Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij H-formulier van 15 mei 2019 van de zijde van [appellant] toegezonden productie, die bij het pleidooi bij akte in het geding is gebracht.
6.De beoordeling
- in de notulen van 3 april 2007 is vermeld dat [appellant] de projecten [project 1] en [project 2] zal begeleiden waarvoor een overeenkomst voor de duur van een jaar gemaakt zal worden op grond waarvan [appellant] een vergoeding zal ontvangen van € 70,00 per uur, exclusief btw, voor maximaal 20 uur per week;
- in de notulen van 1 mei 2007 en 28 juni 2007 staat vermeld dat [appellant] als adviseur en ondersteuner van de woningstichting zal gaan werken op basis van een overeenkomst van maximaal 20 uur per week tegen een contractueel overeengekomen vergoeding van € 70,00 per uur, exclusief btw;
- in de notulen van 1 juli 2008 is vermeld dat [appellant] vanaf 1 juli 2008 op regiebasis zal worden ingezet.
Bruil-arrest. Dit belang liep niet parallel aan het belang van de Stichting. De vader had immers belang bij een zo hoog mogelijke vergoeding, en de Stichting had belang bij een zo laag mogelijke vergoeding. [de zoon van appellant] . had zich daarom niet in staat mogen achten het belang van de Stichting en de daaraan verbonden onderneming met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen en had zich van de desbetreffende rechtshandeling moeten onthouden. Volgens artikel 10 lid 2 van Pro de statuten diende de stichting bij een tegenstrijdig belang van de directeur immers vertegenwoordigd te worden door de voorzitter en een of meer leden van de RvT. De wijze waarop betrokkenen – [appellant] , [de zoon van appellant] . en de RvT – eerdere tariefafspraken met [appellant] tot stand brachten, namelijk met goedkeuring van de RvT, is ook in lijn met deze uitleg van artikel 10 lid 2 van Pro de statuten.
€ 11.757,-
7.De uitspraak
- over de beslagkosten vanaf 17 december 2013, tot de dag van voldoening,
- over de overige posten, met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten, vanaf de data zoals vermeld in de relevante passages van de inleidende dagvaarding tot aan de dag van voldoening;