Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:946

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
200.324.131/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a Regeling pensioenwetArt. 14c lid 1 Regeling pensioenwetArt. 14j lid 1 Regeling pensioenwetArt. 14j lid 3 Regeling pensioenwetWet verplichte beroepspensioenregeling
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over schadevergoeding wegens eenzijdige wijziging pensioenregeling Aon

In deze zaak staat de eenzijdige wijziging van de pensioenregeling door Aon centraal, waarbij het hof eerder oordeelde dat het belang van Aon niet zwaarder weegt dan dat van de werknemers, zodat herstel van de middelloonregeling met terugwerkende kracht niet mogelijk is en vervangende schadevergoeding moet worden vastgesteld.

Het hof heeft in eerdere tussenarresten de berekeningsmethodiek voor de schadevergoeding vastgesteld en partijen de gelegenheid gegeven zich uit te laten. Aon verzocht terug te komen op het gebruik van de scenarioset Q1-2021, stellende dat deze verouderde aannames bevat, maar het hof wijst dit af en bevestigt dat de schade moet worden berekend volgens de uniforme rekenmethodiek (URM).

Verder constateert het hof dat Aon niet volledig aan de instructies heeft voldaan en verzoekt aanvullende informatie te verstrekken, onder meer over correcties voor ervaringssterfte, loonindexatie, toeslagverlening en de wijze van compensatie. Het hof wijst een te late eiswijziging van de werknemers af en houdt de zaak aan voor nadere stukken, met het oog op een eindoordeel.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van Aon af om terug te komen op het gebruik van scenarioset Q1-2021 en verzoekt aanvullende informatie voor een juiste schadevaststelling.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.324.131/01
Zaaknummer rechtbank : 9829225 \ CV EXPL 22-12515
Arrest van 12 mei 2026
in de zaak van

1.[appellant 1] ,

wonend in [woonplaats] ,
2.
[appellant 2],
wonend in [woonplaats] ,
3.
[appellant 3],
wonende in [woonplaats] ,
4.
[appellant 4],
wonende in [woonplaats] ,
5.
[appellant 5],
wonende in [woonplaats] ,
6.
[appellant 6],
wonende in [woonplaats] ,
7.
[appellant 7],
wonende in [woonplaats] ,
8.
[appellant 8] ,
wonende in [woonplaats] ,
9.
[appellant 9],
wonende in [woonplaats] ,
appellanten in het principaal hoger beroep,
geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. R.A. Moonen, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
Aon Groep Nederland B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.W. de Bruin, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof zal appellanten in het principaal hoger beroep / geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep hierna respectievelijk noemen: [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] , [appellant 4] , [appellant 5] , [appellant 6] , [appellant 7] , [appellant 8] en gezamenlijk [appellant 1] c.s. Geïntimeerde in het principaal hoger beroep / appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep zal het hof hierna aanduiden als Aon.

1.De zaak in het kort

1.1
In zijn eerste tussenarrest van 18 februari 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:136) heeft het hof geoordeeld dat een zodanig zwaarwegend belang van Aon bij de doorgevoerde eenzijdige wijziging van de pensioenregeling van [appellant 1] c.s., dat het belang van [appellant 1] c.s. bij instandhouding daarvan in redelijkheid moet wijken, niet is komen vast te staan. Omdat het moeilijk, zo niet onmogelijk, zal zijn een pensioenuitvoerder te vinden die bereid zal zijn de middelloonregeling met terugwerkende kracht te herstellen, is vervangende schadevergoeding aangewezen. Het hof heeft voor de berekening van die schadevergoeding een voorstel gedaan en partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten.
1.2
In zijn tweede tussenarrest van 19 augustus 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:1542) heeft het hof het verzoek van Aon afgewezen om terug te komen van het oordeel dat niet is gebleken van een zodanig zwaarwegend belang van Aon voor de doorgevoerde eenzijdige wijziging van de pensioenregeling van [appellant 1] c.s., dat het belang van [appellant 1] c.s. bij instandhouding daarvan in redelijkheid moet wijken. Het hof heeft aanwijzingen gegeven voor de berekening van de schade.
1.3
In dit arrest wijst het hof het verzoek van Aon af om terug te komen van het oordeel dat de schade moet worden begroot met gebruik van scenarioset Q1-2021. Het hof constateert verder dat Aon niet volledig de aanwijzingen voor de berekening van de schade heeft opgevolgd. Het hof verzoekt Aon aanvullende informatie te leveren.

2.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

2.1
In deze zaak heeft het hof op 19 augustus 2025 een tweede tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar het eerste en tweede tussenarrest verwezen.
2.2
Aon heeft een akte na tweede tussenarrest met productie 21 (rapport [naam] van 14 november 2025) genomen en [appellant 1] c.s. een akte na tweede tussenarrest tevens wijziging eis. Hierna heeft Aon bij akte overlegging productie, als productie 22 de factuur van [naam] van 5 december 2025 overgelegd.

3.De verdere beoordeling

Wijziging van eis

3.1
In verband met het feit dat nakoming van de middenloonregeling niet meer wordt gevorderd en de vervangende schadevergoeding moet worden berekend op basis van de URM, wenst [appellant 1] c.s. hun eis aldus te wijzigen:
[appellant 1] c.s. vorderen de veroordeling van Aon
- tot betaling van een vervangende schadevergoeding en nog te lijden schade conform rov. 6.36 van het tussenarrest van 18 februari 2025 op basis van de uniforme rekenmethodiek, waarbij wordt uitgegaan van het 5e percentiel van de pensioenbedragen (URM, art. 14a t/m 14j Regeling pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling) en rekening houdend met de door [naam] voorgestelde correcties, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2021, dan wel datum van dagvaarding;
- tot aanvullende betaling van een maandelijkse compensatie aan [appellant 8] , [appellant 9] en [appellant 2] die nog in dienst zijn (van een rechtsopvolger) conform rov. 6.36 van het eerste tussenarrest;
- tot uitbreiding van de berekening van de benodigde koopsommen over de periode na 2024 voor de werknemers die toen nog in dienst waren, waarvoor door Aon nog geen koopsommen zijn berekend waarbij [appellant 1] c.s. de schadevergoeding naar keuze als loon onder inhouding van loonheffing ontvangen, dan wel de vergoeding zonder inhouding wordt gestort als een eenmalige extra koopsom in zijn lopende pensioenregeling of af te sluiten polis;
- tot betaling van de advieskosten van [naam] , alsmede buitengerechtelijke kosten;
- in de kosten van beide instanties.
3.2
Aon is nog niet in de gelegenheid geweest op deze eiswijziging te reageren. Het hof ziet geen aanleiding om Aon hiertoe alsnog de gelegenheid te bieden, omdat de eiswijziging te laat is. Een eiswijziging geldt immers als grief, zodat deze in beginsel dient te worden ingediend bij memorie van grieven. De eiswijziging is gelet hierop te laat.
3.3
Daarbij komt dat het hof in zijn eerste tussenarrest onder 6.32 e.v. heeft overwogen dat vervangende schadevergoeding aangewezen is. Het hof heeft verder geoordeeld dat de gevorderde wijze van berekening van schadevergoeding op basis van de berekeningsmethodiek van productie 24 bij MvG niet als uitgangspunt kan dienen, zodat het hof de (als alternatief gevorderde) in goede justitie te betalen compensatie zal toekennen. Gelet op het vorenstaande valt – zonder nadere toelichting – niet te begrijpen dat een eiswijziging “noodzakelijk” is. Het hof gaat dus aan de eiswijziging voorbij.
Verzoek terug te komen van gebruik van scenarioset Q1-2021 als uitgangspunt voor de schadebegroting
3.4
Aon heeft in haar akte verzocht terug te komen van het oordeel dat scenarioset Q1-2021 de meest geëigende scenarioset is, aan de hand waarvan de schade van [appellant 1] c.s. moet worden begroot. Rekenen met deze scenarioset impliceert rekenen met verouderde aannames en verwachtingen, in plaats van met de meest recente aannames en verwachtingen. Daardoor ontstaat een onjuist beeld van de schade, inmiddels is immers duidelijk dat deze scenarioset uitgaat van een te lage rente. De rente is met name van invloed op een beschikbare premieregeling, zoals de Aon regeling en veel minder op een uitkeringsregeling, zoals de Aegon-regeling, aldus Aon.
3.5
[appellant 1] c.s. meent dat er geen reden is om terug te komen van scenarioset Q1-2021 als uitgangspunt voor de berekening. Zij wijst erop dat als de schadeveroorzakende gebeurtenis was uitgebleven, de overeengekomen middelloonregeling zou zijn voortgezet op 1 januari 2021. Door middel van vervangende schadevergoeding moet de door Aon aangeboden compensatieregeling worden opgehoogd naar het niveau dat vanaf 1 januari 2021 nodig was om te voldoen aan de gelijkwaardigheid volgens de wettelijke URM-methode, die volgens het hof het meest in de rede ligt.
3.6
Het hof ziet geen aanleiding terug te komen van het oordeel dat scenarioset Q1-2021 de meest geëigende scenarioset is voor de berekening van de schade. De schade dient immers begroot te worden op de wijze die het meest met de aard hiervan in overeenstemming is. Het hof heeft daarom aansluiting gezocht bij de URM. Zoals het hof heeft overwogen in rov. 3.33 van zijn tweede tussenarrest i) gaat het bij de gekozen methode om de scenarioset op de berekeningsdatum (1 januari 2021); ii) wordt deze scenarioset gebruikt voor het berekenen van een pensioenbedrag voor beide regelingen over de resterende duur van het dienstverband tot pensioendatum en gedurende de periode waarin pensioen wordt ontvangen, zodat de uitgangspunten voor beide gelijk zijn; en iii) wordt ook volgens de WTP gerekend met de scenarioset die geldt op de transitiedatum (en niet daarvoor of daarna). Daarbij geldt dat de schade is ontstaan per 1 januari 2021, vanaf dat moment vindt de opbouw van de pensioenen van [appellant 1] c.s. immers niet meer plaats volgens de Aegon-pensioenregeling met premiebetalingen conform die regeling, maar op basis van de Aon-pensioenregeling met premiebetalingen gebaseerd op die regeling. Voor zover de opbouw conform laatstgenoemde regeling niet gelijkwaardig is aan opbouw conform de Aegon-regeling, heeft [appellant 1] c.s. recht op een schadevergoeding die dit verschil in opbouw compenseert.
3.7
Het mag zo zijn dat de verwachte rentes waarmee scenarioset Q1-2021 rekent voor risicovrij vastrentende en zakelijke waarden over de eerste al verstreken vijf jaar, lager is dan daadwerkelijk gerealiseerde rentes, zoals Aon stelt, en dat de hoogte van de rente met name van invloed is op een beschikbare premieregeling zoals de Aon-regeling, maar dat doet er niet aan af dat [appellant 1] c.s. niet hebben geprofiteerd van het daadwerkelijke rendement over de compensatie in de jaren 2021 tot en met 2025. De schadevergoeding is immers nog niet uitbetaald en heeft daarom ook niet kunnen renderen in de Aon-regeling of anderszins. Bovendien bevat de rentetermijnstructuur de verwachte renteontwikkeling over looptijden van meer dan 50 jaar, waardoor er altijd verschillen kunnen worden verwacht tussen ex ante en ex post uitkomsten. Het gaat uiteindelijk om het gemiddelde over de in aanmerking genomen duur (in casu levenslang). Dit argument van Aon overtuigt het hof daarom ook niet.
Aon-berekeningen
3.8
Aon stelt dat zij conform de instructie van het hof in het tweede tussenarrest berekeningen heeft opgesteld en dat zij [naam] gevraagd heeft om de berekeningen te valideren.
3.9
Aon stelt dat zij daartoe voor ieder van [appellant 1] c.s. heeft berekend:
het te bereiken pensioen in de Aegon middelloonregeling op basis van pensioenopbouw tot de pensioendatum, rekening houdend met eventuele toeslagverlening uit hoofde van de winstdeling in het Aegoncontract, en
het te bereiken pensioen in de Aon beschikbare-premieregeling op basis van pensioenopbouw vanaf 1 januari 2021 tot aan de pensioendatum vermeerderd met het te bereiken pensioen in de Aegon middelloonregeling op basis van de pensioenopbouw tot 1 januari 2021, rekening houdend met eventuele toeslagverlening uit hoofde van de winstdeling in het Aegon-contract.
3.1
Aon heeft – zo stelt zij – per scenario uit de scenarioset Q1-2021 het te verwachten pensioen onder a) afgezet tegen het te verwachten pensioen onder b). Indien het pensioen onder a) groter is dan de uitkomst onder b), heeft zij een zodanige compensatie vastgesteld dat het verschil tussen a) en b) overbrugd wordt.
3.11
Dit gaf volgens Aon het volgende resultaat (aangevuld door het hof met geboortedatum en datum uit dienst):
Naam
Geboren
Uit dienst
Salaris
5%
25%
50%
75%
95%
[appellant 3]
[geboortedag] -1956
31-7-2023
€ 41.053
€ 4.642
€ 1.400
€ 3.485
€ 3.721
€ 4.698
[appellant 6]
[geboortedag] -1960
30-4-2022
€ 69.486
€ 6.700
€ 2.116
€ 775
€ -228
€ -247
[appellant 1]
[geboortedag] -1964
31-1-2022
€ 48.296
€ 4.142
€ 1.160
€ -357
€ -1.297
€ -1.707
[appellant 4]
[geboortedag] -1974
31-1-2022
€ 73.188
€ 10.460
€ 1.648
€ -2.504
€ -4.870
€ -5.952
[appellant 7]
[geboortedag] -1986
31-8-2022
€ 54.939
€ 15.017
€ 1.365
€ -4.486
€ -8.037
€ -9.432
[appellant 5]
[geboortedag] -1961
1-1-2026
€ 73.287
€ 41.951
€ 17.866
€ 13.439
€ 10.896
€ 10.038
[appellant 2]
[geboortedag] -1968
€ 65.183
€ 110.213
€ 30.503
€ -17.495
€ -47.494
€ -60.488
[appellant 8]
[geboortedag] -1969
€ 74.932
€ 143.446
€ 38.173
€ -25.557
€ -63.160
€ -72.252
[appellant 9]
[geboortedag] -1972
€ 54.820
€ 166.674
€ 49.773
€ -10.134
€ -44.876
€ -54.763
Uit de toelichting van [naam] onderaan pagina 4 van productie 21 leidt het hof af dat bij dit resultaat voor de eenmalige schadevergoeding per 1 januari 2021 de contante waarde van de (ook) berekende maandelijkse of jaarlijkse (aanvullende) compensaties gedurende het dienstverband is berekend rekening houdend met de daadwerkelijke datum uitdiensttreding van [appellant 3] , [appellant 6] , [appellant 1] , [appellant 4] , en [appellant 7] en, naar het hof veronderstelt, op basis van de rente in scenarioset Q1-2021. Het hof begrijpt dat [appellant 5] inmiddels uit dienst is getreden per 1 januari 2026. Voor [appellant 5] kan dus bij een herrekening van die einddatum worden uitgegaan. Voor [appellant 2] , [appellant 8] en [appellant 9] is, naar het hof veronderstelt, nog geen rekening gehouden met blijf/vertrekkansen en zijn maandelijkse of jaarlijkse (aanvullende) compensatiebedragen per 1 januari 2021 contant gemaakt op basis van de rente in scenarioset Q1-2021.
3.12
De in 3.8 tot en met 3.11 beschreven berekeningen heeft Aon voorgelegd aan [naam] . Uit het rapport van [naam] van 14 november 2025 blijkt dat Aon, naast de compensatiebedragen als eenmalige storting in de nieuwe regeling, ook de compensatiebedragen als jaarlijkse vaste storting en als jaarlijkse storting in de vorm van een vast percentage van het salaris heeft berekend en aan [naam] heeft voorgelegd. Daarnaast zegt [naam] - onder meer - de volgende uitkomsten en tussenuitkomsten van de berekeningen te hebben ontvangen:
o Ontwikkeling van het beleggingsdepot in verschillende percentielen van de scenarioset: het VPV-depot dat wordt aangehouden voor uitbetaling van de uitkeringen en het toeslagendepot waaruit toeslagen kunnen worden gefinancierd, de overrente, de rendementspercentages, de overrente, het indexatieresultaat en de indexatie. Deze ontwikkeling is zowel inclusief als exclusief voortgezette pensioenopbouw voor het gehele deelnemersbestand doorgerekend.
o Pensioenuitkomsten per appellant in verschillende percentielen van de scenarioset in de oude UMG-regeling, de nieuwe Aon regeling en van een eenmalige storting in de nieuwe regeling.
Aon heeft daarbij berekeningen op andere percentielen toegevoegd dan het door het hof gevraagde 5e, 50e en 95e percentiel.
3.13
[naam] constateert dat de pensioenrichtleeftijd in de pensioenregeling van UMG bij Aegon vanaf 2018 68 jaar was bij een opbouw van 1,875% ouderdomspensioen per jaar. [naam] is in controle van de berekeningen daarom uitgegaan van een pensioenrichtleeftijd van 68 jaar en dat de opgebouwde pensioenen op vroegere pensioenleeftijden worden uitgesteld en actuarieel worden verhoogd. [naam] vermeldt dat bij de pensioenuitkeringen in de Aegon-middelloonregeling ook de vóór 2017 opgebouwde pensioenen zijn meegenomen, in verband met het meenemen van de toeslagregeling over de reeds opgebouwde pensioenen. Dat geldt ook voor de doorrekening van de Aon-premieregeling.
3.14
Bij de Aon-premieregeling zijn, naast de te verwachten pensioenuitkeringen die op pensioendatum aangekocht kunnen worden uit de, uit premie en rendementen opgebouwde, pensioenkapitalen, ook de te verwachten pensioenuitkeringen meegerekend die aangekocht kunnen worden uit de pensioenkapitalen bij storting van 6% eigen bijdrage op basis van de pensioengrondslag uit de Aegon-middelloonregeling (conform de aanvulling op het pensioenreglement per 1-1-2018), aldus [naam] .
3.15
[naam] heeft geconstateerd dat de door Aon geleverde berekeningen grotendeels zijn uitgevoerd volgens de door het hof opgestelde regels zoals vermeld onder punt 3.42 tot en met 3.45 van het tweede tussenarrest. [naam] benoemt verder vier onderdelen, die volgens haar niet expliciet in het tussenarrest zijn benoemd, waarbij op een andere manier naar de berekening kan worden gekeken. Deze zullen volgens [naam] een beperkte impact hebben op de uitkomsten.
3.16
Vervolgens heeft [naam] de methodieken waarop gecompenseerd kan worden beoordeeld: middels een eenmalige toeslag, een vaste jaarlijkse toeslag en een jaarlijkse percentuele toeslag, die (fictief) in de pensioenregeling worden ingebracht. [naam] heeft ten aanzien van de drie opties geconstateerd dat
Aon een (maximaal 2%) hogere eenmalige compensatie heeft berekend dan zij;
Aon een (maximaal 0,4%) hogere jaarlijkse compensatie als % van het salaris heeft berekend dan zij; en
Aon een (maximaal 0,7 tot 2,5%) hogere vaste jaarlijkse compensatie heeft berekend dan zij.
[naam] heeft verder geconstateerd dat Aon de compensatie voor de appellanten die inmiddels uit dienst zijn op de juiste wijze heeft omgerekend naar een eenmalig bedrag.
3.17
Het hof stelt vast dat Aon de resultaten van de in 3.12 en 3.16 genoemde drie opties wel met [naam] heeft gedeeld, maar met ( [appellant 1] c.s. en) het hof alleen de eenmalige compensaties, berekend per 1-1-2021 als beschreven in 3.11. Dat wijkt af van de opdracht in het tweede tussenarrest omdat het hof in rov. 3.35 van zijn tweede tussenarrest heeft overwogen dat het hof voornemens is Aon (gedeeltelijk) te volgen in haar suggestie om een vergoeding ineens vast te stellen voor de al geleden schade tot de berekeningsdatum (of eerdere datum uit dienst), zij het op basis van de berekende fictieve maandelijkse of jaarlijkse extra premie en daarna een vergoeding per maand of per jaar zolang het dienstverband voortduurt. Volgens 3.36 (en 3.44 onder 3) van het tweede tussenarrest moet daarbij worden uitgegaan van een jaarlijkse gelijkblijvende procentuele toeslag op de volgens de Aon-pensioenregeling geldende leeftijdsafhankelijke werkgeversbijdrage met de daarbij geldende betalingstermijn(en).
3.18
Noch uit de toelichting van Aon, noch uit de analyse van [naam] blijkt dat de door Aon berekende jaarlijkse compensatie als % van het salaris hetzelfde is als de door het hof gevraagde gelijkblijvende procentuele toeslag op de volgens de Aon-pensioenregeling geldende leeftijdsafhankelijke werkgeversbijdrage met de daarbij geldende betalingstermijn(en). Het hof verwijst verder naar 3.42 tot en met 3.45 van het tweede tussenarrest.
3.19
Het hof heeft ook aangegeven dat alleen rekening moet worden gehouden met de na 1 januari 2017 in de Aegon pensioenregeling opgebouwde pensioenbedragen. Mocht de opmerking van [naam] juist zijn dat ook rekening is gehouden met de opbouw vóór die datum in de UMG-pensioenregeling, dan dient (ook) die afwijking van de opdracht te worden hersteld.
3.2
Met de betrekking tot de vier punten die volgens [naam] niet expliciet in het tussenarrest zijn benoemd en waarbij op een andere manier naar de berekening kan worden gekeken, merkt het hof het volgende op. Het feit dat deze punten niet expliciet in het tussenarrest zijn benoemd, betekent niet dat het hof deze ter vrije beoordeling van Aon heeft gelaten. Het hof heeft immers verzocht om een berekening conform de URM. Waar Aon is afgeweken van de URM, heeft zij niet voldaan aan het verzoek (de opdracht) van het hof.
3.21
Gezien de sterk afwijkende berekeningsuitkomsten voor [appellant 5] (gearceerd in 3.11) is denkbaar dat (nog) geen rekening is gehouden met de reeds aan hem toegezegde compensatie voor de 13e maand in zijn pensioengrondslag of dat er een andere bijzondere omstandigheid is die (nog) niet met ( [appellant 1] c.s. en) het hof is gedeeld. Het hof verzoek Aon zich hierover uit te laten. Het hof denkt daarbij aan de opmerking van [appellant 5] ter zitting van het hof dat de toegezegde compensatie niet is uitbetaald.
3.22
Het hof verzoekt Aon dus om de schade per appellant op de wijze als hiervoor nog eens beschreven en aangescherpt te berekenen (met inachtneming van de uitdiensttreding van [appellant 5] en de aan hem toegezegde compensatie, voor zover daadwerkelijk geëffectueerd) en de resultaten (jaarlijks stijgende premie compensatie en berekende eenmalige (vervangende) koopsommen
per berekeningsdatumop basis van de scenarioset Q1-2021 voor de al verstreken dienstjaren) aan het hof voor te leggen. Daarbij dient Aon verder acht te slaan op de vier aandachtspunten van [naam] en hetgeen het hof hieromtrent hierna opmerkt.
De vier aandachtpunten van [naam]
Loonindex
3.23
[naam] stelt vast dat Aon in de berekeningen is uitgegaan van een algemene salarisverhoging ter grootte van de inflatie minus 0,5% terwijl de door de overheid ingestelde Commissie parameters een looninflatie adviseert die 0,4 procespunt hoger is dan de prijsinflatie, waarbij bedacht moet worden dat (in een URM-berekening) ook geen rekening wordt gehouden met individuele carrière verhogingen.
3.24
Deze opmerking van [naam] is juist. Het hof had gevraagd om een berekening conform de URM en ziet geen aanleiding af te wijken van het advies van de Commissie parameters en looninflatie. De omstandigheid dat volgens Aon de salarisontwikkeling binnen Aon de prijsinflatie niet bijhoudt, zelfs niet als rekening wordt gehouden met de “merit-component” van goed presterende werknemers, acht het hof onvoldoende zwaarwegend om af te wijken van het advies van de Commissie en verzoekt Aon hiermee dan ook te rekenen.
Tarief aankoop pensioen met of zonder ervaringssterfte en kostenopslagen
3.25
[naam] stelt verder vast dat Aon uit de beschikbare premieregeling en deelnemersbijdragen voortvloeiende uitkering berekent op basis van de overlevingstafel AG2021 zonder correctie. Deze overlevingstafel is een inschatting van de overlevingskansen van de gemiddelde Nederlander. Het is echter bekend dat de beroepsbevolking betere overlevingskansen heeft dan de gemiddelde Nederlander, een pensioenuitvoerder zal daarom bij aankoop van pensioen uit het in de beschikbare premieregeling opgebouwde kapitaal “zwaardere” grondslagen gebruiken. Volgens de overeenkomst voor de uitvoering van de Aon-premieregeling hanteert Nationale-Nederlanden volgens [naam] een correctie voor (verzekerden)ervaringssterfte. Hiermee heeft Aon volgens [naam] ten onrechte geen rekening gehouden.
3.26
Aon stelt dat het niet gebruikelijk is met ervaringssterfte of leeftijdsterugstelling te werken binnen de kaders van de URM. Zij wijst er verder op dat Aon al rekening heeft gehouden met een opslag van 5% ten behoeve van onder meer aankoopkosten bij vaststelling van de verwachte uitkeringen. Aon meent dat zij daarmee voldoende rekening heeft gehouden met het inprijzen van ervaringssterfte. [naam] geeft echter aan dat zij in een eerder overleg met Aon hebben aangegeven dat er bij de aankoop van de pensioenen uit het pensioenkapitaal vanuit de marktervaring uitvoeringskosten worden berekend. Dat heeft Aon toen verwerkt door een 5% opslag in de aankooptarieven te verwerken. In de nadere analyse constateerde [naam] dat er – los van gebruikelijke opslag voor aankoopkosten – geen rekening is gehouden met de (verzekerden) ervaringssterfte.
3.27
[appellant 1] c.s. zijn met [naam] van mening dat het realistischer is wel rekening te houden met de leeftijdsterugstelling.
3.28
Voor zover het hof bekend voorziet de URM in een correctie voor aankoopkosten als die niet zijn verdisconteerd in de gehanteerde aankooptarieven op pensioendatum. Dat Aon – op aangeven van [naam] – 5%-opslag in de aankooptarieven heeft verwerkt, omdat bij de aankoop van de pensioenen uit het pensioenkapitaal vanuit de marktervaring uitvoeringskosten worden berekend, komt het hof daarom juist voor, uiteraard mits 5% spoort met de opslag die Nationale Nederlanden hanteert. Die opslag staat echter los van de vraag of (ook) rekening moet worden gehouden met een correctie voor (verzekerden)ervaringssterfte, gegeven het feit dat Nationale Nederlanden daarmee rekening houdt volgens de Aon-pensioenregeling.
3.29
Het hof onderschrijft dat de opmerking van [naam] dat rekening moet worden gehouden met een correctie voor (verzekerden)ervaringssterfte indien Nationale Nederlanden daarmee rekening houdt volgens de in de Aon-pensioenregeling gemaakte afspraken. Daarbij is maatgevend dat volgens artikel 14c lid 1 Regeling de pensioenbedragen op basis van een zo realistisch mogelijke doorrekening van het pensioenbeleid worden berekend en dat volgens artikel 14j lid 1 Regeling de rekenmethode wordt gekozen die passend is gegeven de kenmerken van de pensioenuitvoerder en de pensioenregeling. Daarnaast is volgens artikel 14j lid 3 Regeling de onderbouwing van de berekening gedegen en biedt voldoende inzicht in onder meer de gebruikte gegevens, veronderstellingen, grondslagen en modellering. Met beide hiervoor genoemde correcties moet dus naast elkaar rekening worden gehouden. Het hof verzoekt Aon dit te doen, mits passend voor hetgeen met Nationale Nederlanden is overeengekomen.
Rekenmethodiek vergelijking regelingen met secenariosets
3.3
[naam] stelt vast dat Aon van beide regelingen de uitkomsten in het 5e, 50e en 95e percentiel en tussengelegen percentielen heeft berekend. De compensatie is vervolgens per percentiel berekend door de twee uitkomsten in dat percentiel met elkaar te vergelijken. Reken technisch is het volgens [naam] zuiverder om in plaats daarvan de verschillen in alle scenario’s te berekenen en daar de 5e, 50e 95e enz. percentiel van te nemen. [naam] heeft van Aon begrepen dat Aon eerdere berekeningen zo heeft gedaan en dat dat communicatief duidelijker is.
3.31
Het hof begrijpt dat Aon deze opmerking van [naam] beoogt te weerleggen in 4.8, onder a tot en met e, van haar akte.
3.32
[appellant 1] c.s. merken slechts op dat zij vasthouden aan het slecht weer scenario.
3.33
Omdat het effect op de uitkomsten blijkbaar gering is en dit punt van ondergeschikt belang is, ziet het hof geen aanleiding Aon te vragen om haar rekenmethodiek op dit punt aan te passen.
Opbouw ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen of risico nabestaandenpensioen
3.34
[naam] stelt vast dat Aon alleen de uitkeringen van het ouderdomspensioen in ogenschouw heeft genomen. Dit lijkt [naam] correct, gelet op het tweede tussenarrest dat spreekt over de uitkeringen “tot de statistische datum van overlijden”.
3.35
[appellant 1] stelt dat bij de berekeningen nog rekening moet worden gehouden met het feit dat in de middelloonregeling het nabestaandenpensioen op opbouwbasis was, terwijl dat in de beschikbare premieregeling op risicobasis is verzekerd.
3.36
Het hof verzoekt Aon aan te geven op welke wijze zij in de berekeningen rekening heeft gehouden met (de waarde van) het (al dan niet uitruilbare) nabestaandenpensioen op opbouwbasis in de Aegon-pensioenregeling en de dekking van nabestaandenpensioen op risicobasis tot pensioendatum in de Aon-pensioenregeling.
Levenslang, 30 jaar of 20 jaar
3.37
[naam] stelt vast dat Aon een maximale uitkeringsduur van 20 jaar hanteert, in plaats van een levenslange uitkeringsduur. Bij de tussenresultaten is volgens [naam] (onder andere) ook gerekend met een maximale uitkeringsduur van 30 jaar. Uit de resultaten blijkt dat bij 30 jaar de compensatie iets hoger is dan bij 20 jaar. De uitkeringsduur daarna heeft - gewogen naar de levenskans - een gewicht van minder dan 2%. Er is naar de mening van [naam] daarom geen zwaarwegende reden voor een levenslange doorrekening. [naam] ziet echter ook geen reden - zeker nu de berekeningen al grotendeels zijn gemaakt - niet met 30 jaar maximale uitkeringsduur te rekenen.
3.38
Het hof ziet geen aanleiding Aon en [naam] hierin te volgen. Het hof is in het eerste en tweede tussenarrest op basis van de URM regels uitgegaan van een uitkeringsduur tot de statistische datum van overlijden als invulling van A jaren in de regeling en ziet geen aanleiding de afwijking hiervan door Aon (20 jaar), of [naam] (30 jaar) te honoreren. Dat geldt uiteraard voor de aanspraken en rechten op levenslang ouderdomspensioen en (bij overlijden ingaand, of bij pensionering in ouderdomspensioen om te zetten) nabestaandenpensioen.
Toeslagverlening
3.39
In zijn tweede tussenarrest heeft het hof Aon verzocht toe te lichten of over 2022, 2023 en 2024 toeslagen zijn verleend uit indexatiepot B. Aon heeft toegelicht dat per 1 januari 2021, 2022 en 2023 inderdaad beperkte toeslagen zijn verleend en dat na de toeslagverlening van 1 januari 2023 het indexatiedepot leeg was.
3.4
Verder stelt Aon dat - uitgaande van scenarioset Q1-2021 - de verwachtingen voor de Aegon indexatiepot zodanig somber zijn, dat toeslagverlening in de toekomst volledig achterwege zou blijven. [appellant 1] c.s. hebben dit niet weersproken.
3.41
Uit het rapport van [naam] blijkt niet dat [naam] zich niet kan vinden in deze conclusie, wat betekent dat ook het hof ervan uitgaat dat toeslagverlening niet meer in de lijn van de verwachtingen lag.
Welk percentiel
3.42
[appellant 1] c.s. meent dat binnen de URM het slechtweerscenario (5e percentieel) het meest passend is bij het bepalen van de vervangende schadevergoeding in geval van de overgang van de Aegonregeling (een gegarandeerde middelloonregeling) naar de Aon-regeling (een beschikbare premieregeling), omdat met de overgang van de gegarandeerde middelloonregeling naar een beschikbare premieregeling de volgende risico’s van werkgever naar werknemer zijn verschoven:
- beleggingsrisico
- renterisico
- langleven-risico.
Daarnaast was het nabestaandenpensioen in de Aegonregeling op opbouwbasis, terwijl de Aon-regeling voorziet in een nabestaandenpensioen op risicobasis.
Met verlegging van deze risico’s hebben [appellant 1] c.s. niet ingestemd. Een redelijke benadering van vervangende schadevergoeding, moet daarom uitgaan van het scenario waarin die risico’s zich negatief manifesteren. Gegarandeerd middelloonpensioen is een lange termijn zekerheid, waarvan het verlies van zekerheid niet kan worden gecompenseerd met een gemiddelde verwachting. Het slechtweer scenario is daarom het meest passend. In zowel de wetgeving als de sectorpraktijk en de uitvoeringsdocumentie van de URM wordt het pessimistisch scenario stelselmatig vertaald naar het 5e percentiel, aldus Boeterman c.s.
3.43
Aon daarentegen houdt vast aan een percentiel van 35-45% als voldoende compensatie. Weliswaar heeft zij met haar ondernemingsraad eerder afgesproken om de compensatie te berekenen aan de hand van het 25e percentiel, maar daartoe was zij alleen bereid omdat de verschillen tussen het 25e en 35e-percentiel op basis van de met de ondernemingsraad overeengekomen scenarioset relatief beperkt waren. Aon wil niet de ogen sluiten voor het feit dat [appellant 1] c.s. bij een overstap naar een beschikbare-premieregeling niet langer de (betrekkelijke) zekerheid hebben die wel inherent is aan een middelloonregeling en dat ook de waarde van die zekerheid begroot zal moeten worden. Zij meent echter dat daarbij ook rekening moet worden gehouden worden met het feit dat door de overstap naar een beschikbare-premieregeling [appellant 1] c.s. er ook op vooruit kunnen gaan. Het behoeft volgens Aon geen betoog dat een keuze voor het 5e percentielscenario - waarin in 5% van de scenario’s [appellant 1] c.s. slechter zouden worden van de overstap en in 95% van de scenario’s er (veel) beter van zouden worden - leidt tot evidente overcompensatie.
3.44
Vast staat dat [appellant 1] c.s. schade lijden door het verlies van zekerheden die inherent zijn aan een middelloonregeling. Dit betekent dat de compensatie voor de nadelen van de nieuwe regeling niet kan worden vastgesteld op basis van het 50e percentiel, daar moet (ook volgens Aon) iets bij om de verlegging van de risico’s en het verlies van de opbouw van nabestaandenpensioen te compenseren. Daar de daadwerkelijke toekomstige schade niet op voorhand is te berekenen, zal dit moeten aan de hand van een schatting van de goede en kwade kansen. Het oordeel of in dit kader sprake is van overcompensatie als gekozen wordt voor het 5e percentiel, houdt het hof aan tot het beschikt over alle relevante gegevens. In dat kader verzoekt het hof Aon nog om een (uitgebreidere) verklaring waarom voor mevrouw Giblin de uitkomsten voor een eenmalige compensatie in het 5e percentiel en het 95e percentiel elkaar nauwelijks ontlopen en aanzienlijk lager ligt in het 25e percentiel.
Uitdiensttredingen
3.45
Uit de akte van [appellant 1] c.s. begrijpt het hof dat
- alleen [appellant 8] op dit moment nog in dienst is van Aon. Dat betekent dat hij recht heeft op een premie vervangende koopsom over de jaren 2021 t/m 2025 en daarnaast over de periode vanaf 1 januari 2026 op periodieke compensatie volgens het schema van de gebruikelijke pensioenpremie afdracht zolang het dienstverband duurt;
- [appellant 2] en [appellant 9] inmiddels door een overgang van onderneming in dienst zijn bij OpGroen, als rechtsopvolger van Aon, alwaar de Aon-regeling wordt voortgezet. Dat betekent dat zij recht hebben op een premie vervangende koopsom over de jaren 2021 t/m 2025 en daarnaast over de periode vanaf 1 januari 2026 op periodieke compensatie volgens het schema van de gebruikelijke pensioenpremie afdracht zolang zij onder de Aon-regeling vallen;
- [appellant 5] tot 1 januari 2026 in dienst was van Aon. Dit betekent dat hij recht heeft op een premie vervangende koopsom over de jaren 2021 t/m 2025;
- [appellant 1] , [appellant 3] , [appellant 4] , [appellant 6] en [appellant 7] voor 1 januari 2026 uit dienst zijn getreden. Dit betekent dat zij recht hebben op een premie vervangende koopsom die rekening houdt met premiecompensatie over de duur van hun dienstverband.
Hoe nu verder?
3.46
Zoals hiervoor onder 3.17 tot en met 3.19 weergegeven heeft Aon het hof niet alle gegevens verstrekt die zij aan [naam] heeft verstrekt en ook te weinig om tot een eindoordeel te komen. Aon dient daarom om de schade per appellant op de wijze als hiervoor onder 3.22 beschreven opnieuw te berekenen, rekening houdend met de aandachtspunten van [naam] en hetgeen het hof hierover heeft opmerkt.
3.47
Het hof zal hiertoe de zaak naar de rol over 4 weken verwijzen voor het nemen van een akte overlegging producties aan de zijde van Aon. In de akte kan Aon antwoorden op de vragen van het hof. De producties moeten in ieder geval de volgende gegevens bevatten:
In ieder van de berekeningen van de pensioenuitkomst in de Aon-pensioenregeling in het 5e en 25e percentiel wordt een zodanige jaarlijks gelijke procentuele opslag op de leeftijdsafhankelijke premie toegepast dat de pensioenbedragen uit de Aegon-pensioenregeling en de Aon-pensioenregeling aan elkaar gelijk zullen zijn. Voor de periode vanaf 1 januari 2021 tot 1 januari 2026 wordt de (stijgende) jaarlijkse compensatie, zo nodig berekend tot de eerdere datum uitdiensttreding, vervangen door een bedrag ineens per 1 januari 2026, waarbij Aon dient aan te geven met welke rente die bedragen moeten worden verhoogd bij uitbetaling na 1 januari 2026. Het hof is voornemens met de uitkomsten voor [appellant 8] , [appellant 2] en [appellant 9] een jaarlijks gelijke procentuele opslag op de voor hen geldende toekomstige leeftijdsafhankelijke premie vast te stellen, waarmee Aon of haar rechtsopvolgers rekening moeten houden bij berekening van de jaarlijkse of maandelijkse compensatiepremie.
3.48
Het hof benadrukt dat de gegevens zodanig duidelijk en compleet moeten zijn, dat het hof in staat is een eindarrest te wijzen. [appellant 1] c.s. krijgt daarna 2 weken voor een antwoordakte.

4.Beslissing

Het hof:
- verwijst de zaak naar de rol van vier weken na de dag van deze uitspaak voor het nemen van akte met het doel dat staat vermeld in rechtsoverwegingen 3.46 en 3.48 van dit arrest;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, M. Verkerk en A.C.M. Kuypers en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.