Belanghebbende, een coöperatie die zorgprestaties levert in het kader van de Wmo, ontving in 2017 een lumpsumvergoeding van de gemeente voor maatschappelijke ondersteuning. Zij wilde een winstuitstelpost van € 310.215 vormen voor deze vergoeding, stellende dat deze ook toekomstige prestaties en kosten betrof.
De Rechtbank wees dit af, omdat de vergoeding per jaar was overeengekomen en niet was bedoeld als vooruitbetaling voor toekomstige jaren. Ook een juridische verplichting tot terugbetaling of specifieke besteding van overschotten werd niet aannemelijk geacht.
In hoger beroep bevestigde het Hof dit oordeel. De lumpsumvergoeding voor 2017 was gebaseerd op historisch gebruik en bestemd voor dat jaar alleen. De mogelijkheid tot overleg over overschotten en shared investments impliceerde geen verplichting tot winstuitstel. Ook de stelling dat toekomstige kosten al in 2017 gefinancierd werden, werd verworpen wegens gebrek aan concrete onderbouwing.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.