Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 1 april 2015
- de conclusie van repliek van ZOWonen van 1 juli 2015
- het bericht van mr. Pfeil op de rol van 4 november 2015 dat hij zich als advocaat van [gedaagde sub 1] onttrekt
- de conclusie van dupliek van [gedaagde sub 2] van 4 november 2015
- de brief van mr. Wagemans van 18 november 2015 waarin hij zich stelt voor [gedaagde sub 1] en Wonen Plus
- de conclusie van dupliek van [gedaagde sub 1] en Wonen Plus van 18 november 2015
- de brief van 3 december 2015 waarbij de rechtbank partijen bericht dat de behandeling van het pleidooi zal worden gehouden op 24 maart 2016
- het bericht van mr. Wagemans van 18 februari 2016 dat hij zich als advocaat van [gedaagde sub 1] heeft onttrokken
- het bericht van 3 maart 2016 van mr. Pfeil dat het weliswaar de bedoeling is dat hij de behandeling van de zaak overneemt, maar dat dit nog afhankelijk is van de vraag of het beslag op de rechtsbijstandsverzekering van [gedaagde sub 1] gehandhaafd blijft
- het B-formulier van 18 maart 2016 waarin mr. Pfeil zich stelt voor [gedaagde sub 1] en het begeleidend schrijven van gelijke datum waarin hij aangeeft dat het beslag op de rechtsbijstandsverzekering van [gedaagde sub 1] is opgeheven
- de brief van 1 april 2016 waarin de rechtbank partijen bericht dat de nieuwe datum van het pleidooi is bepaald op 13 juni 2016
- de per fax verzonden brief van 7 juni 2016 van mr. Caris waarin hij verzoekt om de op dezelfde dag van mr. Pfeil (en aldus buiten de termijn van artikel 2.9 van het Landelijk Procesreglement) ontvangen productie 24 buiten beschouwing te laten
- het bericht van 8 juni 2016 waarbij mr. Wagemans zich onttrekt als advocaat van [gedaagde sub 2]
- de brief van 9 juni 2016 waarin de rechtbank partijen bericht dat de beslissing over het door mr. Caris in zijn brief van 7 juni 2016 geuite bezwaar tijdens het pleidooi zal worden genomen
- het pleidooi gehouden op 13 juni 2016
- het B-formulier van 22 juni 2016 waarin mr. Penn zich als advocaat van [gedaagde sub 2] stelt
- het bericht van mr. Penn op de rol van 9 november 2016 dat hij zich als advocaat van [gedaagde sub 2] onttrekt.
2.De verdere beoordeling
), kan het recht op vergoeding niet worden ontleend. Evenmin is gebleken van een besluit van de RvT op basis waarvan wel een recht op reiskostenvergoeding bestaat. Aldus bestond er dus geen rechtsgrond voor de betalingen. Dit betekent dat de vordering voor het overige op grond van onverschuldigde betaling in beginsel voor toewijzing gereed ligt.
€ 5.852,45 aan onderhoudskosten ten behoeve van zijn privéauto niet door [gedaagde sub 1] wordt betwist. Volgens [gedaagde sub 1] was echter met [naam voorzitter RvT 2] afgesproken dat hij deze onderhoudskosten bij ZOWonen mocht declareren ter compensatie van de hierboven onder r.o. 2.96 weergegeven vervroegde aflossing en is hij daarom niets verschuldigd aan ZOWonen. [gedaagde sub 1] draagt de stelplicht en bewijslast van deze door hem gestelde afspraak, nu het een bevrijdend verweer betreft.
voorafmoet kunnen uitlaten over de redelijkheid van de kosten, bijvoorbeeld in relatie tot de (prijscategorie van de) gekozen locatie en de frequentie waarmee de etentjes plaatsvonden alsmede of de betreffende genodigde als (relevante) relatie is aan te merken. In dit verband is ook nog van belang dat het een relatief kleine woningcorporatie betreft met als doelstelling het leveren van woonruimte aan degenen die daar niet in voldoende mate zelf in kunnen voorzien. Dit alles heeft de voorzitter van de RvT van ZOWonen door de handelwijze van [gedaagde sub 1] niet bij zijn afweging kunnen betrekken voordat tot vergoeding van de gedeclareerde kosten werd overgegaan. De primaire grondslag (ongerechtvaardigde verrijking) kan naar het oordeel van de rechtbank niet als grondslag dienen, nu bij de diners en lunches (doorgaans) meerdere personen aanwezig waren en dus niet kan worden gezegd dat [gedaagde sub 1] daarvan als enige (één op één) profijt heeft gehad. De betaling van de facturen ter zake van de diners en lunches heeft echter, gelet op het voorgaande, in strijd met hetgeen in de arbeidsovereenkomst is vastgelegd, plaatsgevonden (en hem treft als zodanig een ernstig verwijt, zie r.o. 2.43). [gedaagde sub 1] heeft aldus onrechtmatig jegens ZOWonen gehandeld en is gehouden de schade die daaruit voortvloeit aan ZOWonen te vergoeden. Dat de facturen – achteraf bezien – , vanwege het zakelijke karakter van de facturen, desondanks door de voorzitter van de RvT zouden zijn geaccordeerd, is onvoldoende door [gedaagde sub 1] onderbouwd. De factuur van 7 november 2006 (factuur voor Sterrenkoken voor vier personen) dateert inderdaad van voor het bestuurderschap van [gedaagde sub 1] Dat leidt echter niet tot afwijzing van het daarmee corresponderende deel van de vordering. Voor onrechtmatige daad is immers niet vereist dat [gedaagde sub 1] destijds bestuurder was, zodat het verweer van [gedaagde sub 1] op dat punt geen doel treft, temeer nu [gedaagde sub 1] op basis van zijn arbeidsovereenkomst als assistent-directeur destijds al helemaal niet over de mogelijkheid beschikte om kosten van diners en dergelijke te declareren, in ieder geval niet zonder toestemming van een leidinggevende. Dat hiervan sprake is, heeft [gedaagde sub 1] niet aangevoerd en blijkt in ieder geval niet uit de factuur, die door [gedaagde sub 1] zelf is afgetekend en voorzien van een boekingscode. [gedaagde sub 1] heeft voor het overige de hoogte van de vordering niet concreet betwist. De gevorderde betaling door [gedaagde sub 1] van het totaalbedrag aan facturen/declaraties (ten behoeve van diners en lunches) ad € 63.042,82 zal, gelet op het voorgaande worden toegewezen. De meer algemene verweren van [gedaagde sub 1] zoals verjaring en rechtsverwerking, treffen, onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank reeds eerder daaromtrent heeft overwogen (zie r.o. 2.7 e.v. en 2.15), geen doel.
in deze situatievoor gehouden worden dat het moment van wetenschap van ZOWonen samenvalt met de (door)betaling van de facturen na zijn aftreden als bestuurder (juni 2007). Aldus is de vordering voor zover deze ziet op de periode van juni 2007 tot januari 2008 verjaard, omdat dit meer dan vijf jaar voor de aansprakelijkheidsstelling bij brief van 31 januari 2013 is gelegen. Volgens [gedaagde sub 2] bedraagt de vordering over die periode € 447,-, wat door ZOWonen niet is weersproken. Ter beoordeling resteert aldus nog een bedrag van € 3.301,31 (€ 3.748,31 verminderd met € 447,-).
zullendan (binnen redelijke grenzen) voor vergoeding in aanmerking komen, zo valt in dat artikel te lezen. Hetgeen ZOWonen bij repliek heeft gesteld over het tegenstrijdig belang doet er niet aan af dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst als uitgangspunt dient te gelden en dat de kosten van de studiereis (dwingend) zullen worden vergoed indien aan de in het betreffende artikel gestelde voorwaarden is voldaan.
.De rechtbank verwerpt het beroep op artikel 6:89 BW Pro onder verwijzing naar hetgeen zij daaromtrent eerder onder r.o. 2.99 heeft overwogen. De klacht van ZOWonen ziet immers niet op de deugdelijkheid van een prestatie. De rechtbank overweegt met betrekking tot deze facturen verder als volgt. Nu [gedaagde sub 1] (via Wonen Plus) aandeelhouder is in Domez, is ingeval van het verstrekken van een opdracht door hem in zijn hoedanigheid van directeur van ZOWonen aan zijn vennootschap onmiskenbaar sprake van een tegenstrijdig belang in de zin van artikel 10 lid 2 van Pro de destijds geldende statuten. Gesteld noch gebleken is dat de plaatsing op de website van de woningen in opdracht van het daartoe bevoegde orgaan van ZOWonen, te weten de RvT, heeft plaatsgevonden. Aldus is geen sprake van een rechtsgeldige opdracht gegeven door ZOWonen. De wetenschap van [gedaagde sub 1] kan worden toegerekend aan Domez. De in het kader van die opdracht aan ZOWonen in rekening gebrachte kosten zijn derhalve zonder geldige grondslag betaald, waardoor ZOWonen is verarmd met een bedrag van € 20.230,- en Domez is verrijkt. De rechtbank zal Domez daarom wegens ongerechtvaardigde verrijking veroordelen tot betaling van het totaalbedrag van € 20.230,- aan ZOWonen. Nu reeds toewijzing op grond van de primaire grondslag plaatsvindt, wordt aan de overige grondslagen niet toegekomen.
1 mei 2010 een exploitatieopzet gemaakt en op 30 juni 2010 de bouwvergunning aangevraagd. In juli 2010 heeft [gedaagde sub 1] de [adres] aan OMM verkocht en geleverd voor € 256.500,-, die het op haar beurt in januari 2011 weer heeft verkocht en geleverd aan ZOWonen voor € 297.380,-. [gedaagde sub 1] heeft volgens ZOWonen misbruik gemaakt van zijn positie als bestuurder door een pand dat hij in privé eigendom had door middel van deze constructie met aanzienlijke winst te verkopen aan ZOWonen. OMM is er volgens ZOWonen uitsluitend “tussen geschoven” om een (directe) transactie tussen de bestuurder van ZOWonen in privé en ZOWonen te voorkomen en [gedaagde sub 1] heeft bewust getracht zijn persoonlijke betrokkenheid geheim te houden. Het normale traject van vraag en aanbod op de vrije markt heeft niet plaats kunnen vinden, nu [gedaagde sub 1] feitelijk koper en (middellijk) verkoper is geweest bij dezelfde transactie. [gedaagde sub 1] heeft door deze handelwijze aanzienlijke winst gemaakt bij de verkoop van het pand. [gedaagde sub 1] heeft onrechtmatig gehandeld door zonder medeweten en goedkeuring van de RvT in strijd met de arbeidsovereenkomst en de statuten ZOWonen € 297.380,- te laten betalen voor het pand. De RvT van ZOWonen was weliswaar bekend met de aankoop van het pand, maar niet met de persoonlijke betrokkenheid van [gedaagde sub 1] daarbij. ZOWonen heeft aanzienlijke schade geleden door deze handelwijze en [gedaagde sub 1] is gehouden deze te vergoeden.
- in de notulen van 6 maart 2007 is opgenomen dat met [gedaagde sub 2] in de toekomst per project een afspraak zal worden gemaakt inzake de duur en de kosten;
- in de notulen van 3 april 2007 is vermeld dat [gedaagde sub 2] de projecten Molenbron en Hoogveld zal begeleiden waarvoor een overeenkomst voor de duur van een jaar gemaakt zal worden op grond waarvan [gedaagde sub 2] een vergoeding zal ontvangen van € 70,00 per uur, exclusief btw voor maximaal 20 uur per week;
- in de notulen van 1 mei 2007 en 28 juni 2007 staat vermeld dat [gedaagde sub 2] als adviseur en ondersteuner van de woningstichting zal gaan werken op basis van een overeenkomst van maximaal 20 uur per week tegen een contractueel overeengekomen vergoeding van € 70,00 per uur exclusief btw;
- in de notulen van 1 juli 2008 is vermeld dat [gedaagde sub 2] vanaf 1 juli 2008 op regiebasis zal worden ingezet.
2007:vier facturen met als datum 8 oktober 2007, die op 19 oktober 2007 zijn ingediend bij ZOWonen, en een factuur met als datum 29 november 2007. De facturen hebben blijkens de omschrijving betrekking op advies- en managementwerkzaamheden voor woningstichting Limbricht gedurende respectievelijk de maanden juni, juli, augustus, september en oktober 2007. Er is steeds een uurtarief van € 70,- gehanteerd. Urenspecificaties ter onderbouwing van de in rekening gebrachte uren (in totaal 303) ontbreken. Ook is niet vermeld in het kader van welk project werkzaamheden verricht zijn. Deze vijf facturen tezamen komen neer op een bedrag van € 25.239,90 inclusief btw.
2008: een factuur van 18 november 2008 die blijkens de omschrijving betrekking heeft op werkzaamheden voor project Hoogeveld gedurende de periode 1 juni 2007 tot en met 31 december 2008. De factuur bedraagt € 141.595,06 inclusief btw en is berekend op basis van 3,5% x € 4.005.641,71. De betaling van ZOWonen vanwege de vijf facturen uit 2007 is bij de berekening van voormeld bedrag in mindering gebracht.
2009 en 2010: vijf facturen van respectievelijk 1 juni 2009, 8 oktober 2009, 2 februari 2010, 6 april 2010 en 2 november 2010. Bij de factuur van 1 juni 2009 is een uurtarief van € 70,- gehanteerd en bij de andere facturen een uurtarief van € 78,-. Urenspecificaties ontbreken. De facturen vermelden niet in het kader van welk project de uren in rekening gebracht worden. Als omschrijving is uitsluitend vermeld “voor het verrichten van advieswerkzaamheden en bouwbegeleiding”. Deze facturen tezamen komen neer op een bedrag van € 58.846,02 inclusief btw. Het bedrag van de factuur van 2 november 2010 (€ 4.110,78) komt precies overeen met het bedrag dat [gedaagde sub 2] door ZOWonen heeft laten betalen ten behoeve van diverse privéfacturen uit 2010 van hemzelf.
Zij stelt dat met [gedaagde sub 2] is afgesproken dat hij na zijn pensionering per 1 juni 2007 nog maximaal 20 uur per week voor haar zou blijven werken tegen een vergoeding van € 70,- per uur. De offerte van 2 februari 2007 en de opdrachtbevestigingen van februari 2007 zijn volgens ZOWonen door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gezamenlijk achteraf opgesteld en geantedateerd om ZOWonen te benadelen. Met betrekking tot de vijf facturen uit 2007 betwist ZOWonen de omvang van het aantal gedeclareerde uren. Van meer werkzaamheden door [gedaagde sub 2] dan het (eenmalig) bijwonen van een bouwteamoverleg is volgens ZOWonen niet gebleken. Bij de factuur van 18 november 2008 is het gehanteerde tarief van 3,5% in strijd met de met de RvT gemaakte afspraken. ZOWonen betwist ook bij de facturen uit 2009 en 2010 de omvang van het aantal in rekening gebrachte uren en het uurtarief van € 78,-. Tot slot stelt ZOWonen dat [gedaagde sub 2] op 23 november 2011 een bedrag declareert voor begeleiding van het project Agnetenberg terwijl gebleken is dat hij geen werkzaamheden voor dit project verricht heeft. In verband met dit project is ten onrechte een bedrag van € 4.421,- betaald aan [gedaagde sub 1] (in plaats van aan [gedaagde sub 2] ).
- € 33.894,38 in verband met het salaris van 2007
- € 10.059,00 in verband met het salaris van 2008
- € 3.016,00 in verband met het salaris van 2009
- € 5.710,00 in verband met het salaris van 2010
- € 8.879,00 in verband met het salaris van 2011
- € 11.957,56 in verband met het salaris van 2012
- € 2.828,61 in verband met het salaris van 2013
- € 62.938,69 in verband met de reiskostenvergoeding en kilometerdeclaraties
- € 5.852,45 in verband met de onderhoudskosten van de privéauto
- € 45.230,50 in verband met de kasopnames
- € 51.106,37 in verband met privéfacturen
- € 63.042,82 in verband met diners en lunches
- € 1.622,69 in verband met telefoonkosten in Afrika
- € 2.071,14 in verband met telefoonkosten gemaakt na schorsing
- € 9.249,03 in verband met de Limburgse Vastgoed Sociëteit
- € 17.406,60 in verband met wijn
- € 1.124,38 in verband met de door ZOWonen misgelopen rente
- € 4.421,00 in verband met [naam bedrijf]
- € 192.442,84 aan onderzoekskosten
- € 424,28 aan beslagkosten.
- € 6.650,23 in verband met het salaris van [gedaagde sub 1] van 2005
- € 225.680,98 in verband met [naam bedrijf]
- € 229,74 aan beslagkosten.
€ 16.055,00(5 x tarief € 3.211,-)
3.De beslissing
- over de misgelopen rente, de onderzoekskosten en de beslagkosten vanaf 17 december 2013 tot de dag van voldoening,
- over de overige posten, vanaf het moment zoals vermeld in de relevante passages van de dagvaarding tot aan de dag van voldoening,
- over de beslagkosten vanaf 17 december 2013, tot de dag van voldoening,
- over de overige posten, vanaf de data zoals vermeld in de relevante passages van de dagvaarding tot aan de dag van voldoening,