Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
€ 615
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, kapitein op een motortankschip geregistreerd in Nederland, betwistte de premieheffing volksverzekeringen over 2006. Hij stelde verzekerd te zijn in Luxemburg op grond van een E-101 verklaring afgegeven door Luxemburgse autoriteiten. De Inspecteur handhaafde de aanslag en heffingsrente. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, hetgeen belanghebbende in hoger beroep aanvocht.
Het hof oordeelde dat het Rijnvarendenverdrag van toepassing is en niet de EEG Verordening 1408/71. Het hof stelde vast dat het schip behoort tot de Nederlandse onderneming [G], niet tot de Luxemburgse [H], en dat belanghebbende daarom in Nederland verzekerd is. De E-101 verklaring is geen bindend R-formulier in de zin van het Rijnvarendenverdrag en heeft geen rechtsgevolg voor Nederland. Ook het beginsel van loyale samenwerking en het vertrouwensbeginsel binden de Inspecteur niet aan deze verklaring.
Het hof verwierp het beroep van belanghebbende en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De heffing van premie volksverzekeringen door Nederland is niet onrechtmatig, ook al is de Luxemburgse verklaring afgegeven. Belanghebbende kan zijn geschil met Luxemburg via de daarin voorziene procedures oplossen. Het griffierecht wordt niet vergoed en proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hof bevestigt de heffing van premie volksverzekeringen door Nederland en wijst het beroep van belanghebbende af.