ECLI:NL:GHSGR:2009:BH4210

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
24 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
105.000.586-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Beschikking superheffingArt. 6 EVRMArt. 3:310 BWArt. 68a en 73 OwArt. 6:119 BW
Verwijzingen
7 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens verjaring en onrechtmatige overheidsdaad melkquotum

Appellant heeft sinds 1984 meerdere malen een aanvraag ingediend voor een hoger melkquotum, welke steeds door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn afgewezen. Na diverse bezwaar- en beroepsprocedures, waaronder een uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb) in 1990, stelde appellant dat het CBb destijds niet als een onafhankelijke rechter kon worden beschouwd, verwijzend naar een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in 1994.

In 1998 startte appellant een civiele procedure tegen de Staat met vorderingen tot toekenning van het melkquotum, erkenning van onrechtmatige overheidsdaad en schadevergoeding. De rechtbank wees de vorderingen af wegens niet-ontvankelijkheid en verjaring. Het hof oordeelt dat er geen wettelijke termijn bestaat die appellant verplicht binnen een kortere termijn dan de wettelijke verjaringstermijn tot dagvaarding moest overgaan.

Desondanks wordt de vordering afgewezen wegens verjaring, aangezien appellant niet tijdig de verjaring heeft gestuit en niet binnen een redelijke termijn na de EHRM-uitspraak tot aansprakelijkstelling is overgegaan. Ook het belang bij de verklaring voor recht ontbreekt vanwege de verjaring. De vordering tot nakoming wordt eveneens afgewezen op grond van eerdere jurisprudentie. Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt appellant in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van appellant worden afgewezen wegens verjaring en gebrek aan belang, en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector handel
Zaaknummer : 105.000.586/01
Rolnummer (oud) : 02/665
Rolnummer rechtbank : 98/1498
arrest van de eerste civiele kamer d.d. 24 februari 2009
inzake
de vennootschap onder firma [Naam],
met als vennoten [naam] en [naam],
gevestigd te Borculo,
appellante,
hierna ook te noemen: [appellant] (enkelvoud),
advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te ’s-Gravenhage,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit),
zetelend te ’s-Gravenhage,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. R.J.M. van den Tweel te ’s-Gravenhage.
Het geding
1. Bij exploot van 11 maart 2002 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 19 december 2001, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] zijn eis gewijzigd en tegen het bestreden vonnis vier grieven aangevoerd, die de Staat bij memorie van antwoord (met producties) heeft bestreden. Vervolgens heeft [appellant] nog een akte houdende uitlating producties genomen. Tenslotte hebben partijen stukken gefourneerd en arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep
2.1 Aangezien geen grieven zijn gericht tegen de feiten die de rechtbank in haar vonnis onder 1.1 tot en met 1.8 heeft vastgesteld en daarover tussen partijen ook geen geschil bestaat, zal het hof eveneens van deze feiten uitgaan.
2.2 Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellant] heeft in 1984, in verband met de voorgenomen uitbreiding van zijn stal voor melk- en kalfkoeien, door middel van een op 10 juli 1984 gedateerde aanvraag aanspraak gemaakt op toekenning van een hoger melkquotum op de voet van art. 11 Beschikking Pro superheffing (Bsh). De minister van LNV heeft de daartoe door [appellant] ingediende aanvraag bij besluit van 5 september 1984 afgewezen. [appellant] heeft op 14 november 1984 een aanvullende (hernieuwde) aanvraag ingediend. Bij besluit van 23 november 1984 heeft de minister de aanvraag van 10 juli 1984 (opnieuw) afgewezen. Bij besluit van 24 mei 1985 heeft de minister ook de aanvraag van 14 november 1984 afgewezen.
2.3 [appellant] heeft tegen de beslissing van 24 mei 1985 op 18 juni 1985 een bezwaarschrift ingediend en dit bezwaar bij brief van 9 augustus 1985 gemotiveerd. Bij besluit van 27 februari 1987 heeft de minister op het bezwaar beslist en zijn beslissing gehandhaafd. Hiertegen heeft [appellant] bij beroepschrift van 26 maart 1987 (gemotiveerd bij brief van 22 augustus 1988) beroep bij het CBb ingesteld.
2.4 Op 22 augustus 1988 heeft [appellant] aan de minister verzocht zijn besluit van 27 februari 1987 te heroverwegen. Dit verzoek heeft de minister bij besluit van 4 april 1989 afgewezen. [appellant] heeft tegen dit besluit op 2 mei 1989 beroep bij het CBb ingesteld.
2.5 Het CBb heeft in zijn uitspraak van 28 februari 1990 het beroep tegen de besluiten van 27 februari 1987 en 4 april 1989 verworpen.
2.6 Op 19 april 1994 heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens uitspraak gedaan in de zaak Van den Hurk en, kort gezegd, beslist dat het CBb toentertijd niet kon worden gezien als een onafhankelijke rechter in de zin van art. 6 EVRM Pro.
2.7 Bij brief van 21 oktober 1997 heeft [appellant] de verjaring gestuit.
2.8 Bij dagvaarding van 9 april 1998 heeft [appellant] de onderhavige procedure tegen de Staat aanhangig gemaakt. Hij vordert thans, samengevat, (1) dat voor recht wordt verklaard dat [appellant] voldoet aan de voorwaarden van art. 11 Bsh Pro en uit dien hoofde aanspraak maakt op een bijzondere hoeveelheid heffingvrije melk, uitgaande van een uitbreiding met 48 voor melk- en kalfkoeien ingerichte standplaatsen, (2) dat de Staat wordt veroordeeld ervoor zorg te dragen dat de bedoelde hoeveelheid heffingvrij te leveren melk op de daarvoor voorgeschreven wijze ten name van [appellant] wordt geregistreerd, zulks op straffe van een dwangsom, (3) te verklaren voor recht dat de Staat terzake van de in de dagvaarding vermelde gronden onrechtmatig heeft gehandeld en deswege jegens [appellant] schadeplichtig is en (4) dat de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van (materiële en immateriële) schade die [appellant] als gevolg van dat onrechtmatig handelen heeft geleden, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 1998.
2.9 [appellant] is van mening dat het onrechtmatig handelen van de Staat bestaat uit de volgende elementen:
a. het inrichten, voorbereiden, vaststellen en handhaven van de met het EVRM strijdige rechtsgang naar het CBb en het daaraan verwante relevante bestuursprocesrecht;
b. het voorbereiden, vaststellen en handhaven van de met art. 11 Bsh Pro strijdige besluiten van de minister van 27 februari 1987 en 4 april 1989;
c. het voorbereiden, vaststellen en handhaven van de afwijzende beslissing van het CBb van 28 februari 1990;
d. het overschrijden door de Staat van de redelijke termijn bedoeld in art. 6 EVRM Pro;
e. het niet aanbieden van schadevergoeding na het bekend worden van de uitspraak van het EHRM in de zaak Van den Hurk.
2.10 De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Zij overwoog daartoe samengevat het volgende. Het niet aanbieden van schadevergoeding was niet onrechtmatig, aangezien de melkquotering zich richt tot alle melkveehouders en in beginsel ook voor die gehele beroepsgroep gevolgen met zich meebrengt. De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding in civiele procedures niet onredelijk laat na het gestelde onrechtmatig handelen mag worden uitgebracht. Dit betekent dat [appellant] binnen twee jaar na de uitspraak van het EVRM inzake Van den Hurk de Staat had moeten dagvaarden. Aangezien hij dat niet gedaan heeft moet [appellant] in zijn vordering niet ontvankelijk worden verklaard. Voorts is de rechtbank, ten overvloede, van oordeel dat de vordering van [appellant] is verjaard, omdat de verjaring ingevolge de Wet van 31 oktober 1924 (Stb. 482) op 1 januari 1991 is gaan lopen en deze niet tijdig is gestuit.
3.1 Grief 1 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] in zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij niet binnen redelijke termijn na de uitspraak inzake Van den Hurk tot dagvaarding is overgegaan. De grief is terecht voorgedragen. Er is geen rechtsregel die een eiser als [appellant] noodzaakt om zijn vordering, op straffe van verval daarvan, in te stellen binnen een buitenwettelijke termijn die korter is dan de wettelijke verjaringstermijn.
3.2 De rechtbank heeft echter ook (ten overvloede) overwogen dat de vordering van [appellant] verjaard is. Aangezien deze overweging het oordeel van de rechtbank dat de vordering moet worden afgewezen zelfstandig kan dragen, zal het hof thans de tegen dat oordeel aangevoerde grief II bespreken. De grief slaagt niet. Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2002, NJ 2003, 268 volgt dat in een zaak als deze [appellant] in ieder geval vanaf de uitspraak van het CBb van 28 februari 1990 bekend was met de schade en de persoon die hij daarvoor aansprakelijk hield. Dit betekent dat de verjaringstermijn, waarop ingevolge art 68a en 73 Ow art. 3:310 BW Pro van toepassing is, in beginsel verstreek op 28 februari 1995, nu [appellant] deze niet voordien heeft gestuit. Voor zover [appellant] wil aanvoeren dat, in verband met de uitspraak van het EVRM inzake Van den Hurk, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Staat een beroep op verjaring doet, faalt ook dat betoog, aangezien [appellant] niet binnen een redelijke termijn na het bekend worden van die uitspraak tot aansprakelijkstelling van de Staat is overgegaan. [appellant] heeft de Staat immers eerst bij brief van 21 oktober 1997 aansprakelijk gesteld. De vorderingen van [appellant] zijn dan ook verjaard.
3.3 In grief 3 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij geen belang heeft bij zijn vordering van een verklaring voor recht. De grief faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] bij dat onderdeel van zijn vordering geen belang heeft. Zijn vordering is immers verjaard. Onjuist is dat de uitspraak van het hof in de plaats zou treden van de door het CBb gewezen uitspraak en dat, wanneer de gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen, de minister gehouden zal zijn een nieuw besluit te nemen op het door [appellant] ingediende bezwaarschrift.
3.4 Grief 4 mist zelfstandige betekenis en behoeft dan ook geen afzonderlijke bespreking.
3.5 De vordering tot nakoming die [appellant] voor het eerst in appel heeft ingesteld stuit af op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest in de zaak Jaspers/Staat (HR 11 november 2005, NJ 2006, 256). De vordering sub 2 dient derhalve te worden afgewezen.
4.1 Het voorgaande leidt tot de volgende slotsom. Grief 1 slaagt, maar kan wegens ongegrondbevinding van grief II en grief 3 niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. Hierop stuit ook grief 4 af. De in hoger beroep vermeerderde eis zal worden afgewezen.
4.2 [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.
Beslissing
Het hof:
- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
- wijst de in hoger beroep ingestelde vorderingen af;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot heden aan de zijde van de Staat begroot op € 230,-- voor verschotten en € 894,-- voor salaris van de advocaat , en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, A.V. van den Berg en G. Dulek-Schermers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 februari 2009, in aanwezigheid van de griffier.