Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1006

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
20-003060-21
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep witwassen, valsheid in geschrift en onjuiste belastingaangiften met feitelijke leiding

In hoger beroep is de verdachte veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van witwassen, valsheid in geschrift en het doen van onjuiste en/of onvolledige aangiften vennootschapsbelasting. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak verdachte vrij van het onder feit 4 tenlastegelegde wegens gebrek aan bewijs.

Het onderzoek richtte zich op complexe financiële constructies waarbij vennootschappen in Nederland en het buitenland betrokken waren, met name offshore entiteiten en trustconstructies. De verdachte en medeverdachte hadden een verweven economisch en persoonlijk leven, waarbij winst werd verschoven naar buitenlandse entiteiten om belasting te ontduiken. De verdachte gaf feitelijke leiding aan deze praktijken.

De verdediging voerde onder meer aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens vormverzuimen, dat er geen sprake was van een criminele herkomst van gelden, en dat valsheid in geschrift niet bewezen was. Het hof verwierp deze verweren na uitgebreide motivering, onder meer over het zes-stappenplan en de fiscale fraude als gronddelict voor witwassen.

De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn hoge leeftijd en beginnende dementie, en de overschrijding van de redelijke termijn. De gevangenisstraf van 12 maanden werd geheel voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van twee jaar.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf voor feitelijk leidinggeven aan witwassen, valsheid in geschrift en onjuiste belastingaangiften.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003060-21
Uitspraak : 16 april 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 23 december 2021 in de strafzaak met parketnummer 01/997519-16 tegen:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1936,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
doch wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:
  • het medeplegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd (feit 1, primair),
  • witwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven (feit 2, primair),
  • valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd (feit 3, primair),
  • valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd (feit 4, primair) en
  • het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd (feit 5, primair),
veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 8 oktober 2024, 6 november 2025, 11 november 2025, 20 november 2025, 15 januari 2026, 5 maart 2026 en 16 april 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaten-generaal (hierna gezamenlijk: de advocaat-generaal) hebben gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 720 dagen, waarvan 611 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft primair aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging dient te worden verklaard ten aanzien van het onder feit 1 tot en met feit 5 tenlastegelegde. Subsidiair is bewijsuitsluiting en integrale vrijspraak van het onder feit 1 tot en met feit 5 tenlastegelegde bepleit. Meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging
De verdediging heeft ten aanzien van het onder feit 1 tot en met feit 5 tenlastegelegde primair betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging van de verdachte. Subsidiair is betoogd dat het onrechtmatig handelen van het Openbaar Ministerie moet leiden tot bewijsuitsluiting. Meer subsidiair is verzocht om vanwege de hieronder genoemde onrechtmatigheden strafvermindering toe te passen.
Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd.
A. De start van het strafrechtelijk onderzoek is onrechtmatig geweest, omdat het proces-verbaal van aanvang onderzoek d.d. 17 december 2015, proces-verbaalnummer: 26 (hierna: PV26) onvoldoende grond biedt om de verdachte aan te merken als verdachte in de zin van artikel 27 Wetboek Pro van Strafvordering (hierna: Sv). Dit betekent dat het Openbaar Ministerie op oneigenlijke gronden een veelvoud aan vervolgingsmaatregelen, opsporingsmiddelen en dwangmiddelen heeft ingezet, waaronder de heimelijke doorzoeking in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] (hierna: [verdachte rechtspersoon 1] ) op 19 maart 2017. Naast het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld, was deze heimelijke doorzoeking tevens onrechtmatig omdat: (a) [verdachte rechtspersoon 1] ten tijde van de heimelijke doorzoeking (nog) niet als verdachte was aangemerkt, (b) het bevel ex artikel 126k Sv op basis waarvan de heimelijke doorzoeking heeft plaatsgevonden niet de bevoegdheid geeft om in een besloten plaats stukken te kopiëren en te scannen, (c) het beginsel van zuiverheid van oogmerk is geschonden doordat de bevoegdheid met een ander doel is gebruikt dan waarvoor zij was verleend en (d) artikel 8 EVRM Pro (het recht op privacy) is geschonden doordat geen voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder feit 1 tot en met feit 5 tenlastegelegde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte, dan wel dat de op basis van de bij de heimelijke doorzoeking verzamelde informatie opgemaakte processen-verbaal van verdenking witwassen [verdachte rechtspersoon 1] , [verdachte rechtspersoon 2] , [verdachte rechtspersoon 3] , [verdachte rechtspersoon 4] d.d. 16 mei 2017, proces-verbaalnummer 1023 (hierna: PV1023) en van verdenking fiscale fraude en valsheid in geschrift door [verdachte rechtspersoon 1] d.d. 13 juni 2017, proces-verbaalnummer: 1033 (hierna: PV1033) van het bewijs moeten worden uitgesloten.
Het Anti Money Laundering Centre (hierna: AMLC ), een samenwerkingsverband zonder zelfstandige opsporingsbevoegdheid, heeft voorafgaand aan PV26 onrechtmatig de grens naar opsporing overschreden door stelselmatig gegevens te verzamelen, observaties te doen en informatie te raadplegen uit niet-openbare bronnen. Dit is strijdig met artikel 27 Sv Pro en artikel 8 van Pro het Europees verdrag voor de rechten van de mens (hierna: EVRM).
De “Case Synopsis” (D82, pg. 30026) die zogenaamd spontaan uit [plaats 1] is ontvangen is buiten elke wettelijke procedure verkregen en had niet als bewijs of startindicatie in de onderhavige strafzaak mogen worden gebruikt. De verdediging is niet in staat de herkomst en rechtmatigheid van dit document te toetsen, omdat het ongedateerd, ongetekend en zonder enige authenticatie is. De informatie is via een oncontroleerbare omweg in het strafdossier gebracht.
Gelet op het [naam] -arrest van het EHRM heeft het hof door het afwijzen van de getuigenverzoeken van de verdediging het recht op een eerlijk proces (het beginsel van equality of arms) geschonden.
Vooraf
Algemeen kader
Bij de beoordeling van de namens de verdachte gevoerde ontvankelijkheidsverweren stelt het hof het volgende voorop. Ingevolge artikel 359a, lid 1, Sv kan de rechter, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat de hoogte van de straf zal worden verlaagd, de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen niet mogen bijdragen aan het bewijs van de tenlastegelegde feiten of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging.
De Hoge Raad heeft in onder meer zijn arresten van 30 maart 2004 [1] en 19 februari 2013 [2] uiteengezet wanneer sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en aan welke (wettelijke) voorwaarden moet worden voldaan voordat toepassing kan worden gegeven aan één van de in artikel 359a, lid 1, Sv genoemde rechtsgevolgen. In zijn overzichtsarrest van 1 december 2020 [3] overwoog de Hoge Raad onder meer als volgt.
In het strafproces staat centraal dat de rechter, met inachtneming van de regels van een eerlijk proces, zoveel mogelijk een inhoudelijk oordeel velt over de beschuldiging die jegens de verdachte wordt geuit en zo recht spreekt in de concrete zaak. Op de strafrechter rust niet de taak en verantwoordelijkheid de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken. De strafrechter is daartoe ook niet in staat. Toepassing van artikel 359a Sv kan ertoe strekken dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro wordt gewaarborgd. Daarnaast berust de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden, en zo ja de wijze waarop dat gebeurt, in de kern op een afweging van belangen. Daarbij gaat het om de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen – waaronder de belangen van waarheidsvinding en van de bestraffing van de daders van strafbare feiten – en de belangen die verband houden met de handhaving van grondrechten en de bevordering van een normconform verloop van het voorbereidend onderzoek. Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek, en biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg. [4]
Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004 de volgende maatstaf geformuleerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie:
“Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.” [5]
De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro, niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens –
‘the proceedings as a whole were not fair’. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelde de Hoge Raad in 2020 de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. [6]
Bewijsuitsluiting
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2013 [7] drie categorieën van gevallen onderscheiden waarin bewijsuitsluiting als rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim. In zijn arrest van 1 december 2020 heeft de Hoge Raad dit teruggebracht tot twee categorieën, te weten:
  • i) gevallen waarin het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM Pro te voorkomen en
  • ii) gevallen waarin sprake is van een vormverzuim waarbij het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel.
In het tweede geval geldt als belangrijk uitgangspunt dat de omstandigheid dat de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met een vormverzuim dat betrekking heeft op een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan het recht op een eerlijk proces, niet eraan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. Is echter sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Of daartoe grond bestaat, beoordeelt de rechter aan de hand van de in artikel 359a, lid 2, Sv genoemde beoordelingsfactoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, en met inachtneming van het uitgangspunt van subsidiariteit. In het bijzonder dient de rechter te beoordelen of het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet met strafvermindering kan worden volstaan, maar bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is. Daarbij moet acht worden geslagen op de negatieve effecten die aan bewijsuitsluiting zijn verbonden, gelet op de zwaarwegende belangen van waarheidsvinding, van de vervolging en berechting van (mogelijk zeer ernstige) strafbare feiten, en in voorkomend geval van de rechten van slachtoffers. Voor het bepalen van de ernst van het vormverzuim kan mede betekenis toekomen aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan. [9]
Naast de gevallen als voornoemd kan bewijsuitsluiting tevens aan de orde komen indien zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van onderzoeksresultaten wezenlijk hebben aangetast. In dat geval berust bewijsuitsluiting niet op de toepassing van artikel 359a Sv, maar vloeit die uitsluiting rechtstreeks voort uit de regel dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar vindt. [10]
Strafvermindering als strafprocessuele sanctie
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004 met betrekking tot strafvermindering als aan een vormverzuim te verbinden rechtsgevolg onder meer het volgende overwogen:
“Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt (...) slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.” [11]
Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het moet dus gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Dat volgt ook uit het uitgangspunt dat de rechter niet de taak en verantwoordelijkheid heeft de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken en dat hij de bevoegdheid, maar niet de plicht heeft om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek. [12]
Door het verbinden van strafvermindering als rechtsgevolg aan een vormverzuim, brengt de rechter tot uitdrukking dat het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet kan worden volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. In de toepassing van strafvermindering ligt dan ook een krachtiger, in de mate van strafvermindering tot uitdrukking te brengen afkeuring van het vormverzuim besloten dan in die enkele constatering. [13]
Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg, dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen die een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dat kan zich bijvoorbeeld ook voordoen als door de onrechtmatige toepassing van dwangmiddelen bewijs is vergaard. Verder is toepassing van strafvermindering niet uitgesloten in gevallen waarin, als gevolg van een of meerdere vormverzuimen, in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, maar waarbij die vormverzuimen vervolgens in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen. [14]
Gelet op het uitgangspunt van subsidiariteit is het aangewezen dat indien grond bestaat voor het verbinden van een rechtsgevolg aan het vormverzuim en het door het vormverzuim veroorzaakte nadeel zich laat compenseren door strafvermindering, daarmee wordt volstaan. De toepassing van strafvermindering heeft immers in het licht van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen aanmerkelijk minder verstrekkende of willekeurige consequenties dan niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging of – onder omstandigheden, afhankelijk van het resterende bewijsmateriaal en de redengevendheid daarvan voor een eventuele bewezenverklaring – de toepassing van bewijsuitsluiting. [15]
Aan een verweer te stellen eisen
Van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv wordt verlangd, dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de factoren genoemd in artikel 359a, lid 2, Sv – te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt – wordt aangegeven tot welk in artikel 359a, lid 1, Sv omschreven rechtsgevolg het vermeende vormverzuim dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven. [16]
Beoordeling van de feitelijke grondslag van verweren
Indien het verweer wordt gevoerd dat zich een vormverzuim heeft voorgedaan en dat dit moet leiden tot een van de in artikel 359a, lid 1, Sv genoemde rechtsgevolgen, moet de rechter beoordelen of de aan dat verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden. Bij dat onderzoek naar de feitelijke grondslag kan de rechter zich beperken tot die vaststellingen die in verband met de beslissing over het in het verweer genoemde rechtsgevolg noodzakelijk zijn. [17] De rechter kan echter een dergelijk verweer zonder onderzoek naar de feitelijke grondslag daarvan verwerpen indien hij tot het oordeel komt dat wat is aangevoerd – ware het juist – niet noopt tot één van de in artikel 359a, lid 1, Sv genoemde rechtsgevolgen, bijvoorbeeld omdat het aangevoerde hooguit kan leiden tot de enkele constatering van een vormverzuim. [18]
Beoordeling
Tegen de achtergrond van dit beoordelingskader oordeelt het hof als volgt.
A.1. Start strafrechtelijk onderzoek en PV26
Het hof stelt aan de hand van het dossier vast dat de aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek is gelegen in het feit dat de vennootschap [verdachte rechtspersoon 5] (hierna: [verdachte rechtspersoon 5] ) bij een onderzoek door het Regionale Informatie- en Expertisecentrum (hierna: RIEC) Midden Nederland naar de aankoop van een jachthaven in Loosdrecht in 2014 in beeld kwam als financier van deze aankoop.
Tijdens het onderzoek naar de aankoop van deze jachthaven is vastgesteld dat [verdachte rechtspersoon 5] voor kwam in een strafrechtelijk onderzoek van de politie Midden-Nederland waarin er sprake was van een financiering van een 4-tal recreatieparken voor een bedrag van € 4.500.000,- door [verdachte rechtspersoon 5] (
feit 2). Het vorenstaande is de aanleiding geweest om nader onderzoek te doen naar [verdachte rechtspersoon 5] en de verantwoordelijke personen binnen deze onderneming. Het doel van dit onderzoek was om na te gaan of [verdachte rechtspersoon 5] in Nederland en in het buitenland meer financieringen had uitstaan en of deze financieringen mogelijk met uit enig misdrijf verkregen gelden zouden zijn gefinancierd.
Uit dat onderzoek zijn onder meer de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen:
  • [verdachte] is vanaf de oprichting van [verdachte rechtspersoon 5] in 1997 als directeur en aandeelhouder betrokken;
  • Medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) is vanaf 2013 als aandeelhouder betrokken bij [verdachte rechtspersoon 5] ;
  • [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn betrokken bij een groot aantal buitenlandse rechtspersonen, met name offshore companies;
  • [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn beiden al jaren geleden uitgeschreven uit Nederland. Het is onbekend wat zij sinds dat moment hebben gedaan c.q. wat de herkomst van hun vermogen is;
  • [verdachte rechtspersoon 5] is niet terug te vinden (behoudens bij de Kamer van Koophandel in [plaats 2] ) in openbare bronnen als zijnde een investeerder en financier van onroerend goed;
  • Het bedrijf heeft geen website en maakt geen reclame voor haar activiteiten;
  • Het vestigingsadres van [verdachte rechtspersoon 5] is een Secretary (trustkantoor) in een bedrijfsverzamelgebouw in [plaats 2] ;
  • [verdachte rechtspersoon 5] is een offshore company uit [plaats 2] , waar de jaarstukken niet hoeven te worden gedeponeerd;
  • Er is geen duidelijkheid over waar de daadwerkelijke administratie gevoerd wordt van [verdachte rechtspersoon 5] en/of de andere aan [verdachte] en [medeverdachte 1] gelieerde buitenlandse ondernemingen;
  • Op een drietal facturen van [verdachte rechtspersoon 5] is een Nederlands mobiel telefoonnummer vermeld als contact; er is geen telefoonnummer van [verdachte rechtspersoon 5] in [plaats 2] vermeld;
  • Op deze facturen van [verdachte rechtspersoon 5] is als contact email adres vermeld: [e-mailadres] , dit bedrijf heeft zichtbaar geen enkele relatie met [verdachte rechtspersoon 5] . Kennelijk beschikt [verdachte rechtspersoon 5] niet over een eigen e-mailadres en/of internetdomein;
  • Op deze drie facturen van [verdachte rechtspersoon 5] is een postadres vermeld in [plaats 3] , Nederland. Dit adres in [plaats 3] is tevens het vestigingsadres van een drietal ondernemingen, die direct of indirect zijn gelieerd aan [verdachte] en [medeverdachte 1] ;
  • De financiële betrokkenheid van [verdachte rechtspersoon 5] in onroerend goed in Nederland en in het buitenland bedroeg in 2015 tenminste € 35.348.000,-;
  • De leningen worden verstrekt aan ondernemingen/personen die op een reguliere wijze (in Nederland geregistreerde financiers) geen dan wel zeer moeilijk financieringen kunnen verkrijgen omdat zij reeds in een niet rooskleurige financiële positie verkeren en/of in onderzoek zijn bij de justitiële autoriteiten;
  • De overeengekomen rentepercentages liggen tussen de 7% en 10%. Dit is opmerkelijk hoger dan het reguliere percentage dat Nederlandse financiële instellingen rekenen;
  • Een van de personen waaraan een lening wordt verstrekt is [betrokkene 1] . [betrokkene 1] zegt in een tapgesprek uit 2014 dat hij besprekingen over de financiering door [verdachte rechtspersoon 5] heeft gevoerd met [verdachte] en [medeverdachte 1] in [plaats 3] , dat er een fonds zou zijn van 180 miljoen dat beschikbaar is om risicovol uitgeleend te worden.
Het hof maakt hieruit op dat met betrekking tot [verdachte rechtspersoon 5] in ieder geval sprake is van de volgende – op grond van algemene ervaringsregels geldende – indicatoren voor witwassen (witwastypologieën):
  • Buitenlandse rechtspersonen worden vaker gebruikt voor het witwassen van criminele inkomsten, omdat het moeilijk is om de herkomst van het geld te achterhalen;
  • Een belangrijk instrument voor het verhullen van de uiteindelijk gerechtigde is het gebruik van trusts of offshore vennootschappen. Een offshore vennootschap kan snel worden opgericht en worden bestuurd door een lokaal trustkantoor, vaak vindt dit plaats in een belastingparadijs waar een strikt bankgeheim geldt en er geen verplichtingen zijn de jaarrekening te publiceren;
  • Het gebruik van stromannen, een familielid, partner of een buitenlandse rechtspersoon, vaak offshore, die het vastgoed als juridische eigenaar op hun naam zetten. De crimineel kan dan anoniem blijven;
  • De meest bekende witwasmethode bij financieringen is de loanback-constructie. Via een financieringsovereenkomst leent de crimineel zijn eigen criminele geld terug. Feitelijk bestaat deze uit niet meer dan een leningsovereenkomst tussen twee – ogenschijnlijk – onafhankelijke partijen. Als geldverstrekker wordt meestal een buitenlandse partij opgevoerd, bijvoorbeeld een buitenlandse rechtspersoon.
  • Het gebruik van rechtspersonen is belangrijk bij witwassen, 93% van de criminele samenwerkingsverbanden met witwasactiviteiten maakt gebruik van rechtspersonen.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat er met betrekking tot de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] en [verdachte rechtspersoon 5] , sprake was van voldoende concrete feiten en omstandigheden die een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten witwassen, rechtvaardigen. Het hof acht daarom de start van het strafrechtelijk onderzoek en PV26 ook niet onrechtmatig.
De verdenking jegens de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte rechtspersoon 5] is op een later moment uitgebreid met een verdenking van overtreding van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft). Dit is vastgelegd in het proces-verbaal van verdenking overtreding Wet op het financieel toezicht d.d. 6 juli 2016, proces-verbaalnummer: 406 (hierna: PV406). Later is deze verdenking ook jegens de verdachte [verdachte] ontstaan. Dit is vastgelegd in het proces-verbaal van verdenking overtreding Wet op het financieel toezicht d.d. 22 september 2017, proces-verbaalnummer: 1136 (hierna: PV1136). Naar aanleiding van de inzet van diverse (bijzondere) opsporingsmiddelen is een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten witwassen, jegens de verdachten [verdachte rechtspersoon 1] , [verdachte rechtspersoon 2] (hierna: [verdachte rechtspersoon 2] ), [verdachte rechtspersoon 3] (hierna: [verdachte rechtspersoon 3] ) en [verdachte rechtspersoon 4] (hierna: [verdachte rechtspersoon 4] ) ontstaan. Dit is geverbaliseerd in PV1023. Daarnaast is jegens de verdachte [verdachte rechtspersoon 1] tevens een verdenking van fiscale fraude en valsheid in geschrift ontstaan, zie PV1033. Ook ten aanzien van het voornoemde is van onrechtmatigheid geen sprake.
A.2. De heimelijke doorzoeking, PV1023 en PV1033
Het hof stelt bij de beoordeling van dit verweer voorop dat het van oordeel is dat er met betrekking tot de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [verdachte rechtspersoon 5] sprake was van voldoende concrete feiten en omstandigheden die een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten witwassen, rechtvaardigen. Vervolgens zijn diverse (bijzondere) opsporingsmiddelen ingezet, waaronder de doorzoeking van het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] op 19 maart 2017. Zoals reeds overwogen is de verdenking van witwassen jegens de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte rechtspersoon 5] in 2016 uitgebreid met een verdenking van overtreding van de Wft. Dit is vastgelegd in PV406. Het hof acht de inzet van (bijzondere) opsporingsmiddelen, gelet op de aanwezigheid van een redelijk vermoeden van schuld aan een of meer strafbare feiten, niet onrechtmatig. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, doet de omstandigheid dat in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] administratie is gekopieerd van – de op dat moment nog niet verdachte rechtspersoon – [verdachte rechtspersoon 1] , aan de rechtmatigheid van de doorzoeking niet af. De inzet van de (bijzondere) opsporingsmiddelen was gericht op [medeverdachte 1] , [verdachte] en [verdachte rechtspersoon 5] en uit feiten en omstandigheden was gebleken dat [medeverdachte 1] en [verdachte] betrokken waren bij [verdachte rechtspersoon 1] en regelmatig in het bedrijfspand in [plaats 3] verbleven. Hierdoor bestond het vermoeden dat relevante administratie rondom de financieringen van [verdachte rechtspersoon 5] en de bedrijven van [medeverdachte 1] en [verdachte] aanwezig was in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] .
Het hof is verder van oordeel dat aan de inzet het opsporingsmiddel van de heimelijke doorzoeking geen gebreken zijn gebleken. In dat kader stelt het hof aan de hand van het dossier het volgende vast:
  • In het proces-verbaal aanvraag uitoefenen bevoegdheden in een besloten plaats d.d. 16 januari 2017, procesverbaalnummer: 743D, wordt onder meer de start van het strafrechtelijk onderzoek en de verdenkingen jegens de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [verdachte rechtspersoon 5] beschreven. Dit betreft, zoals eerder genoemd, de verdenking van witwassen (PV26) en overtreding van de Wft (PV403). Daarnaast is beschreven dat uit onderzoek is gebleken dat verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] betrokken zijn bij [verdachte rechtspersoon 1] en dat het vermoeden bestaat dat de relevante (fysieke en digitale) administratie rondom de financieringen van [verdachte rechtspersoon 5] en de bedrijven van [medeverdachte 1] en [verdachte] aanwezig is in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] . Gelet hierop wordt voorgesteld om een heimelijke doorzoeking uit te voeren in dit bedrijfspand. Om de heimelijke doorzoeking uit te kunnen voeren is een intensieve voorbereiding nodig. Hiervoor is nodig dat de aangewezen opsporingsambtenaren (heimelijk) het bedrijfspand kunnen betreden en opnemen. Deze bevoegdheid wordt ingezet op grond van artikel 126k Sv. De heimelijke doorzoeking zal uiteindelijk plaatsvinden onder leiding van de officier van justitie op grond van artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv.
  • Door de officier van justitie wordt jegens de verdachte op 17 januari 2017 ex artikel 125k Sv schriftelijk bevel gegeven de besloten plaats, te weten het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] , heimelijk te betreden teneinde die plaats op te nemen (743A) met verlengingen op 15 februari 2017 (906A) en 14 maart 2017 (935A).
  • In het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 15 maart 2017, procesverbaalnummer: 934, zijn de beschrijvingen van de start van het strafrechtelijk onderzoek en de verdenkingen jegens de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [verdachte rechtspersoon 5] herhaald. Tevens is beschreven dat door de officier van justitie ex artikel 127k Sv schriftelijk bevel is gegeven het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] heimelijk te betreden en op te nemen in het kader van de intensieve voorbereiding van de heimelijke doorzoeking. Geconcludeerd wordt dat het in het belang van het opsporingsonderzoek dringend noodzakelijk is een doorzoeking te verrichten in het voornoemde bedrijfspand ter inbeslagneming conform artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv.
  • In het proces-verbaal van bevindingen “Doorzoeking ter vastlegging van gegevens ex artikel 125i Wetboek van Strafvordering” d.d. 23 maart 2017, proces-verbaalnummer: 743F, is het volgende geverbaliseerd:
“(…) Op zondag 19 maart 2017 werd onder leiding van de officier van justitie mr. E.J.A. Melssen, in het strafrechtelijk onderzoek bekend onder parketnummer 011997520-16, ter vastlegging van gegevens overeenkomstig artikel 125i van het Wetboek van Strafvordering, een plaats doorzocht. Dit betrof het bedrijfspand van “ [verdachte rechtspersoon 1] ” gelegen aan [adres 2] . De betreding vond plaats zonder dat er iemand aanwezig was.
Op zondag 19 maart 2017, te 00:20 uur, hoorde ik, verbalisant, dat officier van justitie mr. E.J.A. Melssen de doorzoeking opende op grond van artikel 125i van het Wetboek van Strafvordering.
Op zondag 19 maart 2017, te 00:36 uur heb ik, verbalisant, te samen met 7 collega’s, tevens opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, het pand betreden.
Eenmaal binnen is direct een beeld/spraakverbinding opgezet met officier van justitie mr. E.J.A. Melssen. Middels deze beeld/spraakverbinding had officier van justitie mr. E.J.A. Melssen voortdurend de leiding en voerde zij de regie uit over de doorzoeking.
Doorzoeking artikel 125i Wetboek van Strafvordering
Met toestemming van officier van justitie mr. E.J.A. Melssen werden 2 kantoorruimtes doorzocht ter vastlegging van gegevens. Deze kantoorruimtes bevonden zich op de begane grond direct na binnenkomst via de centrale toegangsdeur. Beide kantoorruimtes zijn direct naast elkaar gelegen. In beide kantoren zijn diverse gegevensdragers doorzocht en werden diverse gegevens vastgelegd middels scan/foto en video. (…)”
Gelet op voorgaande vaststellingen op basis van het dossier, concludeert het hof als volgt:
  • De doorzoeking op 19 maart 2017 is verricht onder leiding van de officier van justitie op grond van artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv. Artikel 125i Sv geeft aan de officier van justitie de bevoegdheid tot het doorzoeken van een plaats – anders dan een woning of een kantoor van een persoon met bevoegdheid tot verschoning – ter vastlegging van gegevens.
  • Het bevel ex artikel 125k Sv van de officier van justitie d.d. 17 januari 2017 ziet op het (heimelijk) betreden van het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] in [plaats 3] teneinde die plaats op te nemen en de latere doorzoeking op grond van artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv intensief voor te bereiden.
Dit betekent dat het verweer van de verdediging, inhoudende dat het bevel ex artikel 126k Sv op basis waarvan de heimelijke doorzoeking heeft plaatsgevonden niet de bevoegdheid geeft om te doorzoeken, maar slechts om zoekend rond te kijken, faalt. Voor zover de raadsman van de verdachte heeft betoogd dat artikel 8 EVRM Pro is geschonden omdat niet voorafgaand aan de doorzoeking op 19 maart 2017 een toetsing door de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden, faalt dat betoog eveneens. Artikel 96c in verbinding met artikel 125i Sv vereist namelijk niet een dergelijke voorafgaande toetsing indien, zoals in het onderhavige geval, sprake is van het doorzoeken van een plaats, anders dan een woning of een kantoor van een persoon met bevoegdheid tot verschoning. Uit het dossier blijkt niet dat de tot het bedrijfspand behorende woonruimtes op 19 maart 2017 zijn betreden. Gelet op het voorgaande acht het hof het ook niet onrechtmatig dat de bij de doorzoeking verzamelde informatie is gebruikt ten behoeve van het opmaken van PV1023 en PV1033.
Het hof acht tot slot geen sprake van een schending van het beginsel van zuiverheid van oogmerk. Het is het hof ook niet gebleken dat aan de inzet van het opsporingsmiddel van de doorzoeking motieven ten grondslag hebben gelegen die ten doel hadden aan de verdachte het recht op een eerlijk proces te ontnemen, dan wel dat die inzet daartoe heeft geleid.
A.3. Conclusie
Het hof ziet gelet op hetgeen is overwogen onder A.1. en A.2. geen aanleiding om het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder feit 1 tot en met feit 5 tenlastegelegde niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging van de verdachte, dan wel de op basis van de bij de heimelijke doorzoeking verzamelde informatie opgemaakte PV1023 en PV1033 van het bewijs uit te sluiten. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.
B. AMLC
Het hof constateert dat in de aanhef van PV26 het volgende is vermeld:
“Wij, [opsporingsambtenaar 1] , opsporingsambtenaar, werkzaam bij het FIOD/ AMLC ( Anti Money Laundering Centre ) en [opsporingsambtenaar 2] , opsporingsambtenaar, projectleider, werkzaam bij het Combiteam DLR/FIOD verklaren het volgende: (…)”
Dit betekent dat de bij PV26 betrokken verbalisanten werkzaam waren bij de FIOD als opsporingsambtenaren. Ingevolge artikel 141, aanhef en onderdeel d, Sv in samenhang gelezen met artikel 2, aanhef en onderdeel a, Wet op de bijzondere opsporingsdiensten zijn opsporingsambtenaren van de FIOD belast met de opsporing van strafbare feiten. Dat de betrokken opsporingsambtenaar kennelijk tevens deel uitmaakte van het AMLC doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af. In de hoedanigheid van opsporingsambtenaren hebben de verbalisanten de in PV26 vermelde informatie verzameld. Gelet hierop wordt het verweer van de verdediging door het hof verworpen. Ten overvloede merkt het hof op dat het zich op basis van de inhoud van PV26, PV1023 en PV1033 voldoende ingelicht acht omtrent de start van het strafrechtelijk onderzoek en de toegepaste (bijzondere) opsporingsmethoden en/of dwangmiddelen. Het hof verwijst naar hetgeen hierover is overwogen in de beslissing van 30 oktober 2024 naar aanleiding van de bij appelschriftuur gedane onderzoekswensen. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.
C. Case Synopsis
De advocaat-generaal heeft toegelicht dat de “Case Synopsis” (D82, pg. 30026) medio 2015 vanuit [plaats 1] bekend is gemaakt aan de Nederlandse liaisonofficier van de FIOD. Deze informatie is op dat moment niet gedeeld met de opsporingsdienst van de FIOD. Pas op een later moment, in februari 2016, is deze informatie door de liaisonofficier van de FIOD overgedragen aan de opsporingsdienst van de FIOD/het onderzoeksteam Rockwood.
In het dossier bevindt zich een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van [plaats 1] d.d. 5 juli 2016, bijlagenummer: 589A. Hierin is – voor zover relevant – het volgende vermeld:
“(…) Het onderzoeksteam heeft door tussenkomst van het Anti Money Laundering Center in Nederland spontane politie-informatie verkregen over de “Case Synopsis”.
Uit de verstrekte informatie komt naar voren dat er in [plaats 1] een strafrechtelijk onderzoek loopt of heeft gelopen, onder de naam Synopsis, tegen genoemde [medeverdachte 1] en/of [verdachte] . In het kader van dit onderzoek werd geconstateerd dat gelden afkomstig van het Taiwanese bedrijf [bedrijf 1] zouden zijn betaald aan een bedrijf in [plaats 2] dat eigendom zou zijn van [medeverdachte 1] en/of [verdachte] . Genoemde personen zouden zich hierbij naar Taiwanees recht onder andere schuldig hebben gemaakt aan witwassen en/of belastingfraude.
Het onderzoeksteam in Nederland zou graag een afschrift ontvangen c.q. inzage willen krijgen in het onderzoeks- dan wel procesdossier van het Taiwanese strafrechtelijk onderzoek met de naam Synopsis. De aard en inhoud van de verstrekte informatie afgezet tegen de informatiepositie die wij op dit moment hebben geeft ons reden dit strafdossier op te vragen. De verwachting is dat de informatie uit het Taiwanees onderzoek van nut kan zijn in het onderzoek Rockwood. (…)
Ik verzoek u om de volgende assistentie:
1 . Ik verzoek u om een afschrift ter beschikking te stellen c.q. inzage te verstrekken in het onderzoeks- dan wel procesdossier van het Taiwanees strafrechtelijk onderzoek met de naam Synopsis.”
Op 26 juli 2017 heeft het onderzoeksteam Rockwood de uitvoeringsstukken vanuit [plaats 1] ontvangen. Dit is geverbaliseerd in het proces-verbaal uitvoeringsstukken RHW [plaats 1] d.d. 4 juni 2018, proces-verbaalnummer: 1465. Deze stukken bevatten het onderzoeksdossier ‘Synopsis’. Het onderzoeksteam Rockwood heeft deze stukken vervolgens bestudeerd.
Het voorgaande betekent dat het document “Case Synopsis” nog niet bekend was c.q. had kunnen zijn bij het onderzoeksteam Rockwood ten tijde van het opmaken van PV26 en dat het verweer van de verdediging in zoverre faalt. Uit de reactie van de Taiwanese autoriteiten op het rechtshulpverzoek blijkt bovendien de authenticiteit van het genoemde document. Van een niet legale, oncontroleerbare bron is geen sprake. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.
[naam]
Het hof stelt vast dat namens de verdachte op 24 december 2021 hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. De toenmalige raadsman van de verdachte heeft bij tijdig ingediende appelschriftuur van 5 januari 2022, met aanvullingen op 7 januari 2022 en op 2 oktober 2024, verzocht een zestiental personen als getuigen te horen. Deze verzoeken zijn bij beslissing van 30 oktober 2024 door het hof afgewezen. Indien en voor zover het hof tot het oordeel komt dat aan de verdachte enig verwijt zou kunnen worden gemaakt, heeft de verdediging tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 11 november 2025 – blijkens de bewoordingen in de pleitnota – gepersisteerd om de voornoemde getuigen te doen horen en met name de opsporingsambtenaren. Ter motivering daarvan heeft de raadsman gewezen op hetgeen deze getuigen – het hof begrijpt: de opsporingsambtenaren – kunnen verklaren over de start van het onderzoek, de rechtmatigheid van de doorzoeking en de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof heeft de afwijzing van het verzoek van de in de appelschriftuur van 5 januari 2022 onder 1 tot en met 8 genoemde getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [opsporingsambtenaar 2] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] als volgt gemotiveerd:
“B.3Beoordeling hof
B.3.1. Inleidende opmerkingen
Bij de beoordeling van de verzoeken tot het horen van de door de verdediging genoemde getuigen stelt het hof het volgende voorop.
De verdachte heeft het recht om ter terechtzitting alle getuigen te doen horen wier verhoor zij in het belang van zijn verdediging acht en daartoe verzoeken kan doen.
In bepaalde gevallen moet het belang van de verdediging bij het oproepen en horen van een getuige worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al eerder - in het vooronderzoek of anderszins - een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt [voetnoot 5: Hoge Raad 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.9.2.].
Het vorenstaande betekent evenwel niet dat elk verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Uit de ‘post- [naam] ’-arresten van de Hoge Raad volgt dat de omstandigheid dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van een eerder bestaande gelegenheid om wensen met betrekking tot de ondervraging van getuigen kenbaar te maken, of dat de verdediging niet zelf in een eerder stadium van het onderzoek gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden om een verzoek te doen om een getuige te horen, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, op zichzelf geen grond biedt voor de afwijzing van zo’n verzoek, maar dat het niet wegneemt dat een dergelijke inactiviteit van de verdediging, als daarvoor geen gegronde reden bestaat, een rol kan spelen bij de beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen [voetnoot 6: Hoge Raad 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.11].
Het hof zal de verzoeken tot het horen van de in de appelschriftuur van 5 januari 2022 opgegeven getuigen (onder 1 tot en met 8) beoordelen aan de hand van het verdedigingsbelang. De verzoeken tot het horen van de overige getuigen (onder 9 tot en met 16) zal het hof beoordelen aan de hand van de gebleken noodzaak daartoe.
B.3.2. Getuigen onder 1 t/m 8
Ten aanzien van de onder 1 tot en met 8 genoemde getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [opsporingsambtenaar 2] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] heeft de verdediging betoogd dat zij (onder meer) gehoord dienen te worden met het oog op de start van het (financieel) strafrechtelijk onderzoek, de verdenking(en) jegens de verdachte en de medeverdachten en de heimelijke doorzoeking. Het verzoek strekt er in zoverre toe dat de verdediging door middel van het horen van die getuigen de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek aan de orde wil stellen en betreft niet het horen van een getuige over een door deze persoon afgelegde verklaring zoals die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. In deze situatie geldt dat het verzoek tot het horen van getuigen door de verdediging moet worden onderbouwd [voetnoot 7: Hoge Raad 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1279, r.o. 2.4.3]. Het hof is van oordeel dat de verdediging onvoldoende concreet heeft onderbouwd waarom het horen van de genoemde getuigen van belang is voor de beantwoording van enige vraag van de artikelen 348 en 350 Sv. Het hof verwijst in dit verband op hetgeen onder A.3 is overwogen in het kader van de beoordeling van de informatieverzoeken en voegt hieraan toe dat de verdachte door het niet horen van deze personen ook niet in de verdediging wordt geschaad. Voor zover de verdediging dus heeft aangevoerd dat de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [opsporingsambtenaar 2] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] bevraagd dienen te worden over de start van het (financieel) strafrechtelijk onderzoek, de verdenking(en) jegens de verdachte en de medeverdachten en de heimelijke doorzoeking, worden die verzoeken aldus afgewezen.
Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat de genoemde getuigen op andere onderdelen bevraagd dienen te worden, overweegt en beslist het hof als volgt.
Ten aanzien van de getuige [getuige 1] is door de verdediging nog aangevoerd dat het van belang is om deze getuige te horen over - kort samengevat - de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof wijst dit verzoek van de verdediging af, omdat de door de verdediging geformuleerde vragen de juridische beoordeling van de zaak raken en geen feiten en omstandigheden waarover de getuige uit eigen wetenschap of waarneming kan verklaren. Het voorgaande sluit niet uit dat opsporingsambtenaren in het kader van hun onderzoek conclusies formuleren en stellingen innemen, maar het is aan het hof om de feiten en omstandigheden te selecteren en waarderen in het licht van de door het Openbaar Ministerie geformuleerde tenlastelegging en ontnemingsvordering. De verdediging kan zich hiertegen bij de inhoudelijke behandeling verweren. Het hof acht zich op basis van het voorliggende dossier op het onderdeel van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel voldoende ingelicht. Door het niet horen van [getuige 1] op dit onderdeel wordt de verdachte dan ook niet in de verdediging geschaad.
Hetzelfde heeft naar het oordeel van het hof te gelden ten aanzien van de verzoek van de verdediging tot het horen van de getuige [getuige 2] over zijn onderzoek naar de drie ABC-transacties waarbij [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] betrokken waren, het horen van de getuige [getuige 3] over zijn conclusie dat sprake is van ‘winstafroming vanwege persoonlijke relaties, aandeelhoudersrelaties en de betrokken zakelijke derde partijen’, het horen van de getuige [opsporingsambtenaar 2] over zijn conclusie dat sprake is van ‘wereldwijde zwarte handel’ en de berekening van de omvang daarvan, het horen van de getuige [getuige 4] over de berekening van het gehanteerde brutowinstpercentage en het horen van de getuige [getuige 5] over het persisteren bij het zes-stappenplan. Het hof stelt vast dat die verzoeken niet tot doel hebben de getuigen te bevragen over feiten en omstandigheden waarover zij uit eigen wetenschap of waarneming kunnen verklaren, maar betrekking hebben op een interpretatie van de feiten en omstandigheden door de betreffende opsporings- of belastingambtenaar. De selectie en waardering daarvan is aan het hof voorbehouden. Het hof acht zich op basis van het voorliggende dossier op deze punten voldoende ingelicht. Verder is het hof van oordeel dat de verdachte door het niet op deze onderdelen horen van de genoemde getuigen niet in de verdediging wordt geschaad.
Het hof wijst de verzoeken af.
Het hof stelt vast dat de verdediging haar verzoek de genoemde opsporingsambtenaren als getuigen te doen horen over de start van het onderzoek, de rechtmatigheid van de doorzoeking en de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel (voorwaardelijk) heeft herhaald. Zoals reeds is overwogen in de hiervoor geciteerde beslissing van het hof van 30 oktober 2024 strekt dit (voorwaardelijk) verzoek er dus toe dat de verdediging door middel van het horen van die getuigen het verloop en daarmee de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek aan de orde wil stellen, en betreft het verzoek niet het horen van een getuige over een door deze persoon afgelegde verklaring zoals die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. [19] In deze situatie geldt de regel dat het verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging moet worden gemotiveerd. [20] Nu het verzoek niet is gemotiveerd is, kan geen sprake zijn van schending van een belang aan de zijde van de verdediging. Gelet op de inhoud van het door de verdediging gedane (voorwaardelijk) verzoek is evenmin sprake van een verzoek dat betrekking heeft op een opsporingsonderzoek waarvoor een zekere mate van specifieke of bijzondere kennis is vereist. [21] Van schending van het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces acht het hof dus geen sprake. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
De tekst van de tenlastelegging – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – is aan dit arrest gehecht (bijlage I).
Hierbij merkt het hof op dat in het onder feit 5 (primair en subsidiair) tenlastegelegde is vermeld
‘1 januari 2010 tot en met 29 oktober 2016’in plaats van
‘1 januari 2010 tot en met 29 november 2016’. De rechtbank heeft deze omissie aangemerkt als een kennelijke schrijffout, deze kennelijke schrijffout hersteld en verbeterd gelezen. De advocaat-generaal heeft dit tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof van 6 november 2025 aan de orde gesteld en het hof verzocht deze omissie evenals de rechtbank op te vatten als een kennelijke schrijffout. Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat geen sprake is van een kennelijke schrijffout, heeft de advocaat-generaal aangegeven voornemens te zijn om wijziging van de tenlastelegging te vorderen. Het hof is van oordeel dat de omissie zal worden aangemerkt als een kennelijke schrijffout. Deze in het onder feit 5 (primair en subsidiair) tenlastegelegde voorkomende schrijffout is, evenals andere in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten en/of omissies, verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzittingen is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vrijspraak van het onder feit 4 (primair en subsidiair) tenlastegelegde
Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat de verdachte het onder feit 4, primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Onder feit 4 primair en subsidiair is – kort samengevat – aan de verdachte tenlastegelegd dat opzettelijk onjuiste facturen in de bedrijfsadministratie van [verdachte rechtspersoon 1] zijn opgenomen, waardoor deze bedrijfsadministratie als valselijk opgemaakt of vervalst moet worden aangemerkt. De verdachte zou daarvoor als opdrachtgever of feitelijk leidinggevende van [verdachte rechtspersoon 1] verantwoordelijk zijn (feit 4 primair), dan wel het feit zelf hebben gepleegd (feit 4 subsidiair).
De onjuistheid van deze facturen zou uit het volgende bestaan:
  • i) dat op de factuur van [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) een verkoop van goederen door [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] is vermeld, zulks terwijl een verkoop van goederen zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, althans niet heeft plaatsgevonden aan [bedrijf 2] (1e gedachtestreepje – de ‘ [bedrijf 1] -transactie’);
  • ii) dat op de facturen van [verdachte rechtspersoon 1] gericht aan derden een verkoop van goederen door [verdachte rechtspersoon 1] aan die derden is vermeld, zulks terwijl een verkoop tegen de prijs zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, omdat in werkelijkheid sprake was van een hogere verkoopprijs (2e en 4e gedachtestreepje – de ‘ [bedrijf 3] - en [bedrijf 4] -transacties’);
  • iii) dat op de facturen van [bedrijf 2] aan [verdachte rechtspersoon 1] een verrekening van (een deel van) de verkoopprijs is vermeld, zulks terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een verkoop van die goederen door [verdachte rechtspersoon 1] , althans dat [verdachte rechtspersoon 1] in werkelijkheid geen te verrekenen schuld had aan [bedrijf 2] (3e gedachtestreepje – de ‘ [bedrijf 5] -transacties’);
  • iv) dat op de facturen van [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] een deel van de inkoop- en/of verkoopprijs van de op die facturen vermelde goederen in rekening werd gebracht in verband met een joint venture tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] , zulks terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een joint venture tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] , althans dat [bedrijf 2] in werkelijkheid geen aandeel had in de inkoop en/of verkoop van de op die facturen vermelde goederen (5e en 6e gedachtestreepje – de ‘ [bedrijf 6] -transacties’).
(i) De ‘ [bedrijf 1] -transactie’
Het onder het 1e gedachtestreepje vermelde heeft betrekking op een factuur van [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] gedateerd 17 juli 2012. Volgens de verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] is de feitelijke gang van zaken bij deze transactie als volgt. [verdachte rechtspersoon 1] heeft de betreffende goederen ingekocht bij [bedrijf 7] , waarna [verdachte rechtspersoon 1] deze goederen heeft doorgeleverd aan [bedrijf 2] en rechtstreeks heeft verscheept aan [bedrijf 8] te [plaats 1] (hierna: [bedrijf 8] ). [bedrijf 2] factureerde aan [bedrijf 8] , waarna [bedrijf 2] een deel van de betaling door [bedrijf 8] doorbetaalde aan [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 2] verrekende met [verdachte rechtspersoon 1] via rekening-courant. De gehele transactie was gedekt door een Letter of Credit ten gunste van [bedrijf 2] . Het procesdossier en het verhandelde ter terechtzittingen bevestigen deze feitelijke gang van zaken. Het hof stelt vast dat sprake is van een zogenaamde ABC-transactie waarbij goederen fysiek van [verdachte rechtspersoon 1] (partij A) naar [bedrijf 8] (partij C) werden geleverd, maar waarbij de juridische levering verliep van [verdachte rechtspersoon 1] (partij A) via [bedrijf 2] (partij B) naar [bedrijf 8] (partij C). [bedrijf 2] heeft van [verdachte rechtspersoon 1] ter zake van deze goederenlevering een factuur ontvangen en deze factuur betaald c.q. verrekend via rekening-courant. Hoewel het hof tot het oordeel komt dat de prijs die door [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] is gefactureerd een onzakelijke prijs is en de winst aan [verdachte rechtspersoon 1] is onttrokken (zie hierna onder A.3.3. en C.3.1. e.v.), kan niet bewezenverklaard worden dat – zoals ten laste is gelegd – een verkoop van goederen door [verdachte rechtspersoon 1] zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, althans niet heeft plaatsgevonden aan [bedrijf 2] . Het hof zal de verdachte hiervan aldus vrijspreken.
(ii) De ‘ [bedrijf 3] - en [bedrijf 4] -transacties’
Het onder het 2e gedachtestreepje vermelde heeft betrekking op een factuur van [verdachte rechtspersoon 1] gericht aan [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) gedateerd 14 maart 2012. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verklaard dat de factuur van [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 3] berust op een omissie van de heer [betrokkene 2] . Deze factuur had namelijk niet aan [bedrijf 3] , maar aan [bedrijf 2] gericht moeten worden. [verdachte rechtspersoon 1] heeft de goederen ingekocht en vervolgens doorgeleverd aan [bedrijf 2] . De goederen zijn door [verdachte rechtspersoon 1] rechtstreeks verscheept naar [bedrijf 3] . De uiteindelijke betaling door [bedrijf 3] heeft plaatsgevonden aan [bedrijf 2] . [bedrijf 2] verrekende met [verdachte rechtspersoon 1] via rekening-courant. Het procesdossier en het verhandelde ter terechtzittingen bevestigen deze feitelijke gang van zaken. Het hof stelt vast dat sprake is van een zogenaamde ABC-transactie waarbij goederen fysiek van [verdachte rechtspersoon 1] (partij A) naar [bedrijf 3] (partij C) werden geleverd, maar waarbij de juridische levering verliep van [verdachte rechtspersoon 1] (partij A) via [bedrijf 2] (partij B) naar [bedrijf 3] (partij C). [bedrijf 2] heeft van [verdachte rechtspersoon 1] ter zake van deze goederenlevering een factuur ontvangen – welke factuur abusievelijk op naam van [bedrijf 3] was gezet – en deze factuur betaald c.q. verrekend via rekening-courant. Hoewel het hof tot het oordeel komt dat de prijs die door [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] is gefactureerd een onzakelijke prijs is en de winst aan [verdachte rechtspersoon 1] is onttrokken (zie hierna onder A.3.3. en C.3.1. e.v.), kan niet bewezenverklaard worden dat – zoals ten laste is gelegd – een verkoop tegen de prijs zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, omdat in werkelijkheid sprake was van een hogere verkoopprijs. Het hof zal de verdachte hiervan aldus vrijspreken .
Het onder het 4e gedachtestreepje vermelde heeft betrekking op een factuur van [verdachte rechtspersoon 1] gericht aan [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ) gedateerd 16 januari 2013. Ook ten aanzien van deze factuur hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] verklaard dat de factuur van [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 4] berust op een omissie van de heer [betrokkene 2] . Deze factuur had namelijk niet aan [bedrijf 4] , maar aan [bedrijf 2] gericht moeten worden. Het hof komt ten aanzien van deze factuur gericht aan [bedrijf 4] tot hetzelfde oordeel als ten aanzien van de factuur gericht aan [bedrijf 3] en zal de verdachte in zoverre vrijspreken.
(iii) De ‘ [bedrijf 5] -transacties’
Het onder het 3e gedachtestreepje vermelde heeft betrekking op twee facturen van [bedrijf 2] aan [verdachte rechtspersoon 1] gedateerd 15 april 2010 en 28 december 2010. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verklaard dat [verdachte rechtspersoon 1] de betreffende goederen had ingekocht en deze later via [bedrijf 2] aan [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] ) had verkocht. [verdachte rechtspersoon 1] leverde de goederen rechtstreeks aan [bedrijf 5] en factureerde de volledige verkoopprijs direct aan [bedrijf 5] . [bedrijf 2] factureerde haar deel van de winst aan [verdachte rechtspersoon 1] . Dit is door [verdachte rechtspersoon 1] betaald c.q. verrekend via rekening-courant. Het procesdossier en het verhandelde ter terechtzittingen bevestigen deze feitelijke gang van zaken. Hoewel het hof tot het oordeel komt dat de winst behaald bij de ‘ [bedrijf 5] -transactie’ op onzakelijke gronden is afgeroomd naar [bedrijf 2] en die winst aan [verdachte rechtspersoon 1] is onttrokken (zie hierna onder A.3.3. en C.3.1. e.v.), kan niet bewezenverklaard worden dat – zoals ten laste is gelegd – in werkelijkheid geen sprake was van een verkoop van die goederen door [verdachte rechtspersoon 1] , althans dat [verdachte rechtspersoon 1] in werkelijkheid geen te verrekenen schuld had aan [bedrijf 2] . Het hof zal de verdachte hiervan aldus vrijspreken.
(iv) De ‘ [bedrijf 6] -transacties’
Het onder het 5e gedachtestreepje vermelde heeft betrekking op drie inkoopfacturen van [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] gedateerd 17 maart 2011, 14 april 2011 en 15 november 2011. Het onder het 6e gedachtestreepje vermelde heeft betrekking op drie verkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [verdachte rechtspersoon 1] gedateerd 9 november 2011, 9 november 2011 en 16 december 2011. Volgens de omschrijvingen op de facturen zijn de op die facturen vermelde goederen in het kader van een joint venture tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] verkocht aan [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6] ). De directeur van [bedrijf 6] heeft bevestigd dat sprake was van een ‘joint venture-deal’ tussen [bedrijf 6] , [verdachte rechtspersoon 1] en [verdachte] waarbij de goederen door [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 6] zouden worden verscheept. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verklaard dat de afspraak was om gelijk te delen in de winsten en/of verliezen bij deze transacties. Gelet hierop heeft [verdachte rechtspersoon 1] de goederen ingekocht en de helft van de kosten doorberekend aan [bedrijf 2] (5e gedachtestreepje). Vervolgens heeft [verdachte rechtspersoon 1] de goederen rechtstreeks aan [bedrijf 6] geleverd en gefactureerd aan [bedrijf 6] . Conform de afspraak werd de nettowinst gelijkelijk verdeeld tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] . Hiervoor heeft [bedrijf 2] een drietal facturen aan [verdachte rechtspersoon 1] gestuurd (6e gedachtestreepje). Het procesdossier en het verhandelde ter terechtzittingen bevestigen deze feitelijke gang van zaken. Hoewel het hof tot het oordeel komt dat de winst behaald bij de ‘ [bedrijf 6] -transactie’ op onzakelijke gronden is afgeroomd naar [bedrijf 2] en die winst aan [verdachte rechtspersoon 1] is onttrokken (zie hierna onder A.3.3. en C.3.1. e.v.), kan niet bewezenverklaard worden dat – zoals ten laste is gelegd – in werkelijkheid geen sprake was van een joint venture tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] , althans dat [bedrijf 2] in werkelijkheid geen aandeel had in de inkoop en/of verkoop van de op die facturen vermelde goederen. Het hof zal de verdachte hiervan aldus vrijspreken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 (primair), feit 2 (primair), feit 3 (primair) en feit 5 (primair) tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1 (primair):
[verdachte rechtspersoon 2] , verder te noemen ‘de BV’, op tijdstip(pen) in de periode vanaf 1 juli 2007 tot en met 29 september 2011, in Nederland en in [plaats 2] ,
tezamen en in vereniging met een ander,
telkens van een voorwerp de werkelijke herkomst heeft verhuld en verhuld wie de rechthebbenden op dat voorwerp waren en
telkens een voorwerp heeft verworven en voorhanden gehad en overgedragen en van een voorwerp gebruik heeft gemaakt,
immers hebben de BV en haar mededader - zakelijk weergegeven -
= een bedrag aan geld tot een totaalbedrag groot (maximaal) EUR 6.150.000,- geleend van [verdachte rechtspersoon 5] ten behoeve van het verlenen van een financiering aan [bedrijf 9] (bijlage nr. 1391C 214/260, pag. 00032871, 00030177, 00032083, 00032089, SF0000028, SF0000029, SF0000034, SF0000035, SF0020046, SF0020047, SF0021269, SF0021270, SF0030017, SF0030018 proces-verbaal) en
= een bedrag aan geld tot een totaalbedrag groot EUR 6.150.000,- uitgeleend aan [bedrijf 9] (bijlage nr. 308, pag. 00030177 proces-verbaal en bijlage nr. 1660 3/12, pag. 00036013 proces-verbaal) en
= een bedrag aan geld tot een totaalbedrag groot (maximaal) USD 13.500.000,- geleend van [verdachte rechtspersoon 5] ten behoeve van het verlenen van financiering aan [bedrijf 10] (bijlage nr. 1391C 209/260, pag. 00032866 proces-verbaal) en
= een bedrag aan geld tot een totaalbedrag groot USD 13.500.000,- uitgeleend aan [bedrijf 10] (bijlage nr. 1659(A), pag. 00036001 en 00036006 proces-verbaal) en
= een bedrag aan geld groot EUR 17.699.994,56 door de BV ontvangen als terugbetaling van leningen, overgeboekt vanaf de bankrekening van de BV naar de bankrekening van [verdachte rechtspersoon 5] (bijlage nr. 1391AA 11/41, pag. 00032622 proces-verbaal),
terwijl de BV en haar mededader telkens wisten dat dat voorwerp gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,
hebbende hij, verdachte, telkens feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedragingen;
Feit 2 (primair):
[verdachte rechtspersoon 5] , verder te noemen ‘de Limited’, in of omstreeks de periode vanaf 24 oktober 2014 tot en met 26 mei 2017 in Nederland en in [plaats 2] ,
van een voorwerp de werkelijke herkomst heeft verhuld en verhuld wie de rechthebbenden op dat voorwerp waren en
een voorwerp heeft verworven en voorhanden gehad en overgedragen en van een voorwerp gebruik heeft gemaakt ,
immers heeft zij - zakelijk weergegeven -
= een bedrag aan geld tot een totaalbedrag groot EUR 4.500.000,- uitgeleend aan [bedrijf 11] ten behoeve van het verlenen van financiering aan [bedrijf 11] (SF0022094, SF0022113, SF0022114, SF0022115, SRD00034067),
terwijl zij wist dat dat voorwerp gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,
hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging;
Feit 3 (primair):
[verdachte rechtspersoon 5] , verder te noemen ‘de Limited’, in de periode vanaf de maand juli 2007 tot en met de maand november 2008 in [plaats 2] en te [plaats 1] en in Nederland en Duitsland,
telkens
= een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 2] en anderzijds de Limited, gedateerd 15 juli 2007 en ondertekend op 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - de verstrekking van een lening door [medeverdachte 2] aan de Limited tot een maximum bedrag groot EUR 6.150.000,- voor de financiering van [bedrijf 9] en/of haar hotelprojecten in Kalkar onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden, en
= een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 2] en anderzijds de Limited, gedateerd 15 juli 2007 en ondertekend op 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - de verstrekking van een lening door [medeverdachte 2] aan de Limited tot een maximum bedrag groot USD 13.500,000,- voor de financiering van [bedrijf 10] , vestiging Meppen, haar hotelproject in Duitsland, onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden, en
= een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 2] en anderzijds de Limited, gedateerd 15 november 2007 en ondertekend 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - de verstrekking van een lening door [medeverdachte 2] aan de Limited tot een maximum bedrag groot EUR 5.000.000,- voor de financiering van onroerend goed- en/of bouwprojecten in Duitsland en/of in Nederland, onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden,
zijnde die leningsovereenkomsten voornoemd telkens geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen,
telkens valselijk opgemaakt,
immers heeft de Limited alstoen aldaar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid genoemde leningsovereenkomsten telkens namens de Limited laten ondertekenen door [betrokkene 5] , telkens ter bevestiging van de juistheid van het daarin gestelde,
terwijl in die leningsovereenkomsten voornoemd telkens valselijk en in strijd met de waarheid was opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de in die leningsovereenkomsten vermelde leningsbedragen verstrekt zouden worden door [medeverdachte 2] aan haar, zulks terwijl in werkelijkheid geen sprake was van door [medeverdachte 2] te verstrekken leningen aan haar,
zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken,
hebbende hij, verdachte, telkens feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedragingen;
Feit 5 (primair):
[verdachte rechtspersoon 1] , verder te noemen ‘de BV’, in de periode van 9 december 2011 tot en met 29 november 2016 in Nederland,
opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de vennootschapsbelasting ten name van de BV over de jaren 2010 en 2011 en 2012 en 2013 en 2015 (digitale bijlagen nrs. 1643E t/m 1643H, 1643J) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,
immers heeft de BV telkens opzettelijk - zakelijk weergegeven - op de bij de bevoegde inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingediende aangiften voor de vennootschapsbelasting ten name van de BV
* over het jaar 2010 een negatieve belastbare winst groot EUR 163.746,- en een negatief belastbaar bedrag groot EUR 163.746,- (rubriek 585) vermeld en
* over het jaar 2011 een negatieve belastbare winst groot EUR 2.237,- en een negatief belastbaar bedrag groot EUR 2.237,- (rubriek 585) vermeld en
* over het jaar 2012 een negatieve belastbare winst groot EUR 286.941,- en een negatief belastbaar bedrag groot EUR 286.941,- (rubriek 585) vermeld en
* over het jaar 2013 een belastbare winst groot EUR 204.617,- en een belastbaar bedrag groot nihil (rubriek 585) vermeld en
* over het jaar 2015 een belastbare winst groot EUR 110.821,- en een belastbaar bedrag groot nihil (rubriek 585) vermeld,
terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,
hebbende hij, verdachte, telkens feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedragingen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
A.
Witwassen (feit 1 en feit 2)
A.1. Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het vonnis van de rechtbank –zowel wat betreft de beslissingen als de motivering daarvan – juist is. In de kern komt de motivering van de rechtbank voor wat betreft feit 1 en feit 2 en daarmee in zoverre het standpunt van de advocaat-generaal op het volgende neer. [22]
Op basis van de feiten en omstandigheden kan een bewijsvermoeden van witwassen worden geconstateerd. Dit volgt allereerst uit de witwasindicatoren in PV26 en bovendien uit het navolgende:
  • [verdachte rechtspersoon 5] heeft niets om het lijf.
  • [medeverdachte 1] en [verdachte] lenen via de opgetuigde constructie indirect aan en van zichzelf.
  • [verdachte rechtspersoon 5] maakt winst die in [plaats 2] niet wordt belast – de rechtbank trekt een parallel met de feiten 4 en 5, de handel die in [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] wordt geadministreerd.
  • Een volgbare en toetsbare stroom documenten die inzichtelijk maakt hoe [verdachte rechtspersoon 5] aan het uit te lenen geld komt, ontbreekt. Er is slechts een paper trail vanaf [verdachte rechtspersoon 5] naar de partijen die geld lenen, al bestaan daar soms wel verschillende versies van. De bron waar [verdachte rechtspersoon 5] daadwerkelijk uit put, blijft onzichtbaar.
  • [medeverdachte 1] en [verdachte] gebruikten de bankrekeningen van hun rechtspersonen in [plaats 2] als hun persoonlijke portemonnee. Ze nemen wat ze nodig hebben.
  • Er worden kunstgrepen toegepast waardoor [medeverdachte 1] en [verdachte] persoonlijk buiten beeld blijven voor de fiscus, zoals het zich uitschrijven als inwoner van Nederland, ondanks dat men verblijft en werkt in Nederland, het stallen van vermogen op een Zwitserse bankrekening en het opvoeren van een alternatieve vermogensbron voor [verdachte rechtspersoon 5] in de persoon van de niet-Nederlandse [medeverdachte 2] .
Evenals de rechtbank ziet de advocaat-generaal een patroon. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij nog nooit belasting heeft betaald, waar dan ook ter wereld. [verdachte] heeft verklaard dat hij voor het laatst in 1979 belasting heeft betaald in Nederland. Ook de rechtspersonen waarmee [medeverdachte 1] en [verdachte] zich bedienen hebben tot op heden niet of nauwelijks belasting betaald. Daarnaast is gebleken dat [verdachte rechtspersoon 5] niet de eerste rechtspersoon uit [plaats 2] is met een sleutelfunctie in de financieringsactiviteiten van [medeverdachte 1] en [verdachte] . In het verleden vervulde [bedrijf 12] (hierna: [bedrijf 12] ) die rol. Tevens is gewezen op het verplaatsen van de winsten uit de handel in legeronderdelen naar [plaats 2] via [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] .
Het hiervoor geschetste patroon leidt tot de tussenconclusie dat in elk geval belastingfraude ten grondslag ligt aan de aanwas van het vermogen dat [verdachte rechtspersoon 5] – al dan niet via [verdachte rechtspersoon 2] – in de tenlastegelegde periode kon uitlenen. Het kan niet anders dan dat de niet afgedragen belasting, vermeerderd met het vervolgprofijt dat met de financieringsactiviteiten is behaald, over een periode van 10 tot 20 jaar voorafgaand aan de tenlastegelegde periode een zo groot deel is gaan uitmaken van het totaalvermogen, dat dit niet meer te isoleren is. Dat betekent dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte rechtspersoon 5] vermogen voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat dit vermogen afkomstig was van enig misdrijf, te weten belastingfraude. Tevens heeft [verdachte rechtspersoon 5] verhuld wat de herkomst van dit vermogen was en wie de rechthebbenden tot dit vermogen waren. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben aan deze gedragingen feitelijke leiding gegeven.
A.2. Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verweer gevoerd tegen het tenlastegelegde witwassen (feit 1 en feit 2) en daarbij vrijspraak bepleit. Het hof zal het verweer van de verdediging zakelijk weergeven. Deze weergave is gebaseerd op de pleitnota zoals voorgedragen tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 11 november 2025.
A.2.1. Geen sprake van ‘voorwerp afkomstig uit enig misdrijf’
Volgens de verdediging ontbreekt het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, lid 1, onder a en b, Sr opgenomen bestanddeel voorwerp “afkomstig (…) van enig misdrijf” volledig. Het Openbaar Ministerie heeft ten onrechte geen gronddelict vastgesteld. Zonder een criminele bron is artikel 420bis Sr niet toepasbaar, aldus de verdediging.
A.2.2. Geen sprake van verhullen en/of omzetten
De verdediging heeft aangevoerd dat de geldstromen via traceerbare bankrekeningen liepen. De contracten zijn geregistreerd en voorzien van hypotheken. De Belastingdienst was in het geheel op de hoogte. Van “verhullen” en/of “omzetten” is volgens de verdediging geen sprake.
A.2.3. Geen sprake van subjectief opzet of wetenschap
De verdediging heeft aangevoerd dat op geen enkele manier vastgesteld kan worden dat de verdachte de intentie heeft gehad om geld te verbergen. Uit de verklaringen van de verdachte in het dossier en ter terechtzitting in eerste aanleg blijkt immers dat de verdachte voortdurend heeft verklaard over de wijze waarop hij zijn geld heeft verdiend, namelijk met de wereldwijde handel in (met name) legerdump. Er zijn geen valse namen, contante betalingen of off-shore afschermingen gebruikt. Daarnaast heeft de verdachte consistent verklaard dat de financiering aan [bedrijf 9] (hierna: [bedrijf 9] ) en [bedrijf 10] (hierna: [bedrijf 10] ) (feit 1) en [bedrijf 11] (feit 2) bedoeld was voor renovatie en exploitatie van bestaande parken. De voor een bewezenverklaring vereiste opzet ontbreekt, aldus de verdediging.
A.2.4. Geen sprake van geven van feitelijke leiding
De verdediging heeft aangevoerd dat [verdachte rechtspersoon 2] een zelfstandig juridisch persoon was. De verdachte verbleef grotendeels in het buitenland. [medeverdachte 1] en de lokale Duitse partners ( [bedrijf 10] en [betrokkene 3] ) voerden de transacties uit. Ten aanzien van [verdachte rechtspersoon 5] heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte na 2011 geen directeur meer was en slechts handelde als informele investeerder. Er is aldus geen bewijs voorhanden voor het oordeel dat de verdachte feitelijke leiding gaf aan een strafbaar feit.
A.2.5. Geen valsheid in geschrift (feit 3), dan ook geen witwassen door [verdachte rechtspersoon 2] (feit 1)
Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat nu het onder feit 3 tenlastegelegde valsheid in geschrift niet bewezen kan worden, de feitelijke basis aan de veronderstelling dat sprake is van witwassen door [verdachte rechtspersoon 2] (feit 1) is komen te ontvallen.
A.3. Bewijsoverwegingen van het hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen. Het hof zal tevens ingaan op de door de verdediging gevoerde verweren.
A.3.1. Juridisch kader “afkomstig uit enig misdrijf” [23]
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, lid 1, onder a en b, Sr opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie om bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het tenlastegelegde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat deze een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat een zodanige verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het tenlastegelegde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan tegenwicht aan de verdenking heeft geboden of dat deze pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Als een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Gelet op voornoemd toetsingskader kan ook zonder concreet gronddelict een criminele herkomst van vermogensbestanddelen worden vastgesteld, maar dan moet met voldoende mate van zekerheid een legale herkomst kunnen worden uitgesloten. Het belang hiervan wordt nog versterkt doordat een veroordeling voor witwassen de weg kan openen naar ontneming van het gestelde witgewassen vermogen, zoals in dit geval ook door het Openbaar Ministerie is geëist.
A.3.2. De toepassing van het ‘zes-stappenplan’
Het Combiteam FIOD-Landelijke Eenheid is in het voorbereidend onderzoek op basis van het ‘zes-stappenplan’ tot de conclusie gekomen dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het vermogen van [medeverdachte 1] en [verdachte] een legale herkomst heeft. Derhalve kan een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring gelden. Dit leidt tot de conclusie dat sprake is van witwassen. [24]
Ook de advocaat-generaal stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat op basis van de feiten en omstandigheden – de witwasindicatoren in PV26 en de aanvullende feiten en omstandigheden – sprake is van een bewijsvermoeden van witwassen en dat van de verdachte(n) een voldoende concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het vermogen mag worden geëist. De advocaat-generaal acht de verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] kennelijk ontoereikend. Vervolgens komt de advocaat-generaal tot de (tussen)conclusie dat ‘het niet anders kan zijn dan dat’ de tenlastegelegde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. In dat kader noemt de advocaat-generaal wél een specifiek gronddelict, namelijk belastingfraude. Daarmee lijkt de advocaat-generaal op twee gedachten te hinken. Het is echter het één of het ander: ófwel er wordt een concreet gronddelict opgevoerd, ófwel een concreet gronddelict is niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen en dan komt het zogenoemde ‘zes-stappenplan’ in beeld. In het laatste geval komt een grotere nadruk te liggen op de bewijsbaarheid dan wel aannemelijkheid van de overige feiten en omstandigheden die in onderlinge samenhang het ontbreken van een legale herkomst zouden kunnen onderbouwen.
Indien wordt geredeneerd vanuit het ‘zes-stappenplan’, zoals het Openbaar Ministerie lijkt te doen, kan worden vastgesteld dat door [medeverdachte 1] en [verdachte] een voldoende concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het vermogen is gegeven, te weten – kort samengevat – dat zij tot 1994 op legale wijze een startkapitaal van ongeveer ƒ 5 miljoen hebben verworven met onder meer de wereldwijde handel in legeronderdelen. Ook in de jaren na 1994 heeft die handel zich voortgezet. Daar komt nog bij dat [verdachte] aantoonbaar om en nabij ƒ 2,5 miljoen heeft verdiend met de verkoop van onroerend goed in de periode vanaf 1961 tot 1995. Dit geld is gebruikt voor het verstrekken van financieringen vanaf 1994 en uitgegroeid tot een aanzienlijk vermogen van ongeveer € 46 miljoen. Uit het dossier volgt dat [verdachte] reeds vanaf de jaren ’60 actief was in de handel in legeronderdelen. [medeverdachte 1] is vanaf de jaren ’80 actief geworden. Het is niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk dat die handel (zeer) lucratief is geweest. Uit het dossier en met name uit getuigenverklaringen is inderdaad gebleken dat [verdachte] op grote schaal handelde in grote partijen legergoederen en daarmee ook behoorlijk succesvol was (‘goed boerde’). [25] Het Openbaar Ministerie heeft de verklaring(en) van [medeverdachte 1] en [verdachte] naar het oordeel van het hof onvoldoende kunnen weerleggen. Daarbij geldt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] gelet op het lange tijdsverloop in een lastige bewijspositie zaten. Die omstandigheid mag naar het oordeel van het hof niet in het nadeel van [medeverdachte 1] en [verdachte] worden meegewogen. Dit leidt het hof tot de conclusie dat het ‘zes-stappenplan’ in het onderhavige geval geen toepassing dient te vinden.
Een bewezenverklaring ter zake van witwassen kan naar het oordeel van het hof dan alleen aan de orde zijn indien wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van een ander misdrijf, waardoor de uit de handel in legeronderdelen en – later – uit de financieringsactiviteiten afkomstige gelden zijn vermengd met uit een illegale bron afkomstige gelden, bijvoorbeeld doordat sprake is van belastingontduiking, gepleegd vóór de gewraakte handelingen. Dit brengt het hof ertoe om te beoordelen of belastingfraude in aanmerking komt als gronddelict voor het tenlastegelegde witwassen.
A.3.3. Belastingfraude als gronddelict voor witwassen
Het hof stelt voorop dat ook vermogensbestanddelen waarover men de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, kunnen worden aangemerkt als voorwerpen “afkomstig (...) van enig misdrijf” in de zin van artikel 420bis Sr. [26]
[verdachte] heeft verklaard dat hij eind jaren ’70 ten onrechte uit zijn huis in Gendt is gezet en hij zich toen heeft voorgenomen om nooit meer belasting in Nederland te betalen. [27] [verdachte] heeft zich na zijn vertrek uit Nederland in de Filipijnen gevestigd en was gehouden daar belastingaangifte te doen. Feitelijk heeft [verdachte] echter geen belasting betaald in de Filipijnen, omdat hij naar eigen zeggen geen belasting hoefde te betalen over inkomen dat buiten de Filipijnen was verdiend. [28] Dit komt er eigenlijk op neer dat [verdachte] sinds het einde van de jaren ’70 nergens ter wereld belasting over zijn inkomen en/of winsten heeft afgedragen.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij zich in 1986 heeft laten uitschrijven in Nederland en vanaf dat moment officieel woonachtig is in [plaats 1] . [29] Aangezien [medeverdachte 1] geen inkomen heeft in [plaats 1] , hoeft zij daar naar eigen zeggen geen (inkomsten)belasting te betalen en geen belastingaangifte te doen. [30] Dit komt er feitelijk op neer dat ook [medeverdachte 1] vanaf het midden van de jaren ‘80 nergens ter wereld belasting over haar inkomen en/of winsten heeft afgedragen, evenals [verdachte] .
Eenzelfde beeld is te onderkennen voor de vennootschappen [bedrijf 12] , [verdachte rechtspersoon 5] en [bedrijf 2] . Deze vennootschappen zijn opgericht naar het recht van [plaats 2] en officieel aldaar gevestigd. [31] Volgens [verdachte] zijn deze vennootschappen gehouden om in [plaats 2] belastingaangifte te doen, maar hoeft er feitelijk geen belasting te worden betaald omdat er geen winst wordt gemaakt in [plaats 2] . [32] Tevens bevestigt [verdachte] dat deze vennootschappen in [plaats 2] zijn gevestigd puur uit fiscale overwegingen om geen belasting te hoeven betalen. [33]
Zoals reeds hiervoor is overwogen in het kader van het ‘zes-stappenplan’, hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] verklaard een aanzienlijk vermogen te hebben opgebouwd met de wereldwijde handel in legeronderdelen. Diverse getuigen bevestigen dat deze handel zeer lucratief was. [34] Het ontduiken van belasting over aanzienlijke winsten, waar dat wel had gemoeten, levert belastingfraude op en het gebruiken van die ontdoken belasting om inkomen te genereren kan witwassen opleveren. Het hof acht bewezen (feit 5, primair) dat [medeverdachte 1] en [verdachte] feitelijke leiding hebben gegeven aan de door [verdachte rechtspersoon 1] gepleegde belastingfraude over de jaren 2010 tot en met 2013 en 2015. Deze belastingfraude bestaat eruit dat vennootschapsbelasting in Nederland is ontdoken door (handels-)winsten te verschuiven van [verdachte rechtspersoon 1] , gevestigd in Nederland, naar [bedrijf 2] , gevestigd in [plaats 2] . Voor de (bewijs)overwegingen die ten grondslag liggen aan dat oordeel, verwijst het hof naar hetgeen wordt overwogen onder C. In het verlengde hiervan acht het hof bewezen dat dit patroon van belastingfraude door [verdachte rechtspersoon 1] zich in ieder geval vanaf het jaar 1998 heeft voorgedaan. Hiertoe overweegt het hof in het bijzonder het volgende.
[verdachte rechtspersoon 1] heeft in de periode 1998 tot en met 2015 in totaliteit slechts fiscale verliezen gemaakt, zodanig dat in deze periode per saldo geen bedrag aan vennootschapsbelasting verschuldigd was. [35] Volgens een cijfermatige analyse van de Belastingdienst van de gedane aangiften vennootschapsbelasting is in de periode 1998 tot en met 2015 in totaal een belastbare winst gerealiseerd van negatief € 185.798. Dit gevoegd bij het feit dat in de periode 2002 tot en met 2015 (over de periode 1998 tot en met 2001 is de omzet niet meer na te gaan) redelijk stabiele omzetten werden gegenereerd tot een totaalbedrag van € 24.235.390, bij een inkoopwaarde van per saldo € 17.347.782, rechtvaardigt na bestudering van de administratie, het vermoeden dat in de opbrengst- en/of kostenstructuur onzakelijke elementen zijn geslopen die de belastbare winst hebben beïnvloed. [36]
Tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn aanwijzingen voor fiscale fraude gepleegd door [verdachte rechtspersoon 1] naar voren gekomen. Zo is geconstateerd dat zeker vanaf het jaar 1998 sprake is van transacties tussen [verdachte rechtspersoon 1] (opgericht in 1989) en [bedrijf 2] (opgericht in 1994). Aannemelijk is dat ook vóór 1998 sprake was van transacties tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] . Uit de door [medeverdachte 1] en [verdachte] ondertekende “Partnership Agreement” d.d. 1 november 2012 volgt dat de ondernemingen van [medeverdachte 1] en [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] ) reeds sinds 1994 een “agency, joint venture and partnership business relations of international trades in auto spare parts and others” hebben. [37] Daarnaast heeft [verdachte] ter terechtzitting van de rechtbank van 15 november 2021 verklaard dat hij eerst handelde via [bedrijf 13] en daarna via [verdachte rechtspersoon 1] door aan afnemers een provisie bovenop de koopprijs in rekening te brengen. Na de oprichting van [bedrijf 2] in 1994 veranderde er feitelijk niets aan de werkzaamheden van [verdachte] , behoudens dat de in- en verkopen voortaan voor [bedrijf 2] waren en via [bedrijf 2] facturen werden verstuurd. Die facturen werden opgemaakt door [betrokkene 4] en later door [medeverdachte 1] . [38] [medeverdachte 1] heeft bevestigd dat zij de laatste jaren de facturen voor [bedrijf 2] maakte. [39]
Uit het door de Belastingdienst/Douane verstrekte overzicht van de uitvoeraangiften van [verdachte rechtspersoon 1] volgt dat in ieder geval vanaf 2005 zogenoemde ABC-transacties plaatsvinden tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] . Dit houdt in dat [verdachte rechtspersoon 1] de goederen rechtstreeks aan de afnemers van [bedrijf 2] leverde. Er werden derhalve geen goederen fysiek aan [bedrijf 2] in [plaats 2] geleverd. Deze ABC-transacties werden gebruikt om winst die feitelijk aan [verdachte rechtspersoon 1] toekwam te verschuiven naar [bedrijf 2] in [plaats 2] . In tegenstelling tot wat [medeverdachte 1] en [verdachte] de buitenwereld hebben proberen voor te spiegelen, [40] is [bedrijf 2] naar het oordeel van het hof géén onafhankelijke handelspartner van [verdachte rechtspersoon 1] . Het persoonlijke en zakelijke leven van [medeverdachte 1] en [verdachte] is dusdanig met elkaar verweven, dat zij feitelijk fungeren als één economische eenheid, te weten als “het concern” van [medeverdachte 1] en [verdachte] . [41] [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn degenen die in de jaren 1998 tot en met 2015 de gang van zaken bij zowel [verdachte rechtspersoon 1] als [bedrijf 2] konden bepalen en daarmee het economische resultaat van die vennootschapen naar believen konden verdelen. De bij de ABC-transacties betrokken goederen werden door [verdachte rechtspersoon 1] ingekocht en in de loods in [plaats 3] opgeslagen. Na verkoop werden de goederen rechtstreeks door [verdachte rechtspersoon 1] aan de afnemer geleverd. Uit het dossier blijkt dat [verdachte] actief betrokken was bij de inkoop en voorraadbepaling van [verdachte rechtspersoon 1] . Zo verklaart [betrokkene 2] dat [verdachte] degene was die de inkoopwaarde doorgaf van non licensed goederen op voorraad bij [verdachte rechtspersoon 1] , omdat hij – en hij alleen – de waarde van die goederen kende en wist waarvoor er werd ingekocht. [42] [verdachte] bevestigt dat hij zich bemoeide met de in- en verkoop van [verdachte rechtspersoon 1] en dat “wat er staat” – het hof begrijpt: de voorraad van [verdachte rechtspersoon 1] in de loods in [plaats 3] – door hem is ingekocht. [43] Ook [medeverdachte 1] verklaart dat [verdachte] inkocht voor [verdachte rechtspersoon 1] . [44] Daarnaast was [verdachte] actief betrokken bij het bepalen van de verkoopprijzen van goederen bij [verdachte rechtspersoon 1] . In verschillende tapgesprekken informeert [medeverdachte 1] bij [verdachte] wat de prijs voor bepaalde onderdelen moet zijn. [45] [medeverdachte 1] bevestigt dat [verdachte rechtspersoon 1] zich regelmatig laat adviseren over verkoopprijzen door [verdachte] . Zij vraagt altijd aan [verdachte] wat de prijs is om te verkopen. [46] [verdachte] weet alles uit zijn hoofd, kent heel veel mensen en bepaalt de inkoop- en verkoopprijzen altijd zelf in de branche, aldus [medeverdachte 1] . [47] Het voorgaande bevestigt dat [verdachte] beschikte over de kennis aangaande de voorraad van [verdachte rechtspersoon 1] en de in- en verkoopwaarde van de in die voorraad opgeslagen goederen. Tevens beschikte hij over het netwerk om de transacties tot stand te kunnen brengen. Hij is volgens [medeverdachte 1] immers “een legend” in de handel. [48] Van een onafhankelijke partij in de vorm van [bedrijf 2] c.q. [verdachte] ten opzichte van [verdachte rechtspersoon 1] is in het geheel geen sprake. Een inkoop via [verdachte rechtspersoon 1] en een verkoop via [bedrijf 2] heeft gelet op het voorgaande dan ook geen enkele economische realiteit. [bedrijf 2] fungeerde feitelijk slechts als een bankrekening in [plaats 2] waarop een deel van de transactiewinst kon worden afgeroomd.
Tot september 2014 beschikte [bedrijf 2] over twee op naam gestelde bankrekeningen bij de [bank 1] in [plaats 2] . [49] [medeverdachte 1] en [verdachte] waren beiden gemachtigd tot deze bankrekeningen. [50] In 1999 wordt het correspondentieadres van deze bankrekeningen gewijzigd in [medeverdachte 1] , [adres 1] . [51] Volgens [verdachte] stonden de bankafschriften van [bedrijf 2] in [adres 1] in de kast. [medeverdachte 1] zou volgens [verdachte] de gehele administratie doen van [bedrijf 2] . [verdachte] kreeg die bankafschriften te zien als hij in [adres 1] was (het hof begrijpt: [adres 1] ). [52] In 2012 wordt bij de [bank 2] in [plaats 2] een gezamenlijke rekening (en/of rekening) ten name van [medeverdachte 1] en [verdachte] geopend. [53] Omdat [medeverdachte 1] en [verdachte] samen zaken doen, hebben zij een gezamenlijke rekening geopend. [54] Deze rekening wordt geopend ten behoeve van [bedrijf 2] . [55] [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het betalingsverkeer van [bedrijf 2] eerst binnenkwam op de bankrekeningen bij [bank 1] en vanaf 2012 op de gezamenlijke rekening bij [bank 2] . [56] [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij de bankrekeningen kon inzien en de bankafschriften ontving. [57] [medeverdachte 1] deed ook betalingen namens [bedrijf 2] . [58] Dit is bevestigd door [verdachte] . [59] [medeverdachte 1] had als enige de toegang tot internetbankieren en deed ook daarmee betalingen. [verdachte] werd daarover door [medeverdachte 1] op de hoogte gehouden. [60] [verdachte] heeft verklaard dat alle ontvangsten van de handel van [bedrijf 2] binnenkwamen op de gezamenlijke bankrekening en dat dit het gezamenlijk vermogen van [medeverdachte 1] en [verdachte] was. [61] Zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] ontvingen bedragen op die bankrekening, [62] maar zij hebben nooit een splitsing gemaakt van de inkomende en uitgaande bedragen. Zoals [medeverdachte 1] het verwoordde: “Iedereen neemt wat hij nodig heeft”. [63] Zo is geconstateerd dat voor een totaal bedrag van USD 1.770.000 van de bankrekening van [bedrijf 2] , rekeningnummer [rekeningnummer] , is overgeschreven onder vermelding van “ [medeverdachte 1] ”. Deze overboekingen vonden plaats in een zevental mutaties in de periode september 2011 tot en met juli 2013. [64]
Over het motief om winsten in [plaats 2] te laten neerslaan, is [verdachte] zoals hiervoor is overwogen van meet af aan duidelijk geweest: dit is fiscaal ingegeven. In [plaats 2] vindt geen belastingheffing plaats over activiteiten die fysiek buiten [plaats 2] plaatsvinden en niet hun oorsprong in [plaats 2] hebben. Daarnaast zijn de informatieverplichtingen daarover jegens de lokale belastingautoriteiten relatief beperkt.
De bij de doorzoeking in het bedrijfspand van [verdachte rechtspersoon 1] aangetroffen facturen bevestigen het beeld dat [verdachte rechtspersoon 1] een te lage winst heeft aangegeven in de aangiften vennootschapsbelasting doordat handelswinsten zijn verschoven naar [bedrijf 2] , gevestigd in [plaats 2] . [65] Het totaalbedrag van de vanaf 1998 tot en met 2015 niet aangegeven winsten bedraagt volgens de Belastingdienst € 15.857.279. Het daarmee samenhangende bedrag aan vennootschapsbelasting is € 4.729.793. [66] Van vóór 1998 zijn geen gegevens bekend.
Dit bedrag aan niet-afgedragen vennootschapsbelasting van € 4.729.793 moet naar het oordeel van het hof als ‘uit misdrijf verkregen’ worden beschouwd en is in de loop der jaren zozeer vermengd geraakt met het overige (legale) vermogen van [medeverdachte 1] en [verdachte] dat het niet meer kan worden onderscheiden en geïndividualiseerd. Dit heeft tot gevolg dat het gehele vermogen – en nadien elke betaling daaruit – moet worden aangemerkt als (middellijk) gedeeltelijk van misdrijf afkomstig in de zin van artikel 420bis Sr. [67] Daarbij neemt het hof in overweging het structurele karakter van de vermenging en de omstandigheid dat het gaat om een aanzienlijk uit misdrijf afkomstig vermogen van bijna € 5 miljoen, ook bezien in verhouding tot het totale vermogen van ongeveer € 46 miljoen in 2017. [verdachte] heeft verklaard dat [verdachte rechtspersoon 5] zelf geen geld heeft en dat het geld dat [verdachte rechtspersoon 5] uitleent van hem en [medeverdachte 1] afkomstig is. [68] [medeverdachte 1] verklaart dat het in [verdachte rechtspersoon 5] geld afkomstig is van haarzelf. [69] Het hof constateert dat de door [verdachte rechtspersoon 1] ontdoken belasting via [medeverdachte 1] en [verdachte] in verband staat met het vermogen van [verdachte rechtspersoon 5] . Zoals eerder benoemd: [medeverdachte 1] en [verdachte] “namen wat zij nodig hadden” vanaf de bankrekening(en) van [bedrijf 2] , waarop de winst die feitelijk aan [verdachte rechtspersoon 1] toekwam werd afgeroomd. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de geldbedragen uit het vermogen van [verdachte rechtspersoon 5] , die – al dan niet via [verdachte rechtspersoon 2] – zijn uitgeleend aan [bedrijf 9] , [bedrijf 10] (feit 1) en [bedrijf 11] (feit 2), moeten worden aangemerkt als gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig uit enig misdrijf.
Zoals hiervoor overwogen leidt het hof uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzittingen af dat het geld dat [verdachte rechtspersoon 5] – al dan niet via [verdachte rechtspersoon 2] – uitleent afkomstig is van [medeverdachte 1] en [verdachte] . Het hof beschouwt het tussenschuiven van de in [plaats 2] gevestigde vennootschap [verdachte rechtspersoon 5] slechts als een verhullingshandeling. Hierbij neemt het hof in overweging dat de aandelen in [verdachte rechtspersoon 5] vanaf de oprichting op 16 april 1997 tot augustus 2007 in handen waren van diverse op de Britse Maagdeneilanden en in [plaats 2] gevestigde vennootschappen, alsmede de zus van [medeverdachte 1] . [70] In augustus 2007 zijn de aandelen in [verdachte rechtspersoon 5] overgedragen aan [medeverdachte 2] , maar uit de in opdracht van [medeverdachte 1] en [verdachte] opgemaakte ‘declarations of trust’ blijkt dat de feitelijke beschikkingsmacht over de aandelen steeds bij [medeverdachte 1] en [verdachte] is gebleven. [71] Die constructie leidde ertoe dat [medeverdachte 1] en [verdachte] onzichtbaar bleven in het handelsregister. Dergelijke ‘declarations of trust’ zijn ook gebruikt door [medeverdachte 1] en [verdachte] in relatie tot [bedrijf 14] alsmede de zus van [medeverdachte 1] , die zoals hiervoor genoemd de aandelen in [verdachte rechtspersoon 5] in haar bezit heeft gehad. [72] Dat het gebruik van een trustconstructie ‘de standaard praktijk’ weerspiegelde, zoals door de verdediging nog is gesteld, doet er naar het oordeel van het hof niet aan af dat sprake is van verhulling. Daarnaast zijn met de genoemde [medeverdachte 2] valse leningsovereenkomsten gesloten, welke door [verdachte rechtspersoon 5] zijn gebruikt als ware echt en onvervalst (zie hiervoor hetgeen hierna is overwogen onder B.3.1. e.v.). Hetgeen door de verdediging in dat kader ter verweer is aangevoerd (zie onder A.2.5.) wordt door het hof verworpen. Vanaf 4 februari 2013 zijn de aandelen in [verdachte rechtspersoon 5] in handen van de medeverdachte [medeverdachte 1] . [73]
[verdachte] en [medeverdachte 1] waren ten tijde van het sluiten van de leningsovereenkomsten de ultimate beneficial owners van [verdachte rechtspersoon 5] en [verdachte rechtspersoon 2] . Zij waren degenen die de gang van zaken bij die vennootschappen bepaalden.
A.4. Conclusie
Het hof acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] feitelijke leiding hebben gegeven aan het medeplegen van witwassen door [verdachte rechtspersoon 2] (feit 1, primair) en het plegen van witwassen door [verdachte rechtspersoon 5] (feit 2, primair), zoals hiervoor in de bewezenverklaring is vermeld. Alle door de verdediging gevoerde verweren worden aldus op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen verworpen.
Valsheid in geschrift (feit 3)
B.1. Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het vonnis van de rechtbank – zowel wat betreft de beslissingen als de motivering daarvan– juist is. In de kern komt de motivering van de rechtbank voor wat betreft feit 3 en daarmee in zoverre het standpunt van de advocaat-generaal op het volgende neer. [74]
De advocaat-generaal concludeert evenals de rechtbank dat de drie leningsovereenkomsten tussen [medeverdachte 2] en [verdachte rechtspersoon 5] zijn opgemaakt met als enige doel de ware herkomst van het geld te verhullen. Ten tijde van het opmaken en ondertekenen van de leningsovereenkomsten op 15 juli 2007 en 7 november 2008 waren er geen leningsovereenkomsten tussen [verdachte rechtspersoon 5] enerzijds en [bedrijf 9] en [bedrijf 10] anderzijds. Er waren slechts leningsovereenkomsten tussen [verdachte rechtspersoon 2] enerzijds en [bedrijf 9] en [bedrijf 10] anderzijds. Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] blijkt voorts dat [medeverdachte 2] feitelijk nooit geld heeft verstrekt aan [verdachte rechtspersoon 5] . Op papier is een schijnwerkelijkheid ontstaan dat [medeverdachte 2] de geldverstrekker is van [verdachte rechtspersoon 5] .
B.2. Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – ten aanzien van feit 3 in de kern het volgende bepleit.
B.2.1. Geen criminele herkomst van de door [verdachte rechtspersoon 5] uitgeleende gelden
Volgens de verdediging dient voor een veroordeling voor valsheid in geschrift sprake te zijn van het verhullen van een criminele herkomst van de door [verdachte rechtspersoon 5] uitgeleende gelden. Van een criminele herkomst is geen sprake, zodat ook geen sprake is van valsheid in geschrift met het oog op het verhullen van een criminele herkomst.
B.2.2. Geen sprake van valsheid
De verdediging heeft bepleit dat [medeverdachte 2] en [verdachte rechtspersoon 5] bij ondertekening van de vermeend valse geldleningsovereenkomsten voornemens waren om uitvoering te geven aan de in die overeenkomsten gemaakte afspraken. Dat die afspraken niet zijn gerealiseerd, maakt de geldleningsovereenkomsten niet valselijk opgemaakt. De overeenkomsten zijn volgens de verdediging juridisch authentiek en binnen Hongkong geldig verklaard, feitelijk (deels) uitgevoerd door daadwerkelijke betalingen en onderdeel van een reële trust- en financieringsstructuur.
B.2.3. Geen sprake van opzet / oogmerk
De verdediging heeft bepleit dat het voor de bewezenverklaring vereiste (voorwaardelijk) opzet op het valselijk opmaken ontbreekt, evenals het vereiste oogmerk om de geldleningsovereenkomsten als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken. De overeenkomsten zijn volgens de verdediging nimmer gebruikt om derden te misleiden.
B.2.4. Geen sprake van feitelijk leidinggeven
Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat geen sprake is van feitelijk leidinggeven. De ondertekenaar namens [verdachte rechtspersoon 5] was [betrokkene 5] . [verdachte] had geen uitvoerende rol, woonde in die periode in het buitenland en stond sinds 2011 niet meer als directeur geregistreerd.
B.3. Beoordeling
B.3.1. Geen criminele herkomst van de door [verdachte rechtspersoon 5] uitgeleende gelden
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat opdracht en/of feitelijke leiding is gegeven aan het door [verdachte rechtspersoon 5] valselijk opmaken of vervalsen van een drietal leningsovereenkomsten, welke overeenkomsten bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, door daarin valselijk en/of in strijd met de waarheid op te nemen dat de in die leningsovereenkomsten vermelde geldbedragen verstrekt waren en/of zouden worden door [medeverdachte 2] aan [verdachte rechtspersoon 5] , terwijl in werkelijkheid geen sprake was van door [medeverdachte 2] verstrekte en/of te verstrekken leningen. Aldus wordt [medeverdachte 1] en [verdachte] verweten dat zij de herkomst van de door [verdachte rechtspersoon 5] uitgeleende gelden hebben verhuld en niet zozeer het criminele aspect daarvan. Dat van een criminele herkomst geen sprake is, hetgeen het hof zoals hiervoor is overwogen overigens uitdrukkelijk anders ziet, acht het hof niet relevant voor het antwoord op de vraag of het tot een bewezenverklaring van valsheid in geschrift kan komen.
Het hof stelt op basis van het dossier vast dat [verdachte rechtspersoon 5] in 2007 in korte tijd meer dan € 20 miljoen uitleent aan diverse al dan niet verbonden partijen. [75] Tot 7 augustus 2007 waren de aandelen in [verdachte rechtspersoon 5] (middellijk, via [bedrijf 15] en [bedrijf 14] ) in handen van [medeverdachte 1] en [verdachte] . [76] Op 7 augustus 2007 worden alle aandelen in [verdachte rechtspersoon 5] overgedragen aan [medeverdachte 2] . [77] [medeverdachte 2] blijft (enig) aandeelhouder in [verdachte rechtspersoon 5] tot 4 februari 2013, op welke datum alle aandelen in [verdachte rechtspersoon 5] overgaan op de medeverdachte [medeverdachte 1] [78] . Eveneens op 7 augustus 2007 worden twee ‘declarations of trust’ ondertekend tussen [medeverdachte 2] enerzijds en de medeverdachte [medeverdachte 1] en [verdachte] anderzijds. [79] Uit deze trustovereenkomsten volgt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] de begunstigden (beneficial owners) zijn van [verdachte rechtspersoon 5] . Deze ‘declarations of trust’ zijn in opdracht van [medeverdachte 1] en [verdachte] opgesteld. [80] Hiermee blijft de betrokkenheid van [medeverdachte 1] en [verdachte] onzichtbaar voor de autoriteiten en andere derden. In de drie leningsovereenkomsten is opgenomen dat [medeverdachte 2] geld leent aan [verdachte rechtspersoon 5] , terwijl het geld in werkelijkheid nooit door [medeverdachte 2] aan [verdachte rechtspersoon 5] is verstrekt. Uit niets bleek destijds de betrokkenheid bij [verdachte rechtspersoon 5] van de daadwerkelijke geldschieters, te weten de medeverdachte [medeverdachte 1] en [verdachte] . Sterker nog, tijdens een gesprek tussen [medeverdachte 1] , [verdachte] en de Belastingdienst op 6 september 2011 – aldus ruim vier jaar na de data van de geldleningsovereenkomsten – wordt door [verdachte] verklaard dat de leningen van [verdachte rechtspersoon 5] aan [bedrijf 10] (via [verdachte rechtspersoon 2] ) grotendeels afkomstig zijn van “meneer [medeverdachte 1] , aandeelhouder van [verdachte rechtspersoon 5] ”. Het hof begrijpt dat [verdachte] hiermee doelt op [medeverdachte 2] . Slechts een klein deel van het uitgeleende geld zou van [verdachte] zelf afkomstig zijn. [verdachte] verklaart dat hij directeur is van [verdachte rechtspersoon 5] en aandeelhouder van [verdachte rechtspersoon 2] . [81] Dat [verdachte] (en [medeverdachte 1] ) op dat moment de ultimate beneficial owners zijn van [verdachte rechtspersoon 5] en tevens de daadwerkelijke geldschieters wordt niet door [medeverdachte 1] en [verdachte] aan de Belastingdienst gemeld. Hieruit volgt dat [verdachte rechtspersoon 5] de leningsovereenkomsten heeft gebruikt als ware zij echt en onvervalst.
B.3.2. Geen sprake van valsheid
Het hof stelt vast dat aan hetgeen in de drie leningsovereenkomsten is afgesproken, te weten dat [medeverdachte 2] leningen van respectievelijk € 6.150.000, US$ 13.500.000 en € 5.000.000 verstrekt aan [verdachte rechtspersoon 5] , nooit uitvoering is gegeven. Dat [medeverdachte 2] en [verdachte rechtspersoon 5] ten tijde van de ondertekening van de geldleningsovereenkomsten voornemens waren om uitvoering te geven aan de geldleningsovereenkomsten, acht het hof volstrekt ongeloofwaardig. Uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzittingen is niet gebleken dat - zoals door de verdediging is aangevoerd - de leningsovereenkomsten feitelijk (deels) zijn uitgevoerd door daadwerkelijke betalingen. Naar het oordeel van het hof zijn deze overeenkomsten in strijd met de werkelijkheid opgemaakt. Daarnaast is uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzittingen gebleken dat de leningsovereenkomsten zijn gebruikt als ware zij echt en onvervalst, zie hiervoor hetgeen is overwogen onder B.3.1. De bedoeling om daadwerkelijk uitvoering te geven aan hetgeen in de leningsovereenkomsten was opgenomen, wordt hierdoor weersproken. Dat de leningsovereenkomsten een stempel van de [plaats 2] Stamp Duty Office bevatten, bevestigt naar het oordeel van het hof – anders dan door de verdediging is aangevoerd – niet de authenticiteit daarvan, maar juist de aanwezigheid van het oogmerk (zie hierna onder B.3.3.) om die overeenkomsten als ware echt en onvervalst te gebruiken.
B.3.3. Geen sprake van opzet / oogmerk
Zoals reeds overwogen onder B.3.1. en B.3.2. is uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzittingen gebleken dat de leningsovereenkomsten zijn gebruikt als ware zij echt en onvervalst. Het hof leidt hieruit het voor de bewezenverklaring vereiste (voorwaardelijk) opzet op het valselijk opmaken, evenals het vereiste oogmerk om de leningsovereenkomsten als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken, af.
B.3.4. Geen sprake van feitelijk leidinggeven
[medeverdachte 1] en [verdachte] waren ten tijde van het opmaken en tekenen van de leningsovereenkomsten de ultimate beneficial owners van [verdachte rechtspersoon 5] . Zij waren degenen die de gang van zaken bij die vennootschap bepaalden. Gelet hierop is het hof van oordeel dat [medeverdachte 1] en [verdachte] feitelijke leiding hebben gegeven aan het plegen van valsheid in geschrift door [verdachte rechtspersoon 5] (feit 3, primair).
B.4. Conclusie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] feitelijke leiding hebben gegeven aan het plegen van valsheid in geschrift door [verdachte rechtspersoon 5] (feit 3, primair), zoals hiervoor in de bewezenverklaring is vermeld.
Opzettelijk doen van onjuiste en/of onvolledige aangiften (feit 5)
C.1. Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het vonnis van de rechtbank – zowel wat betreft de beslissingen als de motivering daarvan – juist is. In de kern komt de motivering van de rechtbank voor wat betreft feit 5 en daarmee in zoverre het standpunt van de advocaat-generaal op het volgende neer. [82]
De advocaat-generaal constateert evenals de rechtbank dat [medeverdachte 1] en [verdachte] na de oprichting van [bedrijf 2] in 1994 op dezelfde voet als voorheen intensief zijn blijven samenwerken en dat de plaats [plaats 2] geen enkele rol van betekenis heeft gespeeld in de handel in legeronderdelen door [medeverdachte 1] en [verdachte] . Het enige tastbare in [plaats 2] zijn de bankrekeningen waar zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] voor gemachtigd zijn. Eenzelfde patroon is eveneens geconstateerd met betrekking tot de positie van [bedrijf 12] en [verdachte rechtspersoon 5] bij de eerder besproken feiten.
Vanaf de oprichting van [bedrijf 2] in 1994 tot 2016 is aan de Nederlandse instanties verzwegen dat [verdachte] achter [bedrijf 2] zit. Ook is verzwegen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] een persoonlijke relatie hadden, zelfs een lange periode getrouwd waren en feitelijk bijna niet van elkaars zijde weken. Evenmin is vermeld dat [medeverdachte 1] feitelijk de administratieve touwtjes van [bedrijf 2] in handen had, nu [verdachte] niet met computers werkte. [medeverdachte 1] was gemachtigd op de bankrekeningen van [bedrijf 2] en maakte de facturen op. Verder ontving zij zelf ook substantiële bedragen van de bankrekening van [bedrijf 2] , terwijl de betalingen tussen [bedrijf 2] en [verdachte rechtspersoon 1] enkel via een rekening-courantverhouding liepen.
[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben in strijd met de werkelijkheid doen voorkomen dat [bedrijf 2] een externe partij was die een zelfstandige functie vervulde in de handel tussen [verdachte rechtspersoon 1] en derden, terwijl [bedrijf 2] in feite niet was aan te merken als een onderneming die in de periode 1994 tot 2016 autonoom handel dreef. Alles vond plaats onder regie van [medeverdachte 1] en [verdachte] . In werkelijkheid was dus sprake van het kunstmatig laag houden van de winst van [verdachte rechtspersoon 1] in Nederland via een schijnconstructie.
C.2. Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – ten aanzien van feit 5 in de kern het volgende bepleit.
C.2.1. Vrijspraak feit 4 leidt tot vrijspraak feit 5
Volgens de verdediging is de vermeende fiscale onjuistheid en/of onvolledigheid (feit 5) afgeleid van de veronderstelde valse administratie (feit 4). Indien de administratie feitelijk en juridisch juist wordt bevonden, kan geen sprake zijn van het doen van onjuiste en/of onvolledige belastingaangiften in de zin van artikel 69 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).
C.2.2. Geen sprake van onjuiste belastingaangiften en fiscale benadeling
De verdediging heeft aangevoerd dat, voor zover het hof van oordeel is dat sprake is van gelieerdheid tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] , geen sprake is van onzakelijk handelen tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] . De winstverdeling tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] komt volgens de verdediging overeen met de Profit Split-methode volgens de OECD Transfer Pricing Guidelines en de gehanteerde prijzen voldoen aan het ‘arm’s length-beginsel’.
C.2.3. Geen sprake van feitelijk leidinggeven en/of opzet
Volgens de verdediging is geen sprake van feitelijk leidinggeven, omdat de verdachte geen actieve rol heeft gespeeld bij het opstellen van de aangiften vennootschapsbelasting en de boekhouding. De verdachte had hooguit een toezichthoudende functie, hetgeen feitelijke leiding en/of opzet uitsluit.
C.3. Beoordeling
C.3.1. Vrijspraak feit 4 leidt tot vrijspraak feit 5
Het hof komt, evenals de rechtbank, op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzittingen tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte rechtspersoon 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk doen van onjuiste en/of onvolledige aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 en 2015 en dat [medeverdachte 1] en [verdachte] hieraan feitelijke leiding hebben gegeven.
Het hof heeft onder A.3.3 geoordeeld dat het bewezen acht dat zich in ieder geval vanaf het jaar 1998 een patroon van belastingfraude door [verdachte rechtspersoon 1] heeft voorgedaan, waarin de winst die feitelijk aan [verdachte rechtspersoon 1] toekwam door middel van ABC-transacties werd verschoven naar [bedrijf 2] in [plaats 2] . [verdachte rechtspersoon 1] heeft de betalingen aan [bedrijf 2] in het kader van de ABC-transacties jegens de Nederlandse fiscus voorgewend als een “at arm’s length-prijs” die door [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] is voldaan, ervan uitgaande dat zij onafhankelijke derden van elkaar zijn. Zoals het hof hiervoor onder A.3.3 heeft overwogen, is het persoonlijke en zakelijke leven van [medeverdachte 1] en [verdachte] echter dusdanig met elkaar verweven, dat zij feitelijk fungeren als één economische eenheid, te weten als “het concern” van [medeverdachte 1] en [verdachte] . [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] kunnen aldus niet als onafhankelijke derden worden beschouwd.
Tegen de achtergrond van hetgeen is overwogen onder A.3.3, overweegt het hof ten aanzien van het onder feit 5 (primair) tenlastegelegde in het bijzonder nog het volgende:
De inspecteur van de Belastingdienst heeft [verdachte rechtspersoon 1] uitgenodigd tot het doen van aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 en 2015. Deze aangiften zijn respectievelijk op 9 december 2011, 16 januari 2013, 18 februari 2014, 22 oktober 2014 en 29 november 2016 ingediend. [83] De aangiften vennootschapsbelasting 2010 tot en met 2013 zijn ingediend door [getuige 8] (en [bedrijf 16] ). De getuige (belastingadviseur) [getuige 8] heeft verklaard dat hij de opdracht hiervoor kreeg van [medeverdachte 1] . Zij leverde ook de stukken aan hem aan. [84] De aangifte vennootschapsbelasting 2015 is ingediend door [bedrijf 17] [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [bedrijf 17] op een zeker moment verantwoordelijk is geworden voor het opmaken van de jaarstukken en het vervolgens indienen van de aangiften vennootschapsbelasting. De jaarstukken werden met [medeverdachte 1] besproken en zij kreeg altijd een kopie van de aangifte. [85] Getuige [getuige 9] , werkneemster bij [verdachte rechtspersoon 1] , heeft verklaard dat zij ervoor zorgde dat de financiële administratie bij [bedrijf 17] terecht kwam. Zij zette de inkomende en uitgaande facturen klaar in het systeem voor [medeverdachte 1] , die als enige de facturen kon valideren. [86]
Het hof is van oordeel dat [verdachte rechtspersoon 1] in de jaren 2010 tot en met 2013 en 2015 een te lage winst in de aangiften vennootschapsbelasting heeft opgegeven door een deel van die winst bij [bedrijf 2] in [plaats 2] te laten neervallen. Hierdoor is er over de genoemde jaren te weinig vennootschapsbelasting geheven.
De veronderstelling van de verdediging dat de vrijspraak van het onder feit 4 tenlastegelegde moet leiden tot een vrijspraak van het onder feit 5 tenlastegelegde, wordt door het hof verworpen. Zoals reeds overwogen onder de motivering van de vrijspraak van het onder feit 4 tenlastegelegde, doet die vrijspraak immers niets af aan het oordeel van het hof dat de prijs die door [verdachte rechtspersoon 1] aan [bedrijf 2] is gefactureerd een onzakelijke prijs is, dat de winst behaald bij bepaalde transacties op onzakelijke gronden is afgeroomd naar [bedrijf 2] en dat die winst aan [verdachte rechtspersoon 1] is onttrokken. Het verweer van de verdediging wordt aldus verworpen.
C.3.2. Geen sprake van onjuiste belastingaangiften en fiscale benadeling
Het hof stelt vast dat de belastingkamer van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 10 december 2025 [87] uitspraak heeft gedaan in de fiscale zaak betreffende de aan [verdachte rechtspersoon 1] opgelegde navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2005 tot en met 2015. In deze uitspraak is ten aanzien van de door de verdediging opgeworpen verweren het volgende overwogen en geoordeeld, waar met “belanghebbende” de vennootschap [verdachte rechtspersoon 1] wordt bedoeld:
4.7.4. Het hof oordeelt ten aanzien van de realiteitswaarde van [bedrijf 2] als volgt.
4.7.4.1. Belanghebbende is opgericht in 1989 (…). In 1994 heeft [verdachte] in [plaats 2] [bedrijf 2] opgericht, zijnde een vehikel zonder rechtspersoonlijkheid (…). [verdachte] heeft verklaard dat hij altijd actief is geweest in de surplushandel - de handel in legeronderdelen -, dat hij die werkzaamheden vóór de oprichting van [bedrijf 2] samen met [medeverdachte 1] vanuit belanghebbende heeft verricht en dat er na de oprichting van [bedrijf 2] feitelijk niets in zijn werkzaamheden is veranderd (…).
4.7.4.2. Het hof neemt verder in aanmerking dat [bedrijf 2] in [plaats 2] nooit eigen ruimte ter beschikking heeft gehad en vanaf medio 2014 niet meer over een eigen bankrekening beschikt (…). Weliswaar beschikte [bedrijf 2] tot medio 2014 over twee eigen bankrekeningen in [plaats 2] , maar deze zijn door toedoen van de [bank 1] in [plaats 2] medio 2014 beëindigd. Indien [bedrijf 2] een eenmanszaak van [verdachte] zou zijn geweest, had het naar het oordeel van het hof voor de hand gelegen dat [verdachte] op zijn naam een bankrekening in [plaats 2] had geopend, indien een bankrekening op naam van [bedrijf 2] niet meer tot de mogelijkheden behoorde. In plaats daarvan heeft [verdachte] medio 2014 samen met [medeverdachte 1] een gezamenlijke bankrekening in [plaats 2] geopend, zijn betalingen van en aan [bedrijf 2] via die gezamenlijke bankrekening gedaan en is - zoals [medeverdachte 1] ter zitting van het hof van 25 september 2025 heeft verklaard - nooit bijgehouden welke betalingen betrekking hebben op [verdachte] , [medeverdachte 1] respectievelijk [bedrijf 2] . Behalve een registratie van [bedrijf 2] in de ‘Business Registration Office’, een vestigingsadres ten kantore van [bedrijf 18] , twee bankrekeningen van [bedrijf 2] tot medio 2014 en een gezamenlijke bankrekening van [medeverdachte 1] en [verdachte] vanaf medio 2014 zijn er in [plaats 2] geen feitelijke aanknopingspunten voor ondernemingsactiviteiten. Genoemde aanknopingspunten zijn onvoldoende voor het oordeel dat [verdachte] in de onderhavige jaren in [plaats 2] een onderneming uitoefent.
4.7.4.3. Het hof heeft reeds aannemelijk geacht dat [verdachte] naar buiten toe “het gezicht” van belanghebbende is (zie 4.6.5). Belanghebbende heeft verklaard dat [verdachte] altijd belangrijk voor haar is geweest, gelet op zijn kennis en zijn klantenkring en dat haar klanten het liefst enkel met [verdachte] - als bemiddelaar of handelspartner - handel dreven.34 [medeverdachte 1] heeft ter zitting van het hof van 25 september 2025 verklaard dat de uiteindelijke afnemers meestal klanten van [verdachte] waren en dat zelfs [bedrijf 19] uit [plaats 1] - het bedrijf van de zwager van [medeverdachte 1] - altijd zaken deed met [verdachte] in persoon en niet met [medeverdachte 1] (…). [medeverdachte 1] heeft verklaard dat in de administratie van belanghebbende in de jaren 2005 tot en met 2015 107 transacties met [bedrijf 2] zijn verwerkt.35 Deze transacties betreffen ABC-transacties (zie 4.6.5). Niet in geschil is dat belanghebbende in de jaren 2005 tot en met 2015 geen goederen rechtstreeks fysiek aan [bedrijf 2] heeft verzonden en dat belanghebbende de goederen betreffende die 107 transacties rechtstreeks fysiek naar de uiteindelijke afnemers heeft verzonden. [medeverdachte 1] heeft ter zitting van het hof van 25 september 2025 desgevraagd verklaard dat bij transacties die belanghebbende rechtstreeks met de uiteindelijke afnemers sloot, die afnemers op de bankrekeningen van [bedrijf 2] dan wel op de gezamenlijke bankrekening van [medeverdachte 1] en [verdachte] in [plaats 2] betaalden en de financiële afwikkeling tussen [bedrijf 2] en belanghebbende in rekening-courant werd verwerkt. In het licht van hetgeen in 4.7.4.2 is geoordeeld, rechtvaardigt dit de conclusie dat belanghebbende zich met [bedrijf 2] vereenzelvigde en dat de uiteindelijke afnemers belanghebbende en [bedrijf 2] ook vereenzelvigden.
4.7.4.4. Verder heeft de inspecteur onweersproken gesteld dat belanghebbende haar vordering op [bedrijf 2] in rekening- courant, naar aanleiding van de ABC-transacties (zie 4.7.4.3), aan het eind van elk kwartaal omzette in een vordering op [bedrijf 12] , de rechtsvoorganger van [verdachte rechtspersoon 5] en later in een vordering op [verdachte rechtspersoon 5] .36 Belanghebbende heeft geen verklaring gegeven voor de omzetting van de vordering en voor de vervlechting met [verdachte rechtspersoon 5] .
4.7.4.5. Ook acht het hof van belang dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op 1 november 2012 de
Partnership Agreementhebben gesloten (…). Uit deze
agreementvolgt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] al sinds 1994 samenwerkten op het gebied van handel in onderdelen van voertuigen, dat zij hun samenwerking in 2012 wilden intensiveren en dat [medeverdachte 1] zich toen in [bedrijf 2] mocht inkopen als gelijkwaardige partner van [verdachte] voor een bedrag van $ 25.000. Het hof acht daarom aannemelijk dat er al sinds 1994 verwevenheid was tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . Gelet op de kennis en klantenkring van [verdachte] (zie 4.7.4.3) en de daaraan toe te rekenen winsten acht het hof het volstrekt niet zakelijk dat [medeverdachte 1] zich voor een bedrag van slechts $ 25.000 mocht inkopen in de zeer lucratieve onderneming van [verdachte] .
4.7.4.6. Verder neemt het hof in aanmerking dat [medeverdachte 1] niet alleen de facturen van belanghebbende opmaakte, maar ook die van [bedrijf 2] . [medeverdachte 1] heeft namelijk ter zitting van het hof van 25 september 2025 verklaard dat zij vanaf 2012 in opdracht van [verdachte] de facturen van [bedrijf 2] opmaakte. In die hoedanigheid had [medeverdachte 1] dus inzage in de prijsstelling van [bedrijf 2] . Verder heeft [medeverdachte 1] in opdracht van [verdachte] namens [bedrijf 2] e-mails verzonden en zich daarbij gepresenteerd als manager van [bedrijf 2] .37 Anderzijds deed [verdachte] soms de inkoop van belanghebbende (…). Het hof acht het ondenkbaar dat, ware belanghebbende en [bedrijf 2] onafhankelijke derden, aan [medeverdachte 1] en [verdachte] dergelijke wederzijdse, kruislingse bevoegdheden zouden zijn toegekend.
4.7.4.7. Verder neemt het hof in aanmerking dat [medeverdachte 1] op 22 januari 2013 alle aandelen in belanghebbende heeft overgedragen aan (een vennootschap van) [verdachte] . Het dossier biedt geen enkel inzicht in de reden van de aandelenoverdracht en de overdrachtsprijs.
4.7.5. Gelet op al het vorenstaande is het hof van oordeel dat aan [bedrijf 2] geen realiteitswaarde toekomt. Naar het oordeel van het hof moeten de transacties en winsten van [bedrijf 2] worden toegerekend aan belanghebbende. De stelling van belanghebbende, dat zij en [bedrijf 2] twee afzonderlijke entiteiten zijn die
at arm’s lengthzaken met elkaar doen, acht het hof dus niet aannemelijk. Het rapport Westgeest (…), waarin is onderzocht of de transacties tussen belanghebbende met [bedrijf 2] tegen onzakelijke prijzen zijn geschied, kan niet tot een ander oordeel leiden. Dit rapport gaat immers uit van de – onjuiste - veronderstelling dat belanghebbende en [bedrijf 2] onafhankelijke derden zijn.
(…)
5. Beslissing
Het hof:
(…)
- vermindert de navorderingsaanslag VPB 2010 naar een belastbaar bedrag van € 107.082;
- vermindert de navorderingsaanslag VPB 2011 naar een belastbaar bedrag van € 573.561;
- vermindert de navorderingsaanslag VPB 2012 naar een belastbaar bedrag van € 529.660;
- vermindert de navorderingsaanslag VPB 2013 naar een belastbaar bedrag van € 313.074;
(…)
- vermindert de navorderingsaanslag VPB 2015 naar een belastbaar bedrag van € 140.410;
(…)
Onder vermelding van de volgende voetnoten:
Voetnoot 27: Bijlage 21 bij het nader stuk van belanghebbende in eerste aanleg van 23 november 2022.
Voetnoot 30: Bijlage 48 bij het nader stuk van de inspecteur van 19 juni 2025.
Voetnoot 34: Pleitnota in hoger beroep, punt 56 op pagina 15.
Voetnoot 35: “Analyse van [medeverdachte 1] (…)”, gevoegd bij het nader stuk van belanghebbende van 9 september 2025, pagina 8. De facturen van die 107 transacties zijn in bijlage BS bij dat nader stuk gevoegd.
Voetnoot 36: De inspecteur heeft daarbij verwezen naar bijlage 45 bij het verweerschrift in hoger beroep.
Voetnoot 37: Hogerberoepschrift punt 6.18.1.3.”
Het hof maakt uit het bovenstaande op dat – mede bezien de door de verdediging benoemde fiscaalrechtelijke aspecten – sprake is geweest van het doen van onjuiste en/of onvolledige aangiften vennootschapsbelasting 2010 tot en met 2013 en 2015 door [verdachte rechtspersoon 1] , terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig (vennootschaps)belasting werd geheven. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben naar het oordeel van het hof feitelijke leiding gegeven aan die gedragingen (zie hierna onder C.3.3.).
C.3.3. Geen sprake van feitelijk leidinggeven en/of opzet
[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben naar het oordeel van het hof aan deze door [verdachte rechtspersoon 1] gepleegde feiten feitelijke leiding gegeven. Hierbij stelt het hof voorop dat het persoonlijke en zakelijke leven van [medeverdachte 1] en [verdachte] dusdanig met elkaar zijn verweven, dat zij feitelijk fungeren als één economische eenheid, te weten als “het concern” van [medeverdachte 1] en [verdachte] . [88] Het hof verwijst in dat kader naar hetgeen is overwogen onder A.3.3.
Uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzittingen is gebleken dat [medeverdachte 1] vanaf de oprichting van [verdachte rechtspersoon 1] in 1989 tot heden enig bestuurder van [verdachte rechtspersoon 1] is geweest. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij de baas is van [verdachte rechtspersoon 1] , [89] dat zij sinds het begin alles beslist en de administratie voert. [90] [medeverdachte 1] was verantwoordelijk voor het (laten) opmaken van de facturen, zowel voor [verdachte rechtspersoon 1] als voor [bedrijf 2] , en was gerechtigd tot de bankrekeningen van [verdachte rechtspersoon 1] en [bedrijf 2] . Dit maakt dat zij volledig op de hoogte was van de winstverschuiving van [verdachte rechtspersoon 1] naar [bedrijf 2] . Dat [medeverdachte 1] zich daarnaast ook actief bemoeide met aangiften vennootschapsbelasting 2010 tot en met 2013 en 2015 blijkt tevens uit de hiervoor genoemde verklaringen van belastingadviseur [verdachte] en werkneemster [verdachte] . Verder was [medeverdachte 1] ten tijde van het indienen van de aangiften vennootschapsbelasting 2010 en 2011 enig aandeelhouder van [verdachte rechtspersoon 1] .
Vanaf 22 januari 2013 tot heden, aldus ten tijde van het indienen van de aangiften vennootschapsbelasting 2013 en 2015, is [verdachte rechtspersoon 3] enig aandeelhouder van [verdachte rechtspersoon 1] . [91] [verdachte] was ten tijde van het indienen van de aangiften vennootschapsbelasting 2013 en 2015 directeur-grootaandeelhouder van [verdachte rechtspersoon 3] . [92] Hoewel niet is gebleken dat [verdachte] zich actief bemoeide met de aangiften vennootschapsbelasting van [verdachte rechtspersoon 1] , is het hof niettemin van oordeel dat hij als feitelijke leidinggever dient te worden aangemerkt. De onjuistheid en/of onvolledigheid in de aangiften vennootschapsbelasting komt materieel bezien neer op het ten onrechte verschuiven van winst, toebehorende aan [verdachte rechtspersoon 1] , naar [bedrijf 2] . [bedrijf 2] was de eenmanszaak van [verdachte] , hij was gemachtigd tot de bankrekeningen van [bedrijf 2] en had – via [medeverdachte 1] – inzicht in de bankrekening(en) van [bedrijf 2] , zie hiervoor hetgeen is overwogen onder A.3.3. Daarnaast heeft [verdachte] verklaard dat hij op de hoogte was van de financiële gang van zaken en resultaten van [verdachte rechtspersoon 1] . Die werden hem medegedeeld door [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] . [93] [verdachte] was dus vanaf beide kanten op de hoogte van de financiën, maar heeft niets gedaan om te voorkomen dat door [verdachte rechtspersoon 1] onjuiste en/of onvolledige aangiften vennootschapsbelasting zouden worden ingediend. Gelet op het oordeel van het hof dat [medeverdachte 1] en [verdachte] opereerden als een “concern”, was hij daartoe wel bevoegd en redelijkerwijs ook gehouden. Het verweer van de verdediging faalt.
C.4. Conclusie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] feitelijke leiding hebben gegeven aan het doen van onjuiste en/of onvolledige aangiften vennootschapsbelasting door [verdachte rechtspersoon 1] , terwijl het feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven (feit 5, primair), zoals hiervoor in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 (primair) bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.
Het onder feit 2 (primair) bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
Witwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven.
Het onder feit 3 (primair) bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
Valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.
Het onder feit 5 (primair) bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en/of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte hieraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijke leidinggeven aan (het medeplegen van) witwassen (feiten 1 en 2), valsheid in geschrift (feit 3) en het doen van onjuiste en/of onvolledige aangiften vennootschapsbelasting (feit 5). De verdachte was samen met [medeverdachte 1] actief in de handel in legeronderdelen. Bij die handel is belastingfraude gepleegd die eruit bestond dat vennootschapsbelasting in Nederland is ontdoken door (handels-)winsten te verschuiven van Nederland naar [plaats 2] . Dit patroon van belastingfraude heeft zich in ieder geval vanaf het jaar 1998 voorgedaan. De niet-afgedragen vennootschapsbelasting is dermate vermengd geraakt met het overige (legale) vermogen van de verdachte dat het niet meer te individualiseren valt. Op een zeker moment is de verdachte, via de tot zijn concern behorende vennootschappen, met zijn deels op frauduleuze wijze verkregen vermogen omvangrijke en risicovolle leningen gaan verstrekken. De verdachte heeft daarbij gebruik gemaakt van in [plaats 2] gevestigde vennootschappen en zogenoemde ‘declarations of trust’, met de bedoeling de daadwerkelijke oorsprong van de uitgeleende gelden te verhullen. In dat kader zijn voorts valse leningsovereenkomsten opgemaakt, die jegens de Belastingdienst zijn gebruikt als ware echt en onvervalst. Door aldus te handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming, zoals de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde overeenkomsten van geldlening. Daarnaast heeft de verdachte het vertrouwen dat de Belastingdienst in de correctheid van aangiften vennootschapsbelasting moet kunnen hebben, ernstig geschaad. Bovendien wordt met het witwassen van criminele gelden, waaraan de verdachte zich eveneens schuldig heeft gemaakt, getracht om illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 september 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Het hof stelt vast dat deze redelijke termijn is aangevangen op 10 oktober 2017, zijnde de datum van inverzekeringstelling. Het vonnis van de rechtbank dateert van 23 december 2021, zodat in eerste aanleg sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim twee jaar. Namens de verdachte is op 24 december 2021 hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis. Nu het hof op 16 april 2026 arrest wijst is tevens sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep met ruim twee jaar.
Tot slot heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het verhandelde ter terechtzitting is onder meer naar voren gekomen dat de verdachte is geconfronteerd met omvangrijke beslagen op zijn vermogen en strenge schorsingsvoorwaarden. Het hof constateert dat de verdachte thans 89 jaar oud is. Door de verdediging is een medische verklaring in het geding gebracht waaruit volgt dat sprake is van een beginstadium van dementie. De verdachte beseft zich maar beperkt wat de onderhavige strafprocedure inhoudt en wordt niet detentiegeschikt geacht.
Alles in samenhang bezien is het hof van oordeel dat met name gelet op de ernst van de feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden in beginsel passend en geboden is. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en de tijdens het onderzoek ter terechtzittingen naar voren gekomen persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zal het hof de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 51, 57, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 4 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 primair en feit 5 primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr. A.M.F. Geerling, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. van Middelkoop, griffier,
en op 16 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Geerling en mr. Van Middelkoop zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Bijlage I

Feit 1:
[verdachte rechtspersoon 2] , verder te noemen ‘de BV’, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 juli 2007 tot en met 29 september 2011, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand juli 2007 tot en met de maand september 2011 in de gemeente [plaats 3] , althans in Nederland en/of in Duitsland en/of in [plaats 2] en/of in [plaats 1] ,
(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
(telkens) van (een) voorwerp(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op (een) voorwerp(en) waren/was en/of (het/ze) voorhanden had(den) en/of
(telkens) (een) voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van (een) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,
immers heeft/hebben de BV en/of (een of meer van) haar mededader(s) - zakelijk weergegeven -
= een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaalbedrag groot (maximaal) EUR 6.150.000,- of daaromtrent, althans een of meer bedrag(en) aan geld geleend van [verdachte rechtspersoon 5] ten behoeve van het verlenen van een financiering aan [bedrijf 9] (bijlage nr. 1391C 214/260, pag. 00032871, 00030177, 00032083, 00032089, SF0000028, SF0000029, SF0000034, SF0000035, SF0020046, SF0020047, SF0021269, SF0021270, SF0030017, SF0030018 proces-verbaal) en/of
= een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaalbedrag groot EUR 6.150.000,- of daaromtrent, althans een of meer bedrag(en) aan geld uitgeleend aan [bedrijf 9] (bijlage nr. 308, pag. 00030177 proces-verbaal en bijlage nr. 1660 3/12, pag. 00036013 proces-verbaal) en/of
= een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaalbedrag groot (maximaal) USD 13.500.000,- of daaromtrent, althans een of meer bedrag(en) aan geld geleend van [verdachte rechtspersoon 5] ten behoeve van het verlenen van financiering aan [bedrijf 10] (bijlage nr. 1391C 209/260, pag. 00032866 proces-verbaal) en/of
= een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaalbedrag groot USD 13.500.000,- of daaromtrent, althans een of meer bedrag(en) aan geld uitgeleend aan [bedrijf 10] (bijlage nr. 1659(A), pag. 00036001 en 00036006 proces-verbaal) en/of
= een bedrag aan geld groot EUR 17.699.994,56 of daaromtrent, althans een of meer bedrag(en) aan geld (door de BV geheel of ten dele ontvangen als terugbetaling door [bedrijf 9] en/of [bedrijf 10] van voornoemde, althans een of meer lening(en)), overgeboekt vanaf de bankrekening van de BV naar de bankrekening van [verdachte rechtspersoon 5] (bijlage nr. 1391AA 11/41, pag. 00032622 proces-verbaal),
terwijl de BV en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat voorwerp(en) (telkens) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf,
hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare feit(en) en/of (telkens) feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);
Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
Hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 juli 2007 tot en met 29 september 2011, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand juli 2007 tot en met de maand september 2011 in de gemeente [plaats 3] , althans in Nederland en/of in Duitsland en/of in [plaats 2] en/of in [plaats 1] ,
(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
(telkens) van (een) voorwerp(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op (een) voorwerp(en) waren/was en/of (het/ze) voorhanden had(den) en/of
(telkens) (een) voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van (een) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,
immers heeft/hebben hij, de verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) - zakelijk weergegeven -:
= een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaalbedrag groot (maximaal) EUR 6.150.000,- of daaromtrent, althans een of meer bedrag(en) aan geld geleend van [verdachte rechtspersoon 5] ten behoeve van het verlenen van een financiering aan [bedrijf 9] (bijlage nr. 1391C 214/260, pag. 00032871, 00030177, 00032083, 00032089, SF0000028, SF0000029, SF0000034, SF0000035, SF0020046, SF0020047, SF0021269, SF0021270, SF0030017, SF0030018 proces-verbaal) en/of
= een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaalbedrag groot EUR 6.150.000,- of daaromtrent, althans een of meer bedrag(en) aan geld uitgeleend aan [bedrijf 9] (bijlage nr. 308, pag. 00030177 proces-verbaal en bijlage nr. 1660 3/12, pag. 00036013 proces-verbaal) en/of
= een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaalbedrag groot (maximaal) USD 13.500.000,- of daaromtrent, althans een of meer bedrag(en) aan geld geleend van [verdachte rechtspersoon 5] ten behoeve van het verlenen van financiering aan [bedrijf 10] (bijlage nr. 1391C 209/260, pag. 00032866 proces-verbaal) en/of
= een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaalbedrag groot USD 13.500.000,- of daaromtrent, althans een of meer bedrag(en) aan geld uitgeleend aan [bedrijf 10] (bijlage nr. 1659(A), pag. 00036001 en 00036006 proces-verbaal) en/of
= een bedrag aan geld groot EUR 17.699.994,56 of daaromtrent, althans een of meer bedrag(en) aan geld (door [verdachte rechtspersoon 2] geheel of ten dele ontvangen als terugbetaling door [bedrijf 9] en/of [bedrijf 10] van voornoemde, althans een of meer lening(en)), overgeboekt vanaf de bankrekening van [verdachte rechtspersoon 2] naar de bankrekening van [verdachte rechtspersoon 5] (bijlage nr. 1391AA 11/41, pag. 00032622 proces-verbaal),
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat voorwerp(en) (telkens) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf;
Feit 2:
[verdachte rechtspersoon 5] , verder te noemen ‘de Limited’, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 24 oktober 2014 tot en met 26 mei 2017 in de gemeente [plaats 3] , althans in Nederland en/of in Duitsland en/of in [plaats 2] en/of in [plaats 1] ,
(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
(telkens) van (een) voorwerp(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op (een) voorwerp(en) waren/was en/of (het/ze) voorhanden had(den) en/of
(telkens) (een) voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van (een) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,
immers heeft/hebben zij, verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) - zakelijk weergegeven -
= een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaalbedrag groot (maximaal) EUR 4.500.000,- of daaromtrent, althans een of meer bedrag(en) aan geld uitgeleend aan [bedrijf 11] ten behoeve van het verlenen van financiering aan [bedrijf 11] (SF0022094, SF0022113, SF0022114, SF0022115, SRD00034067),
terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat voorwerp(en) (telkens) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf,
hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare feit(en) en/of (telkens) feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);
Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
Hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 24 oktober 2014 tot en met 26 mei 2017 in de gemeente [plaats 3] , althans in Nederland en/of in Duitsland en/of in [plaats 2] en/of in [plaats 1] ,
(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
(telkens) van (een) voorwerp(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op (een) voorwerp(en) waren/was en/of (het/ze) voorhanden had(den) en/of
(telkens) (een) voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van (een) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,
immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) - zakelijk weergegeven -
= een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaalbedrag groot (maximaal) EUR 4.500.000,- of daaromtrent, althans een of meer bedrag(en) aan geld uitgeleend aan [bedrijf 11] ten behoeve van het verlenen van financiering aan [bedrijf 11] (SF0022094, SF0022113, SF0022114, SF0022115, SRD00034067)
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat voorwerp(en) (telkens) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf;
Feit 3:
[verdachte rechtspersoon 5] , verder te noemen ‘de Limited’, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 juli 2007 tot en met 7 november 2008, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand juli 2007 tot en met de maand november 2008 in [plaats 2] en/of te [plaats 1] en/of (elders) in [plaats 1] en/of in Nederland en/of in Duitsland,
(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
= een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 2] en anderzijds de Limited, gedateerd 15 juli 2007 en ondertekend op 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - (onder meer) de verstrekking van een lening door [medeverdachte 2] aan de Limited tot een maximum bedrag groot EUR 6.150.000,- voor de financiering van [bedrijf 9] en/of haar hotelprojecten in Kalkar onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden (bijlage nr. 1391C 211/260, 227/260 en 228/260, pag. 00032868, 00032884, 00032885 proces-verbaal), en/of
= een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 2] en anderzijds de Limited, gedateerd 15 juli 2007 en ondertekend op 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - (onder meer) de verstrekking van een lening door [medeverdachte 2] aan de Limited tot een maximum bedrag groot USD 13.500,000,- voor de financiering van [bedrijf 10] , vestiging Meppen, haar hotelproject in Duitsland, onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden (bijlage nr. D1391C 211/260, 212/260 en 213/260, pag. 00032868, 00032869 en 00032870 proces-verbaal), en/of
= een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 2] en anderzijds de Limited, gedateerd 15 november 2007 en ondertekend 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - (onder meer) de verstrekking van een lening door [medeverdachte 2] aan de Limited tot een maximum bedrag groot EUR 5.000.000,- voor de financiering van onroerend goed - en/of bouwprojecten in Duitsland en/of in Nederland, onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden (bijlage nr. 1391C 229/260 en 230/260, pag. 00032886 en 00032887 proces-verbaal),
zijnde die leningsovereenkomst(en) voornoemd (telkens) (een) geschrift(en) die/dat bestemd zijn/is om tot bewijs van enig feit te dienen,
(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst,
immers heeft/hebben de Limited en/of (een of meer van) haar mededader(s) alstoen aldaar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid genoemde leningsovereenkomst(en) (telkens) (mede) ondertekend, althans (namens de Limited) (telkens) mede doen of laten ondertekenen door [betrokkene 5] , (telkens) ter bevestiging van de juistheid van het daarin gestelde,
terwijl in die leningsovereenkomst(en) voornoemd (telkens) valselijk en/of in strijd niet de waarheid was opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de/het in die leningsovereenkomst(en) vermelde leningsbedrag(en) (telkens) verstrekt waren/was en/of verstrekt zoud(en) worden door [medeverdachte 2] aan haar/de Limited, zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen sprake was van (een) door [medeverdachte 2] verstrekte en/of te verstrekken lening(en) aan haar/de Limited,
zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door een ander of anderen te doen gebruiken,
hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare feit(en) en/of (telkens) feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);
Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
Hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 juli 2007 tot en met 7 november 2008, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand juli 2007 tot en met de maand november 2008 in [plaats 2] en/of te [plaats 1] en/of (elders) in [plaats 1] en/of in Nederland en/of in Duitsland,
(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
= een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 2] en anderzijds [verdachte rechtspersoon 5] , verder te noemen de Limited, gedateerd 15 juli 2007 en ondertekend op 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - (onder meer) de verstrekking van een lening door [medeverdachte 2] aan de Limited tot een maximum bedrag groot EUR 6.150.000,- voor de financiering van [bedrijf 9] en/of haar hotelprojecten in Kalkar onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden (bijlage nr. 1391C 211/260, 227/260 en 228/260, pag. 00032868, 00032884, 00032885 proces-verbaal) en/of
= een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 2] en anderzijds de Limited, gedateerd 15 juli 2007 en ondertekend op 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - (onder meer) de verstrekking van een lening door [medeverdachte 2] aan de Limited tot een maximum bedrag groot USD 13.500.000,- voor de financiering van [bedrijf 10] , vestiging Meppen, haar hotelproject in Duitsland, onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden (bijlage nr. D1391C 211/260, 212/260 en 213/260, pag. 00032868, 00032869 en 00032870 proces-verbaal) en/of
= een leningsovereenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 2] en anderzijds de Limited, gedateerd 15 november 2007 en ondertekend 7 november 2008, ter zake - zakelijk weergegeven - (onder meer) de verstrekking van een lening door [medeverdachte 2] aan de Limited tot een maximum bedrag groot EUR 5.000.000,- voor de financiering van onroerend goed- en/of bouwprojecten in Duitsland en/of in Nederland, onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden (bijlage nr. 1391C 229/260 en 230/260, pag. 00032886 en 00032887 proces-verbaal),
zijnde die leningsovereenkomst(en) voornoemd (telkens) (een) geschrift(en) die/dat bestemd zijn/is om tot bewijs van enig feit te dienen,
(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst,
immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) alstoen aldaar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid genoemde leningsovereenkomst(en) (telkens) (mede) ondertekend, althans (namens de Limited) (telkens) mede doen of laten ondertekenen door [betrokkene 5] , (telkens) ter bevestiging van de juistheid van het daarin gestelde,
terwijl in die leningsovereenkomst(en) voornoemd (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid was opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de/het in die leningsovereenkomst(en) vermelde leningsbedrag(en) (telkens) verstrekt waren/was en/of verstrekt zoud(en) worden door [medeverdachte 2] aan de Limited, zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen sprake was van (een) door [medeverdachte 2] verstrekte en/of te verstrekken lening(en) aan de Limited,
zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door een ander of anderen te doen gebruiken;
Feit 4:
[verdachte rechtspersoon 1] , verder te noemen ‘de B.V.’, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 april 2010 tot en met 16 januari 2013, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand april 2010 tot en met de maand januari 2013 in de gemeente [plaats 3] , althans in Nederland en/of in Duitsland,
(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
(telkens) opzettelijk (een deel van) de (bedrijfs-)administratie van de B.V. - zijnde (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd (telkens) een (samenstel van) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst,
hebbende de B.V. en/of (een of meer van) haar mededader(s) toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd opgenomen en/of verwerkt, althans doen of laten opnemen en/of verwerken
= een factuur van de B.V., gericht aan [bedrijf 2] , gedateerd op 17 juli 2012 (Variant 1, bijlage nr. 1334 1/13, pag. 00032483 proces-verbaal), ter zake verkoop van goederen door de B.V. aan [bedrijf 2] tegen een (totale) factuurprijs van EUR 275.223,-, zulks terwijl een verkoop van goederen zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, in elk geval niet heeft plaatsgevonden aan [bedrijf 2] en/of
= een factuur van de B.V., gericht aan [bedrijf 3] , gedateerd op 14 maart 2012 (Variant 3, bijlage nr. 1344 2/9, pag. 00032521 proces-verbaal), ter zake verkoop van goederen door de B.V. aan [bedrijf 3] tegen een (totale) factuurprijs van USD 37.425,-, zulks terwijl een verkoop van goederen tegen de prijs zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden (immers was in werkelijkheid sprake van een hogere verkoopprijs) en/of
= twee, althans een factu(u)r(en) van [bedrijf 2] , gericht aan de B.V., (respectievelijk) gedateerd op 15 april 2010 en/of 28 december 2010 (Variant 4, bijlage nrs. 1043A 2/3 en 1345 2/2, pag. 00032067 en 00032530 proces-verbaal), (telkens) ter verrekening van (respectievelijk) USD 29.700,- en/of USD 48.800,-, in elk geval (telkens) ter verrekening van (een deel van) de verkoopprijs inzake verkoop en/of levering van goederen door de B.V. namens [bedrijf 2] aan [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] (VS), zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen sprake was van een verkoop van die goederen door de B.V. namens [bedrijf 2] , althans terwijl de B.V. inzake de verkoop van die goederen in werkelijkheid (telkens) geen te verrekenen schuld had aan [bedrijf 2] en/of
= een factuur van de B.V., gericht aan [bedrijf 4] , gedateerd op 16 januari 2013 (Variant 5, bijlage nr. 1333 2/3, pag. 00032481 proces-verbaal), ter zake verkoop en/of levering van goederen door de B.V. aan [bedrijf 4] voornoemd tegen een verkoopprijs van totaal USD 15.115,-, zulks terwijl een verkoop van goederen tegen de prijs zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden (immers was in werkelijkheid sprake van een hogere verkoopprijs) en/of
= drie, althans een of meer factu(u)r(en) van de B.V., gericht aan [bedrijf 2] , (respectievelijk) gedateerd op 17 maart 2011 en/of 14 april 2011 en/of 15 november 2011 (Variant 6, bijlage nrs. 1043B 1/6, 1043B 2/6 en 1043B 5/6, pag. 00032069, 00032070 en 00032073 proces-verbaal) (telkens) ter zake het in rekening brengen door de B.V. aan [bedrijf 2] van een deel van de inkoopprijs van de/het op die factu(u)r(en) voornoemd vermelde goed(eren) in verband met een Joint Venture tussen de B.V. en [bedrijf 2] voornoemd, zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen sprake was van een Joint Venture tussen de B.V. en [bedrijf 2] , althans terwijl [bedrijf 2] in werkelijkheid (telkens) geen aandeel had in de inkoop van de/het op die factu(u)r(en) voornoemd vermelde goed(eren), en/of
= drie, althans een of meer factu(u)r(en) van [bedrijf 2] , gericht aan de B.V., (respectievelijk) gedateerd op 9 november 2011 en/of 9 november 2011 en/of 16 december 2011 (Variant 6, bijlage nrs. 1043B 3/6, 1043B 4/6 en 1043B 6/6, pag. 00032071, 00032072 en 00032074 proces-verbaal) (telkens) ter zake het in rekening brengen door [bedrijf 2] aan de B.V. van een deel van de verkoopprijs van de/het op die factu(u)r(en) vermelde goed(eren) in verband met een Joint Venture tussen de B.V. en [bedrijf 2] voornoemd, zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen sprake was van een Joint Venture tussen de B.V. en [bedrijf 2] , althans terwijl [bedrijf 2] in werkelijkheid (telkens) geen aandeel had in de verkoop van de/het gefactureerde goed(eren),
zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,
hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat feit(en) en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);
Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
Hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 april 2010 tot en met 16 januari 2013, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand april 2010 tot en met de maand januari 2013 in de gemeente [plaats 3] , althans in Nederland en/of in Duitsland,
(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
(telkens) opzettelijk (een deel van) de (bedrijfs-)administratie van [verdachte rechtspersoon 1] , verder te noemen de B.V. - zijnde (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd (telkens) een (samenstel van) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst,
hebbende hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd opgenomen en/of verwerkt, althans doen of laten opnemen en/of verwerken
= een factuur van de B.V., gericht aan [bedrijf 2] , gedateerd op 17 juli 2012 (Variant 1, bijlage nr. 1334 1/13, pag. 00032483 proces-verbaal), ter zake verkoop van goederen door de B.V. aan [bedrijf 2] tegen een (totale) factuurprijs van EUR 275.223,-, zulks terwijl een verkoop van goederen zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, in elk geval niet heeft plaatsgevonden aan [bedrijf 2] en/of
= een factuur van de B.V., gericht aan [bedrijf 3] , gedateerd op 14 maart 2012 (Variant 3, bijlage nr. 1344 2/9, pag. 00032521 proces-verbaal), ter zake verkoop van goederen door de B.V. aan [bedrijf 3] tegen een (totale) factuurprijs van USD 37.425,-, zulks terwijl een verkoop van goederen tegen de prijs zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden (immers was in werkelijkheid sprake van een hogere verkoopprijs) en/of
= twee, althans een factu(u)r(en) van [bedrijf 2] , gericht aan de B.V., (respectievelijk) gedateerd op 15 april 2010 en/of 28 december 2010 (Variant 4, bijlage nrs. 1043A 2/3 en 1345 2/2, pag. 00032067 en 00032530 proces-verbaal), (telkens) ter verrekening van (respectievelijk) USD 29.700,- en/of USD 48.800,-, in elk geval (telkens) ter verrekening van (een deel van) de verkoopprijs inzake verkoop en/of levering van goederen door de B.V. namens [bedrijf 2] aan [bedrijf 20] en/of [bedrijf 21] (VS), zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen sprake was van een verkoop van die goederen door de B.V. namens [bedrijf 2] , althans terwijl de B.V. inzake de verkoop van die goederen in werkelijkheid (telkens) geen te verrekenen schuld had aan [bedrijf 2] en/of
= een factuur van de B.V., gericht aan [bedrijf 4] , gedateerd op 16 januari 2013 (Variant 5, bijlage nr. 1333 2/3, pag. 00032481 proces-verbaal), ter zake verkoop en/of levering van goederen door de B.V. aan [bedrijf 4] voornoemd tegen een verkoopprijs van totaal USD 15.115,-, zulks terwijl een verkoop van goederen tegen de prijs zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden (immers was in werkelijkheid sprake van een hogere verkoopprijs) en/of
= drie, althans een of meer factu(u)r(en) van de B.V., gericht aan [bedrijf 2] , (respectievelijk) gedateerd op 17 maart 2011 en/of 14 april 2011 en/of 15 november 2011 (Variant 6, bijlage nrs. 1043B 1/6, 1043B 2/6 en 1043B 5/6, pag. 00032069, 00032070 en 00032073 proces-verbaal) (telkens) ter zake het in rekening brengen door de B.V. aan [bedrijf 2] van een deel van de inkoopprijs van de/het op die factu(u)r(en) voornoemd vermelde goed(eren) in verband met een Joint Venture tussen de B.V. en [bedrijf 2] voornoemd, zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen sprake was van een Joint Venture tussen de B.V. en [bedrijf 2] , althans terwijl [bedrijf 2] in werkelijkheid (telkens) geen aandeel had in de inkoop van de/het op die factu(u)r(en) voornoemd vermelde goed(eren), en/of
= drie, althans een of meer factu(u)r(en) van [bedrijf 2] , gericht aan de B.V., (respectievelijk) gedateerd op 9 november 2011 en/of 9 november 2011 en/of 16 december 2011 (Variant 6, bijlage nrs. 1043B 3/6, 1043B 4/6 en 1043B 6/6, pag. 00032071, 00032072 en 00032074 proces-verbaal), (telkens) ter zake het in rekening brengen door [bedrijf 2] aan de B.V. van een deel van de verkoopprijs van de/het op die factu(u)r(en) vermelde goed(eren) in verband met een Joint Venture tussen de B.V. en [bedrijf 2] voornoemd, zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen sprake was van een Joint Venture tussen de B.V. en [bedrijf 2] , althans terwijl [bedrijf 2] in werkelijkheid (telkens) geen aandeel had in de verkoop van de/het gefactureerde goed(eren),
zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
Feit 5:
[verdachte rechtspersoon 1] , verder te noemen ‘de BV’, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 29 november 2016 in de gemeente(n) [plaats 3] en/of Uden en/of Venlo en/of Apeldoorn, en/of te Dieren in de gemeente Rheden (bijlage nr. 1514, pag. 00034747 proces-verbaal) en/of (elders) in Nederland en/of in Duitsland,
(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting ten name van de BV over het/de jaar/jaren 2010 en/of 2011 en/of 2012 en/of 2013 en/of 2015 (digitale bijlagen nrs. 1643E t/m 1643H, 1643J, 891J (pag. 00031650 proces-verbaal), 891L (pag. 00031657 proces-verbaal), 891N (pag. 00031664 proces-verbaal) en 891P (pag. 00031670 proces-verbaal)) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,
immers heeft/hebbende BV en/of (een of meer van) haar mededader(s) (telkens) opzettelijk – zakelijk weergegeven - op de bij de bevoegde inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingediende en/of ingeleverde aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting ten name van de BV
* over het jaar 2010 een negatieve belastbare winst groot EUR 163.746,- (rubriek 585) en/of een negatief belastbaar bedrag groot EUR 163.746,- (rubriek 585) vermeld en/of doen of laten vermelden en/of
* over het jaar 2011 een negatieve belastbare winst groot EUR 2.237,- (rubriek 585) en/of een negatief belastbaar bedrag groot EUR 2.237,- (rubriek 585) vermeld en/of doen of laten vermelden en/of
* over het jaar 2012 een negatieve belastbare winst groot EUR 286.941,- (rubriek 585) en/of een negatief belastbaar bedrag groot EUR 286.941,- (rubriek 585) vermeld en/of doen of laten vermelden en/of
* over het jaar 2013 een belastbare winst groot EUR 204.617,- (rubriek 585) en/of een belastbaar bedrag groot nihil (rubriek 585) vermeld en/of doen of laten vermelden en/of
* over het jaar 2015 een belastbare winst groot EUR 110.821,- (rubriek 585) en/of een belastbaar bedrag groot nihil (rubriek 585) vermeld en/of doen of laten vermelden,
althans in die aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting ten name van de BV voornoemd (telkens) een te laag, althans onjuist bedrag aan belastbare winst en/of een te laag, althans onjuist belastbaar bedrag vermeld, althans doen of laten vermelden,
terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,
hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare feit(en) en/of (telkens) feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);
Subsidiair althans, indien hel vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
Hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 29 november 2016 in de gemeente(n) [plaats 3] en/of Uden en/of Venlo en/of Apeldoorn, en/of te Dieren in de gemeente Rheden (bijlage nr. 1514, pag. 00034747 proces-verbaal) en/of (elders) in Nederland en/of in Duitsland,
(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting ten name van [verdachte rechtspersoon 1] , verder te noemen de BV over het/de jaar/jaren 2010 en/of 2011 en/of 2012 en/of 2013 en/of 2015 (digitale bijlagen nrs. 1643E t/m 1643H en 1643J) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,
immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk - zakelijk weergegeven- op de bij de bevoegde inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingediende en/of ingeleverde aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting ten name van de BV
* over het jaar 2010 een negatieve belastbare winst groot EUR 163.746,- (rubriek 585) en/of een negatief belastbaar bedrag groot EUR 163.746,- (rubriek 585) vermeld en/of doen of laten vermelden en/of
* over het jaar 2011 een negatieve belastbare winst groot EUR 2.237,- (rubriek 585) en/of een negatief belastbaar bedrag groot EUR 2.237,- (rubriek 585) vermeld en/of doen of laten vermelden en/of
* over het jaar 2012 een negatieve belastbare winst groot EUR 286.941,- (rubriek 585) en/of een negatief belastbaar bedrag groot EUR 286.941,- (rubriek 585) vermeld en/of doen of laten vermelden en/of
* over het jaar 2013 een belastbare winst groot EUR 204.611,- (rubriek 585) en/of een belastbaar bedrag groot nihil (rubriek 585) vermeld en/of doen of laten vermelden en/of
* over het jaar 2015 een belastbare winst groot EUR 110.821,- (rubriek 585) en/of een belastbaar bedrag groot nihil (rubriek 585) vermeld en/of doen of laten vermelden,
althans in die aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting ten name van de BV voornoemd (telkens) een te laag, althans onjuist bedrag aan belastbare winst en/of een te laag, althans onjuist belastbaar bedrag vermeld, althans doen of laten vermelden,
terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven.

Voetnoten

1.Hoge Raad 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533.
2.Hoge Raad 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321.
3.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889.
4.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.1.3.
5.Hoge Raad 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, r.o. 3.6.5.
6.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.5.2.
7.Hoge Raad 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321.
8.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.4.2.
9.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.4.4.
10.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.4.5.
11.Hoge Raad 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, r.o. 3.6.3.
12.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.3.2.
13.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.3.3.
14.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.3.4.
15.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.3.5.
16.Hoge Raad 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, r.o. 3.7.
17.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.6.1.
18.Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.6.2.
19.Hoge Raad 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1279, r.o. 2.4.3.
20.Hoge Raad 4 juli 2027, ECLI:NL:HR:2017:1015, r.o. 3.6.
21.Hoge Raad 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198, r.o. 2.4.4.
22.Het hof heeft voor de weergave van het standpunt van de advocaat-generaal aansluiting gezocht bij het schriftelijk requisitoir van de advocaat-generaal.
23.Dit beoordelingskader volgt uit de gezamenlijkheid van de volgende arresten: HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094, HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471, HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194 en HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.
24.Paragraaf 2.7 van het Overzichtsproces-verbaal I (OPV-I), pg. 60084 t/m 60094.
25.G1137, pg. 40058 en G1658, pg. 40337.
26.Hoge Raad 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774, r.o. 3.8.
27.V1361, pg. 10523.
28.V1303, pg. 10502.
29.V1207, pg. 10141.
30.V1207, pg. 10139 en V1371, pg. 10265.
31.PV877, PV843 en PV1017.
32.V1361, pg. 10522 en 10523.
33.V1361, pg. 10523.
34.G1137, pg. 40058 en G1658, pg. 40337, zie ook G1404, pg. 40408.
35.D1622B, pg. 35843.
36.D1622B, pg. 355843 en 35844.
37.PV1412, pg. 20420 en 20421 en D1391D, pg. 32962.
38.Verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 15 november 2021.
39.V1208, pg. 10152, V1291, pg. 10194 en V1371, pg. 10256.
40.Zo heeft [medeverdachte 1] in 2016 op vragen van de Belastingdienst / Douane geantwoord dat [bedrijf 2] een “relatie” en een “goede klant” van [verdachte rechtspersoon 1] is (D908). Hierbij werd niet verteld dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op zakelijk en persoonlijk vlak sterk verweven zijn en gezamenlijk volledige beheersing hebben over de beide ondernemingen.
41.O-PV, pg. 60024 t/m 60049.
42.G1406, pg. 40166 en 40167.
43.V1303, pg. 10505.
44.V1207, pg. 10142.
45.D1334 en D1593.
46.V1331, pg. 10236 en 10237.
47.V1207, pg. 10142.
48.V1207, pg. 10142.
49.PV1412, pg. 20421.
50.PV1412, pg. 20417 en 20418.
51.PV1412, pg. 20148.
52.V1581, pg. 10568.
53.V1412, pg. 20421.
54.V1276, pg. 10177.
55.PV1412, pg. 20421.
56.V1291, pg. 10195.
57.V1276, pg. 10178.
58.V1276, pg. 10178 en V1291, pg. 10195.
59.V1581, pg. 10568.
60.V1276, pg. 10178.
61.V1303, pg. 10504.
62.V1276, pg. 10177 en 10178 en V1303, pg. 10504.
63.V1362, pg. 10248.
64.PV1403, pg. 20393 en D1397.
65.O-PV, pg. 60049.
66.PV1611, pg. 20575 en D1622, pg. 35841.
67.Hoge Raad 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578.
68.V1354, pg. 10516 en 10517.
69.V1207, pg. 10139
70.PV843, pg. 20261 en 20265.
71.PV843, pg. 20265, D1391C/223 en 224, pg. 32880 en 32881 en D1590, pg. 35801 t/m 35804.
72.PV1412, pg. 20425 en 20429.
73.PV843, pg. 20265.
74.Het hof heeft voor de weergave van het standpunt van de advocaat-generaal aansluiting gezocht bij het schriftelijk requisitoir van de advocaat-generaal.
75.O-PV, pg. 60060.
76.PV842, PV1020 en PV899.
77.D1391C/116 t/m 120, pg. 32773 t/m 32777 en D1391C/225, pg. 32882.
78.PV842.
79.D1391C/223, pg. 32880 en D1391C/224, pg. 32881.
80.D1590, pg. 35801 t/m 35804.
81.D1580, pg. 35400 t/m 35402.
82.Het hof heeft voor de weergave van het standpunt van de advocaat-generaal aansluiting gezocht bij het schriftelijk requisitoir van de advocaat-generaal.
83.D1514, pg. 34747, 34748, 34759 t/m 34762, 34764 en 34765.
84.G1583A, pg. 40283.
85.V1584, pg. 10302.
86.G1130, pg. 40291.
88.O-PV, pg. 60024 t/m 60049.
89.V1276, pg. 10176 en V1331, pg. 10237.
90.V1295, pg. 10214.
91.PV846.
92.PV842.
93.V1581, pg. 10569.