Belanghebbende, met de Nederlandse nationaliteit, was eigenaar van een woning in Nederland en had diverse Nederlandse banden, maar verbleef meer dagen in Roemenië en was gehuwd met een Roemeense vrouw met vaste verblijfplaats daar. Het geschil betrof de vraag welk land het heffingsrecht heeft over zijn inkomsten voor de jaren 2011-2015.
Het hof stelde vast dat belanghebbende volgens zowel Nederlands als Roemeens recht inwoner is, waardoor sprake is van dubbel inwonerschap. Volgens het belastingverdrag tussen Nederland en Roemenië moet dan worden gekeken waar de persoonlijke en economische banden het sterkst zijn. Het hof vond dat dit Roemenië is, vanwege het huwelijk en het overwegend verblijf daar.
Hierdoor mag Nederland alleen belasting heffen over de in Nederland gelegen woning (box 3), terwijl Roemenië het heffingsrecht heeft over de overige inkomsten, waaronder het salaris van belanghebbende uit zijn werk aan boord van een schip onder Nederlandse vlag. Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van de inspecteur, en matigde de aanslagen dienovereenkomstig.
Daarnaast oordeelde het hof dat het hoger beroep tijdig was ingediend en dat de door belanghebbende overgelegde aanvullende stukken, ondanks een lichte overschrijding van de termijn, mochten worden meegewogen. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en een tegemoetkoming in proceskosten.