan al haar verplichtingen met betrekking tot deze overeenkomsten heeft voldaan en niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is. De proceskosten in reconventie zijn gecompenseerd.

4.De beoordeling

4.1.
Het hof verwijst naar het tussenvonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder 2 (‘De feiten’). Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het eindvonnis en het tussenvonnis, en tot het alsnog (volledig) toewijzen van haar vorderingen en het alsnog (volledig) afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] .
4.3.
[geïntimeerde] heeft, verkort weergegeven, geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het eindvonnis.
Vernietiging door de echtgenote – verjaring
4.4.
Dexia stelt dat de vordering tot vernietiging van de Overeenkomsten I tot en met IV is verjaard. Tussen partijen staat niet ter discussie dat – voor het slagen van dat beroep op verjaring – de echtgenote van [geïntimeerde] in verband met de collectieve stuiting voor de wederpartijen van Dexia en hun echtgenoten op 13 maart 2003, vóór 13 maart 2000 ‘daadwerkelijk bekend’ met de overeenkomsten moet zijn geworden. Het hof overweegt, in lijn met wat [geïntimeerde] aanvoert, dat voor Overeenkomst IV (tot stand gekomen op 12 mei 2000) en de (op 5 juni 2002 tot stand gekomen) verlenging van Overeenkomst III heeft te gelden dat met de brief van 13 maart 2003 de verjaring van de vordering tot vernietiging is gestuit en dat die overeenkomsten met de brief van de echtgenote van [geïntimeerde] op 26 oktober 2005 rechtsgeldig zijn vernietigd. De vordering van Dexia kan dus voor zover het Overeenkomst IV en de verlenging van Overeenkomst III betreft, niet worden toegewezen, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen.
4.5.
Voor de Overeenkomsten I, II en de oorspronkelijke Overeenkomst III (hierna gezamenlijk: de Overeenkomsten), die vóór 13 maart 2000 tot stand zijn gekomen, geldt het volgende. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de verjaringstermijn op grond van artikel 3:52 lid Pro 1, aanhef en onder d, BW begon te lopen vanaf het tijdstip waarop de echtgenote van [geïntimeerde] daadwerkelijk bekend is geworden met de Overeenkomsten. Op Dexia rust de stelplicht en – omdat [geïntimeerde] voldoende heeft betwist dat zijn echtgenote al vóór 13 maart 2000 bekend was met de Overeenkomsten – ook de bewijslast van de feiten waaruit bekendheid van de echtgenote van [geïntimeerde] met de Overeenkomsten kan worden afgeleid.
4.6.
Dexia voert, met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2011 [1] aan dat de kantonrechter een verkeerd toetsingskader heeft gebruikt voor de vraag of Dexia al dan niet dient te worden toegelaten tot het leveren van getuigenbewijs. Volgens Dexia kan aan haar bewijsaanbod niet de eis worden gesteld dat zij dit – na de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] – onderbouwt met concrete feiten en omstandigheden. Dit met name omdat de feiten zich volledig hebben voorgedaan binnen het domein van de echtgenote en [geïntimeerde] en omdat Dexia geen andere bewijs ter beschikking staat. Dexia dient dus te worden toegelaten tot getuigenbewijs.
4.7.
[geïntimeerde] is van mening dat de kantonrechter terecht heeft beslist om Dexia niet toe te laten tot het leveren van bewijs. Gezien de omstandigheden in deze zaak en het partijdebat heeft zij daarvoor onvoldoende te bewijzen concrete feiten en omstandigheden genoemd. Van Dexia mocht in de visie van [geïntimeerde] worden verwacht dat zij benoemt wat de getuigen kunnen verklaren ter toetsing van de schriftelijke verklaringen van [geïntimeerde] en zijn echtgenote en wat voor relevants Dexia te weten kan komen door het getuigenverhoor.
4.8.
Naar het oordeel van het hof heeft Dexia voldoende onderbouwd gesteld dat de echtgenote van [geïntimeerde] vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de Overeenkomsten. Daarbij zijn de door Dexia aangevoerde omstandigheden relevant dat vóór die datum al meerdere andere overeenkomsten zijn afgesloten met Dexia en dat er post binnenkwam met betrekking tot de Overeenkomsten. Ook is daarbij van belang de stelling dat betalingen vanaf, en op, een en/of rekening werden gedaan, waarvan maandelijks betalingen zijn verricht en waarop dividendinkomsten werden bijgeboekt. Voor zover [geïntimeerde] aanvoert dat voor de vraag of de echtgenote daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomst eveneens vereist is dat zijn echtgenote wist of begreep dat zij de overeenkomst kon vernietigen, is dat onjuist. Bepalend voor die vraag is welke feiten en omstandigheden bekend waren omtrent het bestaan van de Overeenkomsten, en niet of bekendheid bestaat met de juridische beoordeling daarvan. [2] Het beroep van [geïntimeerde] op de arresten van 12 januari 2024 van de Hoge Raad gaat ook niet op. [3] Dit omdat die uitspraken zien op daadwerkelijke bekendheid met feiten en omstandigheden die betrekking hebben op schade in de zin van artikel 3:310 lid 1 BW Pro. Die rechtspraak is daarmee niet relevant voor de vraag wanneer de verjaringstermijn van artikel 3:52 lid Pro 1, aanhef en onder d, BW bij een beroep op de vernietigingsgrond van artikel 1:89 lid 1 BW Pro jo artikel 1:88 lid 1 onder Pro d, BW.
4.9.
Het hof volgt Dexia in haar standpunt dat de eisen van de goede procesorde in dit geval meebrengen dat aan de (nadere) feitelijke onderbouwing van de stellingen van Dexia over de wetenschap van de echtgenote van [geïntimeerde] , niet al te zware eisen mogen worden gesteld. De relevante omstandigheden zijn van subjectieve aard en zij hebben zich geheel in de sfeer van [geïntimeerde] en zijn echtgenote afgespeeld. Aan het inwilligen van het – in hoger beroep herhaalde - bewijsaanbod van Dexia kan niet de eis worden gesteld dat Dexia moet stellen wat [geïntimeerde] en zijn echtgenote zullen verklaren. De aanwezigheid van de schriftelijke verklaringen van [geïntimeerde] en zijn echtgenote maakt dit niet anders, nu aan deze verklaringen niet dezelfde waarde toekomt als aan onder ede afgelegde verklaringen.
4.10.
Tussen partijen is nog in geschil of de uit de Overeenkomsten voortvloeiende betalingen via een en/of rekening zijn gedaan en de gevolgen daarvan voor de bewijslevering. Dexia stelt dat er sprake was van zo’n gezamenlijke rekening; in hoger beroep betwist [geïntimeerde] dat. Mede in aanmerking nemend dat [geïntimeerde] in eerste aanleg (onder meer in de verklaringen van hemzelf en van zijn echtgenote) heeft verklaard dat de betalingen aan Dexia zijn gedaan vanaf een en/of rekening, oordeelt het hof dat die betwisting onvoldoende is om Dexia niet tot bewijslevering toe te laten. Anders dan Dexia stelt, kan uit het arrest HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506, echter niet worden opgemaakt dat – indien sprake is van een gezamenlijke rekening – er altijd een bewijsvermoeden moet worden aangenomen. Het hof ziet daarvoor in deze zaak ook geen aanleiding.
4.11.
De slotsom is dat het hof Dexia zal toestaan om te bewijzen dat de echtgenote van [geïntimeerde] reeds vanaf aanvang van de Overeenkomsten, of vóór 13 maart 2000, met het bestaan van de Overeenkomsten bekend is geworden. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5.De uitspraak

Het hof:
5.1.
laat Dexia toe bewijs te leveren van haar stelling dat de echtgenote van [geïntimeerde] reeds vanaf aanvang van de Overeenkomsten I, II en de oorspronkelijke Overeenkomst III, of vóór 13 maart 2000, met het bestaan van de Overeenkomsten bekend is geworden;
5.2.
bepaalt dat als Dexia getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een van de zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 in Den Haag voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. P. Volker, op 14 april 2026 om 13:30 uur;
5.3.
bepaalt dat als één van de partijen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak, opgeeft verhinderd te zijn op de genoemde datum en daarbij de verhinderdata van beide partijen in de maanden april 2026 tot en met juni 2026 opgeeft, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor getuigenverhoren zal vaststellen;
5.4.
deelt mee dat het hof al beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat het niet nodig is deze voor het getuigenverhoor over te leggen;
5.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P. Volker, C.A. Joustra en H.J. van Harten en is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 28 jan 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6106 (hierna: Hoge Raad 2011).
2.HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1168.
3.HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR2024:18; ECLI:NL:HR:2024:19.